Retroscoop - Vergane glorie: Het Casino Kursaal van Blankenberge RetroScoop
 
   Vrije tijd en amusement
    
 
 
De ´klik´ naar je gedroomde Klassiekers

Het oude Casino-Kursaal
van Blankenberge
(1886-1932)
Vergane glorie aan de Belgische Kust

Benoit Vanhees

 

     

Structuur van het artikel

Inleiding 

1) De Britse High Society als trendsetter
2) Een Waalse ondernemer aan de Vlaamse Kust

3) Doorbraak
4) Het Stadsbestuur op de bres
5) Eindelijk een beslissing
6) Ondertussen in Oostende
7)
Van Kursaal tot hôtel du Kursaal

8) Verdere transformatie van de kuststad
9) Verbouwingswerken
10) Pruisen aan het strand
11) Het interbellum
12) Kroniek van een aangekondigd einde


Inleiding

In 1934 werd het oude Casino-Kursaal van Blankenberge volledig afgebroken. Begonnen als één van de kroonjuwelen van de Belgische kust tijdens de Belle Epoque, was het gebouw in het interbellum heel wat van zijn oorspronkelijke charme kwijtgespeeld, na enkele spijtige verbouwingen. Vandaag de dag herinneren vooral pitoreske postkaarten aan de hoogdagen van dit opvallende gebouw.

Vooraleer we echter tot het hart van ons onderwerp doorstoten, moeten we eerst de historische context in enkele ruwe pennentrekken schetsen. Helaas en om voor de hand liggende redenen moeten we inderdaad verzaken aan volledigheid. Niet elke evolutie of ieder feit kon dus in dit korte bestek aan bod komen. 

In de eerste decennia van de 19de eeuw was Blankenberge een kroostrijk vissersdorp van amper 2000 zielen, tegen ongeveer 20 000 vandaag de dag. Net als het lot van fabrieksarbeiders en kleine landbouwers was ook het vissersbestaan ruig en hard. De meeste onder waren dan ook arm, en bewoonden vaak piepkleine lage huisjes net achter de dijk. In 2011 zijn de laatste sporen hiervan zo goed als volkomen verdwenen. Slechts twee zo´n vissershuisjes in de Breydelstraat en oude foto´s en postkaarten geven nog een vaag idee van hoe het vissersdorp er in die tijd moet hebben uitgezien. (1)

In 1811 liet Napoleon een soort uitkijktoren in het kustdorpje optrekken. Deze militaire constructie maakte deel uit van ezijn uitgestrekt netwerk van torens en forten. Zo liet Napoleon te Oostende bijvoorbeeld een vijfhoekig fort bouwen. De uitkijktorens werden met een dubbel doel opgetrokken. Enerzijds dienden ze om toezicht te houden op de naleving van de Continentale Blokkade tegen Engeland. Met deze blokkade hoopte de Franse Keizer zijn aartsvijanden economisch op de knieën te krijgen. Anderzijds waren ze een soort DEW-line avant la lettre. Een Distant Early Warning-systeem, die in het oog houden of er geen Britse armada op komst was. Bonaparte vreesde immers dat de Britten een omvangrijk landleger op de kusten van Continentaal Europa zou laten ontschepen. Zo´n troepen zouden hem een dolkstoot in de rug hebben kunnen toedienen, terwijl zijn Grande Armée de Russische steppen inpalmde. Mocht zo´n ontscheping plaats hebben gevonden, dan zouden de versterkte forten in actie zijn getreden. In werkelijkheid bleef zo´n vroege variant van D-Day uit, en deed het fort in Oostende enkel maar dienst als opslagplaats. (2)

Het is ondertussen genoegzaam bekend hoe het met de energieke "petit caporal" is afgelopen. Daardoor verloor ook het netwerk van forten en torens langsheen de Europese kust haar nut. Twee jaar na de Slag van Waterloo werd de uitkijktoren in Blankenberge dan ook zo aangepast, dat hij als vuurtoren kon fungeren.

Wie arme bevolking zegt, zegt weinig belastingsinkomsten. Na de Onafhankelijkheid van België begonnen Oostende en Blankenberge dan ook uit te kijken naar andere inkomstenbronnen dan visserij. De frisse westenwind die de volgende decennia voor een geleidelijke maar zeer belangrijke transformatie van de twee kustdorpjes zou zorgen, kwam uit Groot-Brittannië overgewaaid: kusttoerisme... De zaadjes hiervoor begonnen beetje bij beetje in de twee kustplaatsjes te kiemen. Blankenberge en Oostende groeiden nog in de 19de eeuw uit tot elitaire en mondaine toeristische polen. Dit liet deze steden toe om stukken grond aan steeds duurdere prijzen te verkopen of verhuren, en op die manier zelf meer investeringen te kunnen doen in de verdere ontwikkeling van het toerisme.

Het voorbeeld van deze twee groeiende centra inspireerde later de andere kustplaatsen. De 20ste eeuw zag de totale transformatie van het uitzicht van het Belgisch kustgebied. De smalle strook werd niet alleen één groot paradijs voor strandkloppers en spelende kinderen, maar ook voor horecabazen en investeerders in immobiliën...


1) De Britse High Society als trendsetter

Toen België in 1830 onafhankelijk was geworden, was van er dus van enig commercieel ontwikkeld kusttoerisme absoluut nog geen sprake. Het was de Britse elite die deze nieuwe vorm van vrijetijdsbesteding op gang zou brengen. 

Het doorbrengen van tijd aan de kust werd oorspronkelijk door enkele artsen en vogue bij de High Society als een kuur aanbevolen. De jodiumhoudende lucht en het zilte zeewater zouden volgens die geneesheren in een betere gezondheid resulteren. Ze pleitten voor een soort maritieme versie van wat later de Kneipp-kuur zou worden, compleet met begietingen om de bloedsomloop te stimuleren (thalasso-therapie).

Een beperkt aantal locaties langs de Britse kust bleek bovendien gezegend met een mild microklimaat, waar soms zelfs palmbomen het wisten uit te houden. Op deze plekken concentreerden zich elk jaar meer en meer mensen uit de Beau Monde. Het kuren bleek voor velen al snel van secundair belang, een excuus. Deze plekken groeiden meer en meer uit tot ontmoetingsplaatsen voor mensen uit de High Society. Hier "gezien worden" primeerde voor heel wat kustgangers al snel op het hervinden van een stevige eetlust en een "rosy complexion"...

Geleidelijk aan ontwikkelde zich rond deze kustplaatsen de eerste kiemen van een horeca-infrastructuur. Al deze elitaire (jonge)dames en heren met hun vaak samengestelde familienamen en ongewone voornamen hadden immers nood aan onderdak, spijzen en drank. En aangezien hun geldbeugels doorgaans goed voorzien waren... Om dat mondaine volk te blijven lokken, moest er voor "entertainment" gezorgd worden. Een andere mogelijkheid om hun nieuwsgierigheid te blijven prikkelen was het bouwen van publiekslokkers. De Royal Suspension Chain Pier in Brighton, en die in 1823 het levenslicht zag, is daar een goed voorbeeld van. Beetje bij beetje begon ook de hogere middenklasse de nieuwe rage op te pikken. Zo kon het gebeuren, dat Britse Waterloo-veteranen en hun familie deze nieuwe vorm van tijdsverdrijf in ons land invoerden.


Drieluik van mozaïelsteentjes in Zurenborg, Antwerpen
Links Wellington, recnts zijn rivaal Napoleon, die nog steeds alle zon opeist

Het waren inderdaad deze veteranen en hun gevolg die hun bezoek aan het slagveld van Waterloo in ons land hoopten te combineren met een bezoek aan de Belgische kust. Temeer daar de Belgische kuststrook uit mooi kwartszand bestond, en niet uit stenen, zoals vaak het geval in Albion. Het stadsbestuur van Oostende en Blankenberge zagen wel iets in deze piste van kusttoerisme. Koning Leopold I droeg eveneens zijn steentje bij om deze evolutie op gang te brengen, door zijn beslissing om zijn jaarlijkse vakantie in Oostende door te brengen.

Oostende had per slot van rekening ook al de spits afgebeten, door een kunstmatige wandelpiste evenwijdig met de kustlijn aan te leggen. Hoe primitief ook, deze nieuwigheid kende meteen heel wat succes in de betere kringen. 

De uitgesproken toeristische ambities van Blankenberge dateren echter ook al van 1835. Het stadsbestuur ging toen voor het eerst over tot het afbakenen van een strandzone, die voor zeebaden werd voorbehouden. In hetzelfde jaar werd ook voor de allereerste maal een badwachter in dienst genomen, om al te roekeloze strandtoeristen tot voorzichtigheid aan te manen, of hen wegwijs te helpen. Drie jaar later verschenen ook in Blankenberge de eerste mobiele kleedcabines ("cabines mobiles") op het strandzand. In 1840 bouwde Blankenberge net als Oostende een kunstmatige wandelpiste. Ook deze eerste "promenadeé was oorspronelijk niets meer dan een bescheiden houten constructie van 42 m op 1,25 m. Het was zo gebouwd, dat hij na het zomerseizoen weer gemakkelijk opgebroken en tot het volgend seizoen opgeborgen kon worden.

Ook deze bescheiden infrastructuut prikkelde meteen de nieuwsgierigheid van een welgesteld publiek, en ontpopte zich tot een publiekslokker. In 1843 had Blankenbergen genoeg fondsen bijeengebracht, om de houten constructie door een permanente wandelpiste in baksteen te vervangen. De nieuwe versie werd in één tijd ook verbreed tot 2 m. Men kon op deze manier in twee richtingen op en af flaneren, paraderen, naar de anderen kijken en ervoor zorgen zelf gezien te worden. De heren die zich op deze catwalk waagden, dienden uitgedost te zijn met een buishoed, een dure wandelstok en bij voorkeur een gouden zakhorloge. De dames droegen toen al hoedjes, kapjes en eventueel parasols, om hun lelieblanke huid tegen de nefaste en statusverlagende invloed van de zon te beschermen.

Het succes was zo groot, dat een aantal potentiële investeerders belangstelling begonnen te tonen om horeca-activiteiten langsheen de promenade op te starten. Zo was de Oostendenaar Warrinier kandidaat, en de Brusselaar Morainville speelde met het idee om er een ijssalon te openen. Uiteindelijk duurde het toch nog tot 1844 eer investeringsplannen concreet gestalte kregen. In dat jaar opende een frivool en stijlvol houten drankpaviljoentje de deuren. Weliswaar een bescheiden debuut, maar niettemin een mijlpaal in de geschiedenis van wat toen nog een vissersdorp was. 

De tweede investering kwam van de reder De Rycker. Ook hij had een aanvraag ingediend om een stuk kustgrond van de stad te kunnen huren. Dat het in dat vroege stadium van het kusttoerisme een groot vraagteken bleef of zo’n investering zich wel terug zou verdienen blijkt wel uit de koudwatervrees van De Rycker om ook echt iets met zijn gehuurd stuk grond aan te vangen. Daardoor bleef er gedurende enkele jaren maar één zaak aan de wandelpiste van Blankenberge. Een situatie vergelijkbaar met Oostende, waar er in de 1840’s enkel maar het Pavillon Hamers te bezoeken viel.

Zo had het Blankenbergs stadsbestuur het echter niet begrepen. De Rycker werd aangepord om aan de bouwwerken te beginnen, wat deze uiteindelijk dan ook deed. Iets waarvan hij geen spijt zou hebben. In 1850 opende hij zijn zaak, die duidelijk beantwoordde aan een reële vraag. Zijn paviljoen groeide binnen de kortste keren uit tot een commerciële voltreffer, Reeds het jaar daarop breidde hij zijn zaak uit met een piste om te gaaibollen (volksspel) en een Engelse tuin, een soort lusthof met kostbare planten. François Driessens vond in een zeer oud exemplaar in het toenmalig infoblad "Phare de Blankenberghe" een interessante reclame voor dit paviljoen. Op basis hiervan wist hij in 2008 volgende informatie over deze pionier mee te delen:

"Dit was een café - restaurant waar men ontbijt, maaltijden en wat wij nu noemen snacks op elk uur van de dag kon krijgen. Er waren mooie ruime salons waarvan er één voorzien was van een piano in zeer goede staat. Wat kon men er zo al krijgen? Volgens de advertentie: ijsroom, sorbets, bavarois, Amerikaanse en Duitse dranken, Faro, Lambic, Engelse en Duitse bieren, fijn gebak, fruit, groenten, uitgedane Engelse oesters, aardappelen en Westfaalse ham. (...) Je kon er uiteraard kwaliteitswijnen krijgen en likeuren zoals Marasquin en Rosolio. Via een gerieflijke en ruime trap kon je van het strand naar de inrichting. Een goed orkest liet zich horen in de grote zaal de maandag, woensdag en vrijdag." (3)


2) Een Waalse ondernemer aan de Vlaamse Kust

Hoewel er ondertussen Franse en Duitse toeristen de weg naar Blankenberge hadden ontdekt, kon men in die periode nog niet van kusttoerisme op commerciële basis spreken.

Daar kwam vanaf de tweede helft van de 19de eeuw verandering in. De man die deze evolutie in belangrijke mate in de hand werkte, was de Luikse spoorwegingenieur Léon Malécot (1817-1866). Na het bouwen van bruggen en andere spoorweginfrastructuur, besloot hij zich aan een voor hem nieuwe uitdaging te wagen. Malécot droomde er blijkbaar van om iets gelijkaardigs aan de Belgische kust op gang te brengen als in sommige Britse kustplaatsen. Hij besloot Blankenberge als uitvalsbasis te nemen, en met een speciale publiekslokker zijn visionaire ideeën op gang te brengen.


Het eerste Kursaal in Oostende, een frivole constructie in hout

In 1852 had Oostende uitgepakt met een primeur, door als eerste kuststad een Kursaal in gebruik te nemen. Het was weliswaar een houten constructie, maar de honger naar nieuwe sensaties deed al snel heel wat vermogende bezoekers naar de attractie afzakken. Wou Blankenberge verbazen, moest het dus beter doen dan Oostende. Malécot had een sierlijk Kursaal in steen opgetrokken in het achterhoofd. Hij had ook al iemand in gedachten om zijn droom gestalte te geven: Auguste Payen (1801-1877)

Net als Malécot had ook Payen een belangrijk deel van zijn carrière en reputatie bij de Spoorwegen uitgebouwd. Hij ontwierp er een reeks sierlijke stations, waaronder dat van Oostende, Brussel Zuid en het nog steeds bestaande station van Lier. (4)

Payen bedacht een fraai ontwerp in twee soorten steen, dat in 1859 werd gebouwd. Het was een gebouw van 1 verdieping, opgetrokken in een Oriëntaals geïnspireerde bouwstijl. Zo waren er boogvormige elementen en zuilen, die meteen beelden van moskeeën en Oosterse badhuizen opriepen. Deze keuze voor een oriëntaalse bouwstijl was geen toeval: het moest -binnen de maatschappelijke perken- een zweem van de magie en de ontucht der 1001 nachten oproepen. Ook in Groot-Brittannië was die stijl erg in de mode.

Op het gelijkvloers was een half open galerij, waar de bezoekers wel van de gezonde zeelucht konden genieten, maar zich ook tegen al te felle zon konden beschermen. Het centraal gedeelte van het gebouw werd bekroond door een lage toren. Het succesvolle Oostendse houten Kursaal kreeg dus eensklaps een geduchte rivaal.


 

3) Doorbraak

De bouw van deze publiekstrekker spoorde op haar beurt het Blankenbergse stadsbestuur tot nieuwe investeringen aan. Omstreeks 1860 werd de promenade verbreed tot 6 meter, wat meteen geparadeer in hoepelrokken mogelijk maakte. De bakstenen werden vervangen door elegantere rode plavuizen.

Niet alleen de publieke overheid deed zijn duit in het zakje. Ook privé-investeerder De Rycker besloot meer geld in zijn Blankenbergse investering te pompen. Hij verving in 1860 zijn paviljoen uit 1850 door een nagelnieuwe en ruimere installatie, dat hij “Pavillon des bains” noemde. (5) (het VIOE vermeldt dat dit gebouw later het Hotel Godderis werd: elders spreekt deze bron zichzelf tegen, en vernoemt nu het Hotel Pauwels- D’Hondt als opvolger)

Het jaar daarop verkregen de Brit Thomas Dyson en de Henegouwenaar Nicolas Parent-Pêcher een vergunning voor de aanleg van een spoorweg van Brugge naar Blankenberge. Om deze werken te financieren werd de privéfirma Compagnie du Chemin de Fer de Bruges à Blankenberghe opgericht, die het jaar daarop met de werken begon.

 


Afgaande op het afgebeelde station lijkt dit meer op een
départ POUR Blankenberghe, bv. uit Paris Nord...

Ook het bescheiden station dat te Blankenberge werd opgetrokken, was een privé-initiatief. De bouw ervan werd bekostigd door de firma Bruges-Blankenberge van... spoorwegingenieur Malécot. De spoorlijn werd op 12 juli 1868 effectief in gebruik genomen. Het bleef 10 jaar privébezit, waarna de Belgische Staat de spoorlijn overkocht. (6)

Ook de zaken van Malécot floreerden blijkbaar. Nog voor de spoorwegverbinding in gebruik werd genomen, kon hij al een verdieping aan zijn Kursaal toevoegen. Zijn droom om Blankenberge uit te bouwen tot een mondaine badplaats à la Brighton werd echter in de kiem gesmoord. De bedrijvige Luikenaar werd nog voor hij 50 werd door de dood verrast…


Tussen het Grand Hôtel des Bains et Familles en Hotel Stein op de achtergrond
bevond zich een brug, waaronder de "Rampe Malécot" liep (zie tekst)

  

Omstreeks 1864 werd ook het Grand Hôtel des Bains et des Familles gebouwd. De grond behoorde aan de Gentse handelaar Emile de Gobart, maar het initiatief om een hotel te bouwen kwam opnieuw van een Brit. William Smith was een bankier, die in Brussel gevestigd was, en een deel van zijn vermogen in de horeca investeerde. Het langwerpig hotel was een eerder sober ontwerp van de Brugse architect Isidoor Alleweireldt. Ook aannemer De Schrijver was uit de West-Vlaamse hoofdstad afkomstig. Achter het hotel zou ook nog een rolschaatspiste volgen. (7)

Nog meer hotels verrezen achter de zeedijk, waar zich vroeger het visserdorp bevond. Le Phare de Blankenberghe vernoemde in 1856 ondermeer al het bestaan van Hôtel Royal, Hôtel de Belle Vue, Hôtel de Bruges, Hôtel d´Allemagne en Hôtel de l´ étoile d´or. Er was ook mogelijkheid om te overnachten in een plaatselijk klooster. Le Phare de Blankenberghe berichtte ook gretig over welke prinsen, hertogen, baronnen en ridders met hun ronkende namen allemaal waar verbleven. (8)

4) Het stadsbestuur op de bres

Het Kursaal van Malécot, de uitgebreide promenade en het nieuwe station zorgden in belangrijke mate voor een doorbraak van het toerisme in deze kuststad. De publieke en private investeringen kenden nu een soort sneeuwbaleffect. De stad Blankenberge verlengde in 1872 de Zeedijk met 170 meter aan de oostzijde.

Naar het voorbeeld van Brighton begonnen sommige investeerders nu te dromen van een pier als nieuwe publiekslokker voor Blankenberge. Omstreeks 1873 diende de Brit Hendrey hiervoor een bouwaanvraag in. Om redenen die ons onbekend zijn, zou het uiteindelijk toch nog tot 1894 duren, eer er daadwerkelijk zo’n pier werd opgericht. Deze elegante constructie was een ontwerp van de Brugse ingenieur E. Wyhowski en de Brusselse architect Hellemans, dezelfde man die het Kursaal zou ontwerpen. Deze pier blijkt een historische primeur te zijn geweest. Volgens sommige auteurs was de langwerpige constructie namelijk de allereerste pier op het Europees vasteland.


De oude pier: de Duitsers zouden hem in 1915 in brand steken 

Bij de aanleg van die nieuwe pier werd de promenade met 100 meter naar het oosten toe verlengd. Het oostelijke gedeelte van de Zeedijk werd verbonden met de rest van de dijk door een ijzeren brug met gebogen plankenvloer. Dit omdat men een doorgang onder de Zeedijk wil vrijwaren onder meer voor een gemakkelijke aan- en afvoer van reddingsboten of ander materiaal. Niet lang daarna werd de gebogen houten vloer door een vlakke vervangen. De passage onder de brug werd op een gegeven moment "rampe Malécot" genoemd.

De lokale vissersbevolking, dat een hard en armzalig bestaan leidde, zag de komst van dat mondaine volk niet altijd even goed zitten. Het (katholieke) Stadsbestuur leefde blijkbaar ook in zekere mate in onmin met de mensen die na de dood van Malécot diens Kursaal uitbaatten.

Een aantal lokale politici begonnen hardop met het idee te spelen, om een stedelijk Kursaal op te richten. Het zou schepen en latere burgemeester Cornelis De Meulenaere zijn geweest, die deze strandbal aan het rollen bracht. Hij stelde voor om een Kursaal en een ontmoetingsplaats voor toeristen onder te brengen in een nieuw Stadhuis.

Na de aanleg van een schuilhaven voorzien van een nieuwe vuurtoren, was de functie van de Napoleontische toren uitgespeeld. Het werd dan ook afgebroken. Ht Blankenbergs stadsbestuur besloot om een eigen Kursaal te bouwen op de plek waar de oude toren had gestaan. In 1873 verwierf het stadsbestuur deze grond, waarmee een eerste stap in die richting werd gezet. De tweede stap volgde, toen de lokale architect Jozef Hoste (1833-1899) werd aangesteld om een stedelijk aanlegplan en een Casino-Kursaal voor de stad te ontwerpen. (9)

Zijn ontwerp voor het Stedelijk Casino-Kursaal was naar verluidt een zeer sprookjesachtig gebouw. Alleen viel zijn ontwerp veel te duur uit, en zou dan ook nooit het levenslicht zien. Het enthousiasme van het stadsbestuur voor zo’n Casino-Kursaal koelde blijkbaar ook tijdelijk af, en de plannen hiervoor belandden een aantal jaren in de ijskast.


Met dit nieuwe Kursaal stak Oostende Blankenberge weer voorbij

Ondertussen bouwde men in Oostende een mooi ovaalvormige Kursaal, dat in 1878 in gebruik werd genomen. Daarmee kwam de concurrentie weer goed op gang.

5) Eindelijk een beslissing 

Nochtans waren pas in 1880 alle financiële of politieke hindernissen in Blankenberge van de baan. Er werd een nieuwe wedstrijd uitgeschreven voor architecten. Het zou interessant zijn, om te weten of de stad specifiek gevraagd heeft, om een gebouw met een oriëntaalse inslag te ontwerpen, om zo op het aanvankelijk succes van Malécot en het nieuwe Kursaal van Oostende in te pikken, of zo de architecten volledig vrij spel kregen.

Blijkbaar werd er oorspronkelijk nog met het idee gespeeld om ook een Rijkswachtkazerne aan het geplande complex toe te voegen. Uiteindelijk werd van die wat bizarre mix van bestemmingen afgezien, en kregen de Gendarmes elders in Blankenberge een nieuw onderkomen.

De Brusselaars Octave Van Rysselberghe (1855-1927) en Emile Hellemans (1853-1926) werden uitgeroepen tot winnaars. De bouw van het Casino-Kursaal werd in 1884 begonnen, en duurde twee jaar. Het Kursaal werd vlak naast het Grand Hôtel des Bains et Familles gebouwd. Achter dit hotel bevond zich vroeger een rolschaatspiste. Op deze plek werd een plein aangelegd, dat men later Casinoplein noemde. Omdat het hotel en het Casino-Kursaal zich op de zeedijk bevonden, maar dit plein zich lager bevindt, zijn beide gebouwen aan deze zijde veel hoger dan ze op de zeedijk zijn. Naast het Grand Hôtel des Bains liep vanuit het Casinoplein een weg rechtstreeks naar het strand. Aangezien deze in feite de zeedijk doorklieft, was hier een overbrugging gebouwd voor de mensen op de zeedijk. De weg, die men later de "Rampe Malécot" noemde, diende ondermeer om mobiele kleedkamers en reddingsboten naar het strand te kunnen brengen, zonder de steile zeedrijk te moeten beklimmen.

Op 18 juli 1886 werd het Casino-Kursaal plechtig ingehuldigd, en werd het dè attractie van het zomerseizoen aan de Kust. En het moet gezegd worden, het eindresultaat mocht er dan ook best wezen. Er werden journalisten aangetrokken om de happening meer ruchtbaarheid te geven, en er verschenen dan ook artikels in mondaine bladen als de Illustration Européenne.

  


6) In vergelijking met Oostende
 

Het nieuwe Casino-Kursaal werd opgetrokken rond een enorme concertzaal. De gebogen pronkgevel die uitgaf op de kust was duidelijk geïnspireerd door de Vlaamse renaissance, de lichtglooiende koepel zorgde dan weer voor een oriëntaalse indruk, die misschien met de term neo-byzantijns kan worden aangeduid. De twee torens die de concertzaal flankeerden als boeksteunen waren dan weer een vreemde mengeling van vuurtoren en Chinese pagode.

Eerder al verscheen er op Retroscoop een bijdrage over het prachtige oude Kursaal van Oostende (1878). Hoewel het ontwerp van Van Rysselberghe en Hellemans net als de Oostendse concurrent tot op zekere hoogte “oosterse” invloeden verrieden, leken de gebouwen voor het overige geenszins op elkaar.

Er was nog een ander opmerkelijk verschil met dat van Oostende. Het Kursaal van Oostende ontpopte zich in de volgende decennia tot een ware prima donna, die vanuit zowat elke hoek afgebeeld werd op postkaarten (tot en met luchtopnames). De tegenhanger in Blankenberge was zeker niet minder "in the picture", als het louter in aantallen wordt bekeken. Het valt echter op, dat zowat 90 % van het postkaartenaanbod met buitenopnames steeds dezelfde pronkgevel tonen, die uitgeeft op het strand. Postkaarten van de andere zijden bestaan weliswaar, maar zijn overduidelijk in de minderheid. 


Vogelperspectief vanop het dak van Hotel Stein: Op de voorgrond het
Grand Hôtel des Bains et Familles. De twee torenspitsen van het Kursaal
zijn zichtbaar, net als de zijfacade die uitgeeft op het Casinoplein


Op de voorgrond de leuning van de "Rampe Malécot" (hieronder)


Links het Grand Hôtel des Bains et Familles, rechts Hotel Stein
(later Hotel Suisse). Wie die richting uitgaat, ontmoet vervolgens de
grote
hotels, nl. hotel Excelsior en hotel Continental-Palace
Hier zien we de "Rampe Malécot", die de zeedijk doorklieft, en

rechtstreeks toegang verschaft tot het strand, o.a. voor reddingsboten.


Tenslotte een kiekje genomen vanop de brug op de Zeedijk
Het Casinoplein ligt rechts, maar is vanuit deze hoek niet te zien

Het verschil is nog frappanter voor wat betreft interieuropnames. Wie al eens de virtuele rondleiding in het Kursaal van Oostende op Retroscoop heeft doorgelopen, zal zich de prachtige postkaarten van speeltafels, van een café, van de gaanderijen, de trappenhal en van bijvoorbeeld de Hindoe-zaal herinneren. Vergelijkbare postkaarten van het interieur van het Kursaal van Blankenberge zijn zeldzamer en blijkbaar beperkter in aantal. 

Het interieur bestond uit een enorme halfronde orkestzaal met een lichtglooiend koepelvormig dak. De andere zalen werden tegen de hoge wandmuur van de orkestzaal aangebouwd. Indien de toegangsdeuren die men op de postkaarten onder de nissen kan zien om en bij de 3-4 m hoog waren, dan moet de hoogte van de zaal tussen de 15 en 20 m zijn geweest. Eén van de geopende deuren op de voorgrond geeft toegang tot een trap.

Boven de toegangsdeuren waren in totaal 8 nissen (1-3-3-1) waarin standbeelden opgesteld stonden. Ze stellen vrouwenfiguren voor, die toortsen dragen, afwisselend in de linker, de rechter of de twee handen. (Muzen ? Nike-beelden ?) De nissen werden van elkaar afgescheiden door “valse” d.w.z. vlakke zuilen. De opstelling lijkt heel symmetrisch te zijn. Het bovendste deel van de hoofdmuur is over de hele lengte versierd met fresco´s, maar de postkaart laat niet toe om goed te zien wat het afgebeelde tafereel precies voorstelt.


Boven: Kinderfeest in de "Cercle Privé" van de Casino (Kursaal) van
Blankenberge, 7 september 1895.  Onder: Uit « La vie d’été en Belgique »
Juni 1900 430 x 315 mm. illustraties van Georges Gaudy (1872 – 1940)
Uitgegeven door l´Agence Excel

Verder zien we op de begane grond naast keurige rijen stoelen zoals in een kerk eveneens O-vormige tafels met daarrond stoelen opgesteld. Het is ons niet duidelijk of er dan ook in deze zaal gegeten of gedronken kon worden tijdens concerten, of net wanneer er geen optredens waren. Sommige beschrijvingen van het gebouw halen aan dat er zich een restaurant in het Casino-Kursaal bevond, maar we hebben geen afbeelding hiervan kunnen vinden. Mogelijkerwijze was het tafereel enigzins vergelijkbaar met deze in het Kursaal van Oostende, zoals hieronder te zien:


Aan de buitenzijde op de zeedijk had het Casino-Kursaal wel een zeer groot overdekt terras. Zelfs op postkaarten van voor 1900 kan men zien dat er heel veel mensen onder konden plaatsnemen. Het was een onderdeel van een cafetaria, dat voor een stuk in het gebouw zelf was ondergebracht. Op een foto van twee dames in vol ornaat uit ca. 1910 kan men een beetje van het interieur zien, alsook gelijkaardige Thonet-stoelen die men ook op het terras aantrof.


Let op het ruime overdekte terras

Naast de concertzaal was er ook een mooie danszaal, ondersteund door potige ronde zuilen. Hierin werden niet alleen dansavonden georganiseerd, maar ook danslessen, zowel aan volwassenen als aan kinderen.


Deze prachtige kaart spreekt ook over een nieuwe directie

Wie langs de ingang op het Casinoplein naar binnen kwam, en de danszaal betrad, had aan zijn linkerkant een salon, waarvan we ook een postkaart hebben gevonden.


Rechts op deze postkaart de ingang naar de Concertzaal
Op de achtergrond, tegen de muur opgesteld zijn tafels waar men
eventueel een kaartje of brief kon schrijven, en waarom niet op
papier met het brievenhoofd van het casino ?

Wat er zich rechts van de danszaal bevond, hebben we vooralsnog niet kunnen achterhalen. Mogelijk bevond zich daar de speelzaal of -zalen. Een andere mogelijke locatie is één van de twee ronde torens die langs de zijvleugels stonden opgesteld. Wijst de afwezigheid of zeldzaamheid van postkaarten over de speelzaal op een zekere gewilde discretie ? In dat geval, waarom werd een dergelijke politiek niet in Oostende gehanteerd ?


We zien de hoofdingang die toegang geeft tot de balzaal, de
rechtse zijvleugel en één van de ronde torens. De situatie links
was gelijkaardig, met het salon in de linkervleugel.

7) Van Kursaal tot hôtel du Kursaal


Hôtel du Kursaal: men herkent er het
oude Kursaal van Malécot amper nog in


De uitbaters van het “privé”-Kursaal, de zaak opgestart door ingenieur Malécot (overleden in 1866) voelden blijkbaar de bui al hangen. Vanaf 1884 stopten ze met hun speelzalen. Het gebouw veranderde van bestemming en van eigenaars. Vanaf nu werd het Kursaal van Malécot het Hôtel du Kursaal. Daartoe werd nog een extra verdieping aan het gebouw toegevoegd, en in 1898 nog eens een vierde verdieping. Door per verdieping een andere ritmering tussen de vensters te gebruiken, ontstond een heel speels geheel. Een nieuwe toren op de westelijke rechterhoek kreeg verder een typisch “Moors” dak mee, en de oriëntaalse invloeden in het interieur werden extra benadrukt. Een reclamekaart uit 1895 vermeldt "Deswert Frères" als nieuwe eigenaars of ten minste, als uitbaters. In 1911 vermeldde een omslag dan weer weduwe Ch. Deswert en zoon als opvolgers aan het roer. De omslag leert eveneens dat het gebouw was uitgerust met "Otis liften". Het feit dat dit expliciet vermeld werd, wijst er ongetwijfeld op dat dit toen een sterk PR-argument was.

 
Foto van een koppel uit de hogere bourgeoisie in vol ornaat.
Naar verluidt toont deze eerder zeldzame opname het somptueuse
interieur van het Hôtel du Kursaal.


3 porseleinen schotels van de Hotel du Kursaal
(Fabricage: Vermeren-Coche, Brussel)
 

8) Verdere transformatie van de kuststad

In 1886 werd een tramlijn die Oostende met Blankenberge verbond in gebruik genomen. 

Wie oude postkaarten van de Blankenbergse zeedijk verzamelt, en ze chronologisch op volgorde legt, ziet ook systematisch kleine gebouwtjes wijken voor bredere en hogere hotels. Is zijwaarts uitbreiden niet meer mogelijk, dan worden soms ettelijke verdiepingen aan bestaande gebouwen toegevoegd. Dit is ondermeer het geval voor het Grand Hotel, Hotel Pauwels-D’Hondt, het Continental-Palace hotel. Reeds voor WO 1 werd deze trend van hoogbouw dus volop ingezet, al gebeurde dit nog met zeer veel stijl en elegantie.

In 1898-1900 wordt het centrale gedeelte van de Zeedijk volledig betegeld met keramische, zandkleurige tegels, na de Eerste Wereldoorlog is de volledige dijk van dergelijke bevloering voorzien. In 1899 worden twee centrale houten trappen, de Kerkstraattrap en de Bakkerstraattrap, vervangen door stenen exemplaren met een rijke ornamentiek. Zij waarderen de toegang tot de dijk vanuit de belangrijkste straten van Blankenberge sterk op. Rond 1900 is de volledige dijk bebouwd met luxueuze villa´s, pensions en hotels, gericht op een exclusief toeristisch publiek.

In 1900 werd niet ver van het Casino-Kursaal een monument ingehuldigd, ter ere van Luitenant Lippens en Sergeant De Bruyne. Beide waren op een nogal wrede manier aan hun eind gekomen in Belgisch Kongo.


9) Verbouwingswerken

Postkaarten van het oude Casino-Kursaal laten ook een hele evolutie zien. Het gebouw werd over de jaren aan een aantal verbouwingen onderworpen, die het algemeen karakter van het gebouw zouden veranderen. En helaas niet steeds ten goede. Deze verbouwingswerken gebeurden in een aantal fases. Dank zij de poststempels kunnen ze ook min of meer gedateerd worden met een speling van 1-2 jaar. 


Hierboven: voor...

en na...

 

De eerste grote verandering gebeurde omstreeks 1912. Toen werd het grote open afdak afgesloten. Op de eerste verdieping werd een gaanderij of overdekt terras toegevoegd, die van de ene toren naar de andere liep. Daarmee volgde Blankenberge het voorbeeld van Oostende, waar het Kursaal een gelijkaardige ingreep ondergaan had.

Verdere grote ingrepen werden tijdelijk verhinderd door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.


Een familie voor een affiche
van het Kursaal van Blankenberge
 

10) Pruisen aan het strand 


Duitse observatiepost nabij het Kursaal
Op de achtergrond de Pier

Omdat ze een ontscheping door Britse en Franse troepen via de Belgische Noordzeekust vreesden, vernielden ze in 1915 de pier van Blankenberge. Het oorlogsgeweld en meer bepaald een bombardement zorgde verder ondermeer ook voor heel wat schade aan de Rijksmiddelbare School in de Onderwijsstraat. De Duitsers stalen ook de bronzen beelden van het monument ter ere van De Bruyne en Lippens. Het Casino-Kursaal overleefde deze periode echter zonder noemenswaardige incidenten.


Een wat ongewone postkaart van wellicht net na WO 1
Een (Belgische of Britse ?) soldaat staat op wacht op de golfbreker
   

11) Het interbellum

Vanaf de 1920’s begon het publiek dat Blankenberge bezocht te veranderen. De elite trok naar verdere oorden, en de Middenklasse nam meer en meer haar plaats in. Dit vertaalde zich ondermeer in wijzigingen in het aanbod aan hotels en hotelkamers. 

In 1931 werd een nieuwe, stenen pier in gebruik genomen, een ontwerp van J. Soete, G. Magnel en A. Bouquet. Deze verving het eerdere exemplaar, die door de Duitse bezetters tot schroot was herleid. 


Boven, het oorspronkelijk ontwerp,
daaronder het gerenoveerde Casino-Kursaal

Maar laten we nu even eens de tweede golf van verbouwingen aan het Casino groeperen. Omstreeks 1920 werd het Casino-Kursaal inderdaad weer eens onder handen genomen. Zoals hierboven te zien is, werden de rood bakstenen muren, die op regelmatige intervallen onderbroken werden door een laag zandsteen, volledig onder een zandsteenkleurige laag weggestopt. Het algemeen uitzicht van het gebouw veranderde hierdoor vrij drastisch.

  

Erger waren de veranderingen aan de torens. Hoewel deze tweede ingreep op zich vrij miniem was, veranderde ze in één klap het frivole aspect van die twee torentjes. Om een onbegrijpelijke reden besloten de uitbaters de bovenste bouwlaag van de torens gewoon weg te nemen. Men kan er tot op een blauwe maandag over blijven redetwisten of dit het gebouw ten goede kwam of niet. O.i. ontnamen al deze moderniseringswerken het fragiele evenwicht van het oorspronkelijke ontwerp, en heel wat charme van het ooit zo elegante en verrassende gebouw.


NMBS affiche 1925

 

12) Kroniek van een aangekondigd einde

In 1930 worden architecten gecontacteerd voor de verdere restauratie van het Casino-Kursaal. Liepen de kosten daarbij te hoog op ? Besloot het stadsbestuur dat het oude Casino-Kursaal niet langer voldeed aan de smaak en de eisen van het nieuwe publiek ?

Wat er ook van zij, kort nadien werd overwogen om eerder een volkomen nieuw exemplaar neer te poten. En aangezien elke vierkante meter goud waard was, betekende dit helaas dat het oude Kursaal gedoemd was om definitief te verdwijnen... Een aantal architecten dienden voorstellen in van hoe zij het nieuwe Kursaal van Blankenberge zagen. Zoals elk tijdperk zich afzet tegen de "ouderwetsheid" van het vorige, werd ook in de 1930´s voor een radicaal ander imago gekozen dan in de 19de eeuw. Uiteindelijk werd het Art Deco-voorstel van de architecten L. Stynen (Antwerpen), R. Speybrouck (Blankenberge) en G. Van Sluys (Blankenberge) weerhouden.

In 1932 werd het eens zo feeërieke gebouw van Van Rysselberghe en Hellemans zonder veel pardon met de grond gelijk gemaakt. Het duurde twee jaren eer het nieuwe Casino-Kursaal in gebruik genomen werd. Het moderne nuchtere gebouw was ongetwijfeld functioneler en wellicht ook praktischer. Het boette echter enorm in aan frivoliteit.


Het oude Casino-Kursaal is niet meer.
De eerste bouwlaag van het nieuwe krijg  ondertussen vorm.
Let op de muurreclame voor Dancing "Banane Royale"


De Zeedijk werd ondertussen in belangrijke mate uitgebreid

In 1936 werd de wet op het betaald verlof door het Parlement goedgekeurd, waardoor duizenden arbeiders nu ook aan een korte strandvakantie konden beginnen denken. In dezelfde periode werd het stationnetje van Malécot afgebroken, en in 1937 door een gloednieuwe en ruimer exemplaar vervangen. Hiermee anticipeerde Blankenberge op de aanzwellende stroom vakantiegangers die men kon verwachten. Toch liep het uiteindelijk niet zo´n vaart. De Tweede Wereldoorlog en de jaren van heropbouw bracht deze democratisering van de strandvakantie tijdelijk tot stilstand. Pas vanaf de 1960´s was er geen houden meer aan, en weldra overspoelden tienduizenden vakantiegangers de Belgische stranden. Met de welbekende architecturale gevolgen...


Faites vos jeux... Rien ne va plus... Jetonnekes uit het Kursaal van Blankenberge
De stijl doet vermoeden dat deze uit het oud Kursaal afkomstig is
 

 

Voetnoten 

(1) Blankenberge online: Het huisje van Majutte

(2) Restauratie van het Fort Napoleon in Oostende

(3) Blankenberge onlin: Het infoblad "Phare de Blankenberghe" Deel 1 5 nov. 2008 op.cit.

(4) Korte biografie Auguste Payen

(5) Interessante tijdslijn met de mijlpalen in de toeristische ontwikkeling van de Belgische Kust (klik op de bolletjes) 

Zie VIOE artikels over Hotel Godderis en over Hotel Puwels D´Hondt

(6) Geschiedenis van Spoorlijn 51 en VIOE-inventaris

(7) Zie Historiek van het Kusttoerisme en de korte biografie van Isidoor Alleweireldt

(8) Idem (3)

(9) Hoste zou later eveneens de Rijksmiddelbare School van Blankenberge ontwerpen 

 

 
 
database afsluiten