Retroscoop - Scheveningen en haar Kurhaus Van duindorp tot mondaine trekpleister deel 1 RetroScoop
 
   Vrije tijd en amusement
    
 
 
De ´klik´ naar je gedroomde Klassiekers

Scheveningen
en haar Kurhaus

Van duindorp tot mondaine trekpleister Deel 1

Benoit Vanhees

 

Net zoals Oostende en Blankenberge was het Nederlandse Scheveningen van eind 19de eeuw een kustplaats met twee gezichten. Dit deel van Den Haag was inderdaad uitgegroeid tot een waar janushoofd. Er was enerzijds het oorspronkelijke vissersdorp, bestaande uit enkele slecht onderhouden straatjes met piepkleine, armzalige huisjes. Hier woonde een bevolking, die vaak veel moeite had om de eindjes aan mekaar te knopen.

Het andere Scheveningen was een steeds uitdijende mondaine microkosmos voor gekroonde hoofden, ministers en ambassadeurs, die er conferenties kwamen bijwonen, maar vooral voor strandgangers uit de (hogere) burgerij. De parel aan deze kroon was het majestueuze Kurhaus, waarrond zich een aantal elitaire hotels, restaurants en winkelgalerijen bevonden. Er werd voorts een aantrekkelijke “boulevard (1902) aangelegd en een sierlijke pier met een opmerkelijk rond paviljoen voltooid (1901). Een romantische verlichting creëerde ´s avonds een feeërieke sfeer, terwijl jaarlijkse attracties als luchtshows, sierwedstrijden voor trams en andere vermakelijkheden ertoe bijdroegen om de naam en groeiende faam van de kustplaats extra te stimuleren. Scheveningen zag ook het ontstaan van exclusieve wijken, waar chique buitenverblijven en smaakvolle villa´s elkaar beconcurreerden qua originaliteit, elegantie, pracht en praal.


Scheveningen is geen aparte stad, maar een buitenwijk van
Den Haag. De twee oorden zijn van elkaar gescheiden
door de Scheveningse Bosjes, een groene long (situatie 1901)

Dit tweede gezicht van de kustplaats bereikte wellicht in de 1910´s en enigszins uitlopend in de de 1920´s haar hoogtepunt qua elegantie. Daarbij moet worden opgemerkt, dat in tegenstelling tot België de Duitse troepen in 1914 Nederland niet binnengevallen waren. In België was het toeristisch leven tijdens WO 1 volledig tot stilstand gekomen, het strand één groot spergebied. De Nederlandse tegenhanger echter ontsnapte volledig aan die oorlogssituatie. Hier geen prikkeldraad, loopgraven, mitrailleurs, hotels met dichtgetimmerde ramen, af en aan rennende of marcherende soldaten in feldgraue uniformen en helmen afgewerkt met een pin. Als neutraal land was Nederland op dat moment hoogstens een broeihaard van spionnen en dubbelspionnen, vluchtelingen en diplomatieke delegaties allerhande.

Terwijl het in België en Frankrijk dus bommen en granaten regende, en in Rusland een tsaar en zijn familie werden uitgemoord, ging het leven in Nederland grotendeels zijn normale gang. Idem dito dus voor het strandtoerisme in het mondaine Scheveningen, dat kon profiteren van de afwezigheid van concurrentie van Oostende, Blankenberge en de populaire Noord Franse kustplaatsen. Een belangrijke uitzondering toch: tijdens de Groote Oorlog kwamen niet minder dan 300 Scheveningse vissers om het leven, vaak als gevolg van mijnen, U-boten en militaire vaartuigen. Na de beëindiging van de vijandelijkheden in 1918 werd een monument voor hen opgericht op de deftige “Boulevard”.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de situatie totaal anders. De Nederlanders probeerden ook nu weer aan het oorlogsgeweld te ontsnappen, door andermaal een strikte neutraliteitspolitiek te volgen. Ditmaal trokken de Duitse legers zich daar totaal niets van aan, en met een aantal listen werd het offensief tegen onze noorderbuur ingezet. Als gevolg van communicatiestoornissen werd vervolgens het oude Rotterdam zeer zwaar beschadigd door de bommenwerpers van de Luftwaffe, en vatte een vijf jaar durende bezetting aan. Ook in Nederland bouwde de Organisation Todt aan de Atlantikwal, zodat ook Scheveningen niet gespaard bleef van oorlogsschade, zoals verder uit deze historiek zal blijken. Daarbij zouden een aantal prominente, beeldbepalende bouwwerken definitief verwoest worden.

Vanaf de 1950´s valt beetje bij beetje het doek over al die exclusieve elegantie in Scheveningen, net zoals in de Belgische kuststeden overigens. Ook de Nederlandse kustplaats werd met andere woorden het slachtoffer van haar groeiend succes en stijgende populariteit.

Vooruitgang op het vlak van sociale wetgeving verleende alle lagen van de bevolking recht op betaald verlof, en opende de deuren naar het massatoerisme. Die vooruitgang op sociaal vlak had echter ook heel wat minder weldadige effecten. Een compleet nieuwe horeca-infrastructuur was nodig voor de nieuwe strandgangers. Heel wat oude, statige hotels werden hiervoor opgeofferd. De gevestigde horeca-zaken moesten zich immers willens nillens heruitvinden of plaats maken voor de “vooruitgang”. Ofwel werd het “ouwbollig” en elitaire imago afgezworen, en bereikte men een nieuw cliënteel, ofwel teerde men nog zolang het kon op voornamelijk nostalgische, welstellende senioren. Eens die rangen waren uitgedund, diende men uiteindelijk toch de deuren te sluiten.

De grote kaalslag voltrok zich vooral in de 1960´s, en duurde verder tot de eerste helft van de 1970´s. Eén voor één verdwenen de meeste beeldbepalende elegante gebouwen van Scheveningen onder het brute geweld van slopershamers, -kogels en -ballen. In de plaats kwamen dus meer betaalbare overnachtingsmogelijkheden en woningen. Op architecturaal vlak werden daarbij twintig passen of meer zelfs achteruit gezet. Eind 19de eeuw beconcurreerden gebouwen in het mondaine Scheveningen elkaar vooral op vlakken als elegantie, frivoliteit, vindingrijkheid en natuurlijk ook kostprijs. Na WO 2 leken architecten er vooral op uit om de overtreffende trappen van “lelijk” van allerlei treffende schoolvoorbeelden te voorzien.

Wie luchtopnames van het huidige Scheveningen ziet, en zelfs maar een heel klein beetje zin voor esthetiek heeft, kan bijna niet anders dan een denkbeeldig of echt traantje wegpinken. Verdwenen, al de fraaie hotels omringd door veel groen, weg de weidse zichten. Vandaag ziet men verrassend veel hoogbouw, een claustrofobisch aandoende bouwdichtheid, en geen milligram elegantie in die kolkende zee van beton en glas. Het moet zijn dat deze bouwstijl beter past bij de smaak van “de massa”, want Scheveningen is nog nooit zo populair geweest. Jaarlijks zakken miljoenen mensen af naar de totaal getransformeerde kustplaats, die nu een hoogseizoen van 365 dagen per jaar heeft. Het behoeft wellicht geen tekening of foto, dat die steeds aanzwellende stroom van nieuwe toeristen gaandeweg ook voor meer en meer overlast zorgde. Steeds meer auto´s, steeds meer zwerfvuil ook.

Diezelfde toeristenmassa zal ons moeten excuseren. Dit artikel beperkt zich immers tot de pracht en praal van het verdwenen mondaine, niet voor iedere beurs toegankelijke Scheveningen. We doen dit vooral aan de hand van zorgvuldig geselecteerde postkaarten, vooral ingekleurde exemplaren van de Duitse uitgeverij Dr. Trenkler uit Leipzig en van het Nederlandse Sjouke. Het aanbod aan postkaarten over Scheveningen uit de periode voor 1920 is zeer uitgebreid, en geven naast of beter onder elkaar gelegd een heel goed beeld van hoe het allemaal geweest moet zijn. Opvallend echter: net zoals dat het geval is voor het Kursaal van Blankenberge bestaan er nauwelijks postkaarten die het interieur van het Kurhaus tonen. De concertzaal komt enkele zeldzame keren wel eens voor, maar voor zover ons bekend geen postkaarten van het restaurant, van het inhalatorium, van het casinogedeelte, van de hotelkamers...Een aantal 19de eeuwse gravures boden een beetje soelaas, maar geven helaas geen idee van het toenmalige kleurgebruik. In de toekomst kunnen misschien nog wel toeristische brochures, vakantiefoto´s of afbeeldingen van 19de eeuwse schilderijen over het onderwerp toegevoegd worden.

Voor nu, volg de gids dus doorheen de gloriedagen van de Nederlandse kustplaats met zijn elitaire Oranje Galerij, het mondaine Wandelhoofd en het flamboyante Kurhaus. Maar laten we het verhaal beginnen bij de kiem van het Scheveningse strandtoerisme.

 

1) Ontluikend kusttoerisme

Nog voor België zich van Nederland had losgescheurd, en een onafhankelijk land was geworden, hadden in Scheveningen enkele ondernemende geesten de eerste bescheiden stapjes op het vlak van kusttoerisme gezet.

Reeds op het einde van de 18de eeuw zakten rijke stedelingen af naar Scheveningen, om de heilzame werking van de jodiumhoudende zeelucht en van het zeewater te ondergaan. Een aantal Britse artsen hadden werkjes gepubliceerd, waarin dit als goed voor de bloedsomloop werd omschreven, hetgeen meteen ook opwekkend zou werken, de levenslust aanzwengelen. Een antidepressivum avant la lettre dus. In die periode verdienden vrouwen uit het nabijgelegen vissersdorp wat bij, door op de kledij van de “rijkelui” te letten, de badgasten af te drogen en later ook nog door het verhuren van strandstoelen. (1)

Het echte startpunt van die ontluikende nijverheid in Scheveningen was een zekere Jacob Pronk (1762-1838). De man, die er al een hele trits beroepen op had zitten, had de toestemming in de wacht weten te slepen, om naar Engels model een houten badhuis op te trekken. Die bal was in feite als volgt aan het rollen gegaan.

In november 1813 behoorde de erg Oranjegezinde Pronk tot het informele ontvangstcomité van Prins Willem VI, de latere Koning Willem I. Deze was samen met de Koninklijke familie 18 jaar in ballingschap geweest in Engeland, nadat Napoleon de Nederlanden had bezet. Toen de dadendrang van de kleine Franse Keizer in 1813 een eerste maal een halt was toegeroepen, keerden de Oranje Nassaus terug naar Nederland. Een Engels oorlogsschip bracht de Prins tot dicht aan het strand van Scheveningen, waar enkele koningsgezinde lieden de vrieskou trotseerden om hem te begroeten. Pronk offerde daarbij zowaar zijn jas op, opdat de Prins niet zou uitglijden op de glibberige loopplank. Hij ging die historische dag zo ver in zijn ijver, dat hij uiteindelijk verkleumd en bibberend op het strand uit zijn bevroren kledij moest worden bevrijd.

Met zo´n opofferingsgeest was het maar logisch dat het Huis van Oranje de man toch op zijn minst enkele onderscheidingen zou toekennen, wat dan ook geschiedde. Enkele jaren later, in 1818 diende de gedecoreerde Pronk nog maar eens een aanvraag in om een “badhuis” te mogen oprichten. In 1811 had hij al eens iets gelijkaardigs geprobeerd, toen nog onder de Franse bezetting, hetgeen toen op een “non” was uitgedraaid. Met zijn nieuwe aanvraag aan het stadsbestuur van Den Haag had hij meer succes, ook al kreeg hij niet het meest aangewezen stukje strand voor zijn plannen. Scheveningen was in die tijd niets meer dan een vissersdorpje zonder vissershaven, zodat een belangrijk deel van het strand voorbehouden was voor het “parkeren” van de vissersbootjes. Ook het stuk strand waarvan Pronk had gedroomd, bleef hiervoor voorbehouden. (2)


Het gedenkteken voor Pronk op de "Boulevard"nabij het Kurhaus
herinnert aan de pionier
van het Scheveningse strandtoerisme

Niettemin had Pronk nu een stuk strand in bruikleen gekregen, en meteen ging hij aan de slag om er zijn houten badhuis op te trekken. Veel stelde het allemaal nog niet voor, zijn nog erg primitieve constructie van 4 badkamers en een kleine receptieruimte.


Gemeentearchief Den HaagN

iettemin bleek zijn aanbod op het vlak van thalassotherapie al snel een commerciële voltreffer te zijn. Vooral rijke reuma- en zenuwpatiënten kwamen in alle discretie de simpele tobbes gevuld met koud of warm zeewater uitproberen, in de hoop op beterschap. Pionier Pronk kocht ook de eerste badkoetsen van het land aan. Tegen een hoge prijs werden koets en huurders tot in het ondiepe zeewater getrokken. Deels verscholen door een neerklapbare huif konden de dames en heren uit de welstellende stand in het zilte zeewater “badderen”. Ook al had Pronk er oorspronkelijk maar twee, het nieuws deed al snel als een lopend vuurtje de ronde.

 
Een badkoets in de 1890´s, vergelijkbaar met die van Pronk

Blijkbaar werd het eerste seizoen van badhuiseigenaar Pronk meteen al gekleurd door een onvoorzien en vervelend randgebeuren, dat de wetgever tot een nieuw initiatief aanporde. In 1819, amper 1 jaar nadat de pionier met zijn nieuwigheid van start was gegaan, bleek het namelijk nodig om de lokale vissersbevolking een verbod op te leggen om nog langer naakt in de zee te komen zwemmen. Op die manier wou men de eerste kusttoeristen tegemoet komen, want blijkbaar had die confrontatie met het lokale gebruik hen behoorlijk voor het hoofd gestoten. Eens dat heikel puntje door een juridisch verbod op de i van Scheveningen was geplaatst, groeide Pronk´s cliënteel werkelijk exponentieel. (3)

Engeland had in 1815 met de hulp van enkele andere staten Napoleon Bonaparte definitief in de pan gehakt, en genoot in de nasleep daarvan dan ook een groot aanzien in Europa. Bij uitbreiding was de toenmalige elite zeer tuk op allerlei nieuwigheden, die van over het Kanaal overgewaaid kwamen. Dat gold dan ook bv. voor het zeebaden, dat dank zij enkele Britse artsen aldaar aan een steile opmars was begonnen. Zelfs al was de installatie van Pronk nog heel primitief, zijn initiatief beantwoordde ook in Nederland duidelijk aan een vraag vanuit de elite. De oprichting van het badhuis was dan ook een sensationele nieuwigheid.

De zaken gingen blijkbaar uitstekend, want reeds in 1820 verving Pronk zijn houten strandpaviljoen door een stenen versie. De vernieuwde infrastructuur zorgde al snel voor nog meer klanten. Heikel punt bleef wel dat er voor het overige niet veel te doen was in Scheveningen. Er waren geen overnachtingsmogelijkheden met standing, enkel maar wat primitieve kamertjes bij sommige vissers, lekker en copieus eten kon men er ook al niet, en voor spel en vermaak was men evenmin op het goede adres.

 

2) Het Haagse stadsbestuur als promotor van het strandtoerisme

Pronk´s commerciële voltreffer zette het gemeentebestuur van Den Haag al snel aan het denken. De Nederlandse hoofdstad werd tot 1824 geleid door een college van 4 burgemeesters. Eén van hen trok op studiereis naar het Noord-Franse Boulogne-sur-mer aan de Opaalkust. Het stadje had sedert 1815, de definitieve nederlaag van Napoleon dank zij de toevloed van Engelse veteranen een ware gedaantewisseling ondergaan, dank zij het opkomend strandtoerisme.

De burgervader kwam met een boel frisse ideeën terug naar Nederland, en richtte meteen na zijn terugkomst een studiegroep op. Deze moest zich over de vraag buigen of iets dergelijks ook in Scheveningen mogelijk en wenselijk was. Zo ja, wat moest het stadsbestuur doen om ervoor te zorgen dat er overnachtingsmogelijkheden met standing zouden komen, plaatsen waar men lekker kon eten, ontspanningsmogelijkheden...Blijkbaar werd al snel gedacht aan de oprichting van een Kurhaus, bijvoorbeeld zoals dat van Aken. Die piste wist voldoende enthousiasme te kunnen genereren, om de dingen definitief in beweging te zetten.

Omstreeks 1826 kocht het Haagse stadsbestuur het badhuis van Pronk over. Naar verluidt kreeg de zakenman hiervoor een mooie prijs, en mede dank zij zijn winsten van de voorbije 10 jaar kon de man gaan rentenieren. Scheveningen zou de pionier Pronk later eren, door een gedenkteken aan de Boulevard voor hem op te richten, en door de voormalige Torenstraat te herdopen en naar hem te vernoemen.


Gemeentearchief Den Haag

Zijn Badhuis echter zou tegen de vlakte gaan, om plaats te kunnen maken voor een mooi classicistisch gebouw, ontworpen door Zeger Reyers. De Stadsarchitect had zich voor dit ontwerp inderdaad laten inspireren door het bejubelde voorbeeld van Aken. Al snel veranderde het voormalige strand van Pronk in een grote bouwwerf.


Aan de ingang van de Scheveningseweg stond een
tolhek, dat later afgeschaft en verhuisd zou worden

In 1828 waren de werkzaamheden af, en kon het “Gemeentelijke Badhuis” de deuren openen. De oude weg tussen Den Haag en Scheveningen, in de 17de eeuw aangelegd onder impuls van Constantijn Huygens werd met een oog op de verdere ontwikkeling van het kusttoerisme in de 1830´s verbeterd. ( Weg in 1600´s) 

Deze aanwinsten betekenden een grote sprong voorwaarts voor de positionering van Scheveningen als badplaats. Het Gemeentelijk Badhuis bestond uit een centraal gedeelte met twee zijvleugels. Naast kuurbaden werden hierin ook de eerste chique hotelkamers die Scheveningen aan te bieden had ondergebracht. Er was ook een kleine bibliotheek, een biljart en voor de smulpapen een deftig restaurant.


Een 19de eeuwse gravure van het nieuwe Badhuis van Scheveningen


Een zonnige namiddag in Scheveningen in 1874
Buishoeden, parasolletjes en geparfumeerde zakdoekjes...

In 1845 opende een rijke reder, een zekere Adrien Eugène Maas een tweede badhuis, dat hij “Zeerust” noemde. Twee jaar later voegde de exploitant ook nog eens een hotelletje toe aan zijn investering. De naam bleek echter al spoedig toch niet zo goed gekozen. Dit concurrerend badhuis lag immers vlak bij het strandgedeelte van de vissers. Al snel ontstonden allerlei conflictjes tussen de soms hooghartige toeristen en de niet altijd even vriendelijke vissers, die geen al te goed oog hadden in de evolutie.


Twee foto´s van het Nederlandse Bureau Monumentenzorg
Het Groot Stedelijk Badhuis van Scheveningen

Niettemin, ondanks het vaak slechte weer, en ondanks de vaak nukkige vissers bleef het aantal geïnteresseerden in een kustvakantie sneller aanzwellen als de bestaande infrastructuur het toeliet. In 1852 breidde het Gemeentelijk Badhuis haar aantal logeerkamers uit. Dit volstond echter al snel niet meer. In de tweede helft van de 19de eeuw werden dan ook nog verschillende grote privéhotels opgericht, waaronder het Hotel Garni (1858). Deze bood in één klap al 190 extra kamers aan. Het mikte blijkbaar ook op ietsje minder rijkere klanten, al was dat nogal relatief. (Volgens de specifieke terminologie bood een hotel garni enkel ontbijt aan).


Uiterst links het Oranje Hotel, omstreeks 1900. Let op
de typisch Scheveningse korfstoelen, waarover later meer


De uitgestrekte vorm van het "Hotel d´Orange"

Bijna 20 jaar later werd het exclusievere Oranje Hotel (1872) opgetrokken. Met 200 kamers en 12 villaatjes stak het de Garni op de meeste vlakken voorbij. Tussen deze twee hotels in, maar dan loodrecht ten opzichte van het strand ingeplant verrees verder ook nog het Hotel des Galeries (1876). Op het gelijkvloers bevond zich een winkelgalerij, waarin allerhande exclusieve winkels een onderdak vonden. Blijkbaar was het de bedoeling om nog een tweede gelijkaardig hotel op te richten, eveneens loodrecht ten opzichte van het strand opgesteld. Achteraf bleek dat oorspronkelijke plan toch wat al te ambitieus, want het werd uiteindelijk definitief opgeborgen. (4)

In 1845 werd ook nog een paardenrenbaan aangelegd “ter aanmoediging en verbetering van het paardenras in Nederland”. In tegenstelling tot de Wellington renbaan van Oostende (1883) werd dit nochtans ook erg Brits aandoend initiatief geen succes. Reeds in 1854 werd de infrastructuur dan ook weer volledig opgebroken. Met het Gemeentelijk Badhuis echter ging het prima. In 1856 werden twee nieuwe vleugels toegevoegd, zodat de overnachtingscapaciteit met 93 kamers kon worden opgetrokken. Omstreeks 1863 werden ook nog eens twee kleinere bijgebouwtjes toegevoegd. Scheveningen begon hoe langer hoe meer de concurrentie van Oostende goed te voelen, en probeerde op die manier weerwerk te bieden. Een van de bijgebouwtjes werd een “Salle de Théâtre”, het andere een “Kurzaal”. Pas in 1906 werden in die laatste ook echt kuren voor mensen met ademhalingsproblemen aangeboden. Pas in dat jaar werd het bijgebouwtje uit 1863 immers een “Inhalatorium”. (zie verder in Deel 1)

Het in 1856 en nog eens in 1863 uitgebreide Badhuis werd aangeduid met de nieuwe omschrijving “Groot Stedelijk Badhuis”.

Vanaf de 1860´s verschenen ook de eerste villa´s aan het Scheveningse strand, o.a. Villa Mar en Costa. De groei van de badplaats werd in belangrijke mate verder bewerkstelligd door een betere verbinding met Den Haag.


De eerste paardentram, type "omnibus" omstreeks 1864

In 1864 zag een lijn voor paardentrams het levenslicht. De rijtuigen waren van het type "omnibus à impériale", d.w.z. met een niet overkapte dakverdieping. Dit ecologisch transportmiddel werd in 1879 vervangen door de eerste stoomtrams van Nederland. Het was evenwel nog wachten geblazen tot 1907 eer er ook een treinverbinding aangelegd werd.

3) De valse start van het Kurhaus (1885)

In 1884 kreeg de Maatschappij Zeebad Scheveningen (MSZ) het recht om het groot stuk strand waar het Groot Stedelijk Badhuis stond gedurende 75 jaar uit te baten, op voorwaarde dat ze er een Kurzaal of casino zou optrekken. Deze maatschappij van privé-investeerders was het jaar daarvoor opgericht door L.G. Coblijn en M. A. Reis, en had in 1883 een vraag in die zin tot het Haagse stadsbestuur gericht.

Eens deze concessie goedgekeurd werd het oude Badhuis bijna compleet afgebroken. De enige twee stukjes die de sloping overleefden waren de twee kleine bijgebouwtjes uit 1863, al de rest werd ontmanteld. Een deel van het bouwmateriaal, ondermeer zuilen werd blijkbaar echter gerecupereerd.

Als opvolger van het Groot Stedelijk Badhuis moest iets nieuws, imponerend, gigantisch, in één woord indrukwekkend komen. Het zou vooral veel hoger zijn dan het Badhuis, en bekroond worden door een grote koepel, die men van ver zou kunnen zien. Die nieuwkomer werd aangeduid met de Duitse term “Kurhaus”. Omdat het "bon temps" was om Frans te spreken in de mondaine wereld, hoorde men ook wel zo nu en dan de term “Grand Hotel des Bains” vallen. Toch zou de Duitse term uiteindelijk het pleit winnen.

Dit veel grotere en prestigieuze bouwwerk werd op 11 juli 1885 officieel in gebruik genomen. Het was de toenmalige burgemeester van Den Haag J.C. Patijn die de eer te beurt viel om het inauguratielintje door te knippen. Het prachtige gebouw was het geesteskind van twee Duitse architecten, Johann Friedrich Henkenhaf en Friedrich Ebert. Het bureau van deze twee heren ontwierp overigens ook het Krasnapolsky Hotel in Amsterdam, vooral bekend vanwege zijn mooie wintertuin. Ook het Victoria Hotel in dezelfde stad was blijkbaar één van hun creaties.


De adembenemend mooie Wintergarten van de Krasnapolsky


Het Victoria Hotel in Amsterdam

Het feit dat de MZS twee Duitsers voor het ontwerp van het Kurhaus had weerhouden, zette bij een aantal beleidsmakers kwaad bloed. De overeenkomst tussen de maatschappij en het stadsbestuur had evenwel nergens gespecificeerd dat er bv. een wedstrijd moest worden uitgeschreven, of dat Nederlandse architecten moesten worden geselecteerd. Storm in een glas water of beter melk dus....

De twee architecten tekenden in feite verschillende mogelijke ontwerpen. Elk van de voorstellen bestond uit een centraal gebouw en twee vleugels, maar varieerde, in hoogte of verschilden qua grondplan. Eén van de voorstellen had bijvoorbeeld een rond centraal gedeelte, waar de andere voorstellen allemaal rond een vierkantig scharnierpunt opgebouwd waren.

De stijl van het weerhouden ontwerp was een soort neorenaissance, met zowel Italiaanse als Hollandse invloeden. Het voorzag in de bouw van een aan de buitenzijde al bij al sober versierd gebouw, maar monumentaal qua omvang. Opmerkelijk was vooral het centrale deel, een vierkante toren die breder was dan de zijbeuken en bekroond werd door een 25 m hoge koepel. De toren mat ongeveer 36 m op 36, hetgeen meteen de andere naam “middencarré” verklaart. Dit centrale deel bood onderdak aan een grote concertzaal, een beetje in de trend van die van het Kursaal van Oostende.

De zijvleugels van het gebouw vielen dan weer op dank zij de loggia´s aan de strandzijde. Het ging om rondbogen, onderstut door hardstenen zuilen, een verfraaiing die zich over twee verdiepingen doortrok. Deze vleugels boden ondermeer onderdak aan een hotel met 150 kamers, 2 restaurants waaronder de Corvette, vergaderzalen en salons. In één daarvan zag de Club de Scheveningue het levenslicht, een vroege voorloper van het latere Casino. Enkel wie als lid was aangenomen geworden kon zich aan de spelletjes Baccara of Ecarte wagen.

In feite waren de verschillende delen van het Kurhaus gecompartimenteerd, een heel klein beetje zoals het CIA hoofdkwartier. Het gebouw was met andere woorden zo ontworpen, dat de hotelgasten niet zo maar in het Kurhaus konden binnengaan, en vice versa. De hele constructie zou uiteindelijk 600 000 toenmalige Guldens kosten.


Duizenden kijklustigen zakten af naar Scheveningen, om met eigen ogen
een 19de eeuwse versie van "Towering Inferno" te kunnen zien.


Foto: Universiteitsbibliotheek Leiden

Amper één jaar na de opening, op 1 september 1886 om precies te zijn werd het gloednieuwe Kurhaus zo goed als volledig verwoest door een brand. De oorzaak werd later teruggebracht tot een vuurstraal uit een spiritusbrander. Een onthutste arbeider zag hoe een onverwachte tochtstoot de vlam deed overslaan op een gordijn, en in een mum van tijd stond alles in lichterlaaie. 

Het sensationele spektakel lokte die fatale dag duizenden nieuwsgierigen naar de plek. Alleen al de kleine stoomtrams vervoerden maar liefst zo´n 25 000 mensen uit de omgeving, die het schouwspel met eigen ogen wilden zien. Rampentoerisme is blijkbaar van alle tijden... Het onbedwingbare vuur verteerde al het brandbare op zijn weg, enkel het interieur van de zijgebouwtjes van het vroegere Badhuis bleven gespaard. Van het Kurhaus zelf bleef niets meer dan een hoop smeulende stukken muur over. Het enige positieve nieuws was dat er geen doden te betreuren vielen. 

Uiteraard dacht iedereen hetzelfde na deze catastrofe. De snelheid waarmee de brand zo wild om zich heen had geslagen, toonde immers aan, dat men werkelijk door het oog van de naald was gekropen. Stel dat hetzelfde incident in volle hoogseizoen, met een goedgevuld restaurant en hotel zou hebben plaatsgegrepen... Meteen werd ook duidelijk, dat de Duitse architecten onvoldoende rekening hadden gehouden met dit rampenscenario. Er waren blijkbaar nergens brandvertragende technieken toegepast, over een snelle evacuatie van honderden gasten was duidelijk niet goed nagedacht en er waren gewoon veel te weinig contactpunten voor bluswater voorzien. Dit had op een ramp kunnen uitdraaien, vergelijkbaar in omvang met die van de latere brand in de Parijse Bazar de la Charité in 1897.

 

4) Kurhaus 1887: als een feniks uit zijn as verrezen

Na de eerste verslagenheid werd al snel besloten om niet bij de pakken te blijven zitten. Het gebouw moest en zou weer helemaal opgebouwd worden. Uiteraard werd van de tragedie een deugd gemaakt, en een aantal aanpassingen op het vlak van brandveiligheid doorgevoerd. Er werden ook een aantal architecturale wijzigingen doorgevoerd, vooral aan de koepel. Deze werd iets ronder gemaakt en zowat 8 m verhoogd. Die ingreep liet meteen ook toe om de oorspronkelijke vierkante ramen juist onder de koepel door boogramen te vervangen. Dit was niet alleen aantrekkelijker, maar zorgde ook voor een betere lichtinval. Voorts werd het aantal hotelkamers tot 250 opgetrokken. Er werden brandvertragende bouwtechnieken toegepast, en in meer contactpunten voor bluswater voorzien.

Eens die wijzigingen goedgekeurd, werd aan een hels tempo gewerkt om het Kurhaus als een feniks uit zijn as te laten herrijzen. Zo´n goeie 80 jaar later, meer bepaald bij de renovatiewerken in de 1970´s zou aan het licht komen, dat men ook die werkzaamheden weer soms duidelijk in zeven haasten had afgerond. ”Chipoteren” is duidelijk iets van alle tijden, en ook toen al gold “time is money” als adagium... Wat er ook van zij, op 19 Juni 1887 kon de internationale mondaine pers in lovende termen berichten over hoe andermaal de deuren van het best wel flamboyante bouwwerk waren open gegaan, netjes op tijd dus voor het nieuwe hoogseizoen.

Het mooie gebouw werd al snel erg populair bij de Beau Monde. Eén gegeven in het bestaan van het Kurhaus zou echter lang een domper blijven zetten op dat succes: in tegenstelling tot in Frankrijk bijvoorbeeld, stond de Nederlandse wetgever zeer weigerachtig tegenover het fenomeen "casino". Dat was al in 1853 gebleken, toen de directie van het Badhuis met dat idee speelde, maar teruggefloten werd. Toen omstreeks 1878 werd in de buurt van het Gevers-Deynootplein een "casino" werd opgericht, bleek het in werkelijkheid om een "skating rink", een rolschaatsbaan te gaan. Weliswaar werd er achter gesloten deuren van het Kurhaus ook wel een genootschap opgericht, dat kansspelen organiseerde, maar in 1911 stak de wetgever hier andermaal een stokje voor, en werd de members only-club gesloten. Dit kon geschieden, op basis van de dat jaar aangenomen Zedelijkheidswet van Justitieminister Hubert Regout. Hetzelfde gebeurde toen in 1933 opnieuw een proefballonnetje werd opgelaten, en andermaal met kansspelen begonnen werd. Het jaar daarop kwam de rechter tussen, en werd de organisator opgelegd om hiermee ogenblikkelijk te stoppen. Deze attitude ten opzichte van casino´s kwamen steden als Oostende en Deauville natuurlijk enkel maar ten goede: een groot deel van de toenmalige jet set en elite verkoos om eerder in die richting af te zakken, dan in het winderige en minder plezante Scheveningen.


Prachtige chromo van de vleesextractproducent Liebig


Gemeentearchief Den Haag
Let op de drukte op het omzoomde terras en hoe dunbebouwd
Scheveningen toen nog was... Er waren twee terrassen van ongeveer 130 m

 
Gemeentearchief Den Haag
Het plattegrond toont goed de L-vorm van de zijbeuken, en

hoe groot het middencarr wel niet is ten opzicht van deze zijkanten
Het hele gebouw was ongeveer 123 m lang

In 1894 werd Scheveningen getroffen door een zeer zware storm. Dit leidde twee jaar later tot de ingebruikname van een licht glooiende stenen “strandmuur”, die moest beletten dat er teveel zeezand zou wegspoelen bij een volgende storm.

In 1903 verwierf de Exploitatie Maatschappij Scheveningen (EMS) een meerderheidsbelang in de Maatschappij Zeebad Scheveningen. Die MZS baatte naast het Kurhaus ook bijna alle belangrijke hotels in Scheveningen uit, waaronder de Palace, het Oranje Hotel, het Grand Hotel (ex-Garni) en de kleine Savoy en Rauch. Letterlijk en figuurlijk de enige dwarsligger was het Hotel des Galeries, die aan hun controle ontsnapte. Ook verschillende cafés en restaurants in de badplaats werden beheerd door de MZS, net als het in 1901 geopende Wandelhoofd. Tal van deze beeldbepalende gebouwen en constructies komen verder in dit verhaal weer aan bod. Bekijken we eerst echter het nieuwe Kurhaus eens van ietsje dichterbij.

 

4.a) Het Kurhaus hotel

Het hotel trok tijdens het zomerseizoen al snel voorname gasten aan, die elkaar qua ronkende titel of tenminste al qua naamlengte de loef konden afsteken. Het ging vaak om gasten van het Huis van Oranje of van de Nederlandse Regering. In de volgenden decennia streken er keizers, koningen en koninginnen, kroonprinsen en -prinsessen, aartshertogen en -hertoginnen, presidenten, premiers en hun gevolg uit de vier windstreken en vijf continenten neer.


"The little princess": Een wel heel zelfbewust
en voldaan kijkende, 5-jarige Wilhelmina

Net zoals dat het geval was voor andere badsteden, werd in de mondaine pers druk bericht over wie er allemaal naar het Scheveningse Kurhaus waren afgezakt. Als extra reclamestunt besloot de hoteldirectie in 1893 een statig “Kurhaus Gastenboek” in te voeren. Vooraan, op de kalfsleren omslag van het volumineuze boek prijkt het wapen van Den Haag, waarvan Scheveningen afhangt. Het was de toen 13 jarige Prinses Wilhelmina (1880-1962) die als eerste haar jeugdige handtekening in de nog onbeschreven bladzijden mocht plaatsen. Wilhelmina verbleef toen met haar moeder, Koningin-Regentes Emma in het statige hotel. Vijf jaar later werd de Prinses de nieuwe Koningin der Nederlanden.


Briefpapier met een Kurhaus-hoofding

Verder was ook de wereld van de kunsten goed vertegenwoordigd in het chique hotel. Doorheen de volgende decennia sliepen ondermeer actrice en Pepsi Cola woordvoerder Joan Crawford, actrice-zangeres Marlène Dietrich, Herbert von Karajan, schilder Mesdag enz. in de vederzachte bedden. Nogal wat beroemde of befaamde gasten brachten grappige of kunstzinnige tekeningen in het gastenboek aan, daar waar leden van diplomatieke missies zich doorgaans beperkten tot al dan niet geslaagde voorstellingen van wapenschilden.

In 1894, 1899 en 1907 werden een aantal internationale vredesconferenties in Den Haag georganiseerd. Gedurende die diplomatieke onderhandelingen logeerden de buitenlandse delegaties in het Kurhaushotel van het nabijgelegen Scheveningen. In 1929 gebeurde iets analoogs, toen er in de Nederlandse hoofdstad een conferentie werd gehouden met de Duitse herstelbetalingen als onderwerp. In 1948 was de aanleiding een congres, waarbij de fundamenten voor het Europees Parlement werden gelegd. Opnieuw werd het Kurhaus aan het Noordzeestrand als overnachtingsplaats weerhouden. In de marge daarvan waren er ook mondaine gala-avonden met dito bals en ongetwijfeld zeer memorabele diners. Uiteraard betekende elk van die internationale bijeenkomsten ook telkens heel wat extra werk voor de binnen- en buitenlandse veiligheidsdiensten.

Omdat het hotel enkel tijdens het zomerseizoen geopend was, was het lang niet uitgerust met centrale verwarming. Het duurde tot na WO 2, meer bepaald tot 1952 eer dit geïnstalleerd werd. Tot voor die installatie liepen er wel buizen doorheen de kamers, waar men verwarmd water door kon laten lopen.

Ook vandaag de dag nog is een vijfsterrenhotel in het bijna compleet vernieuwde Kurhaus-gebouw gevestigd. Het Steigenberger Kurhaus Hotel, onderdeel van een Duitse hotelketentrekt niet langer hertogen en tsaren, frivole baronessen en ernstige ambassadeurs aan. Een logisch gevolg van een snel evoluerende wereld en van de steile degradatie op tal van vlakken van de ooit zo exclusieve kustplaats.Een devolutie, vergelijkbaar met die van bijvoorbeeld Oostende, ooit de Koningin der Badsteden, en nu een regelrechte architecturale klucht die je moet zien om het te geloven. En zelfs dan nog... Afhankelijk van het seizoen kan men al vanaf 125 Euro overnachten in de Steigenberger. De prijzen tijdens de topmaanden zullen evenwel een flink pak hoger liggen, zoals men wel kan verwachten.


4.b) De Kurzaal of concertzaal

 

De centrale spil van het Kurhausgebouw is een hoog, vierkant deel van ongeveer 36 m op 36. Deze vormt het zogenaamde “Middencarré”. Dit centrale deel wordt bekroond door een indrukwekkende glaskoepel, geflankeerd door 4 slanke hoektorentjes. Na de brand van het eerste Kurhaus werd deze met 8 m verhoogd, waardoor de oorspronkelijk voorziene vierkantige vensters door boogvensters vervangen konden worden. Koepel en boogvensters zorgen voor heel wat invallend daglicht in het statige Middencarré.

In 1904 werden elegante plafondschilderingen aangebracht in de koepel. Deze werden niet rechtstreeks op gips of hout aangebracht, maar op canvas geschilderd. De panelen werden vervolgens onder de koepel aangebracht. Het ging om schilderijen van de Brusselaar N. Van Hoeck, bijgestaan door een staf van 30 helpers. De vervaardiging van de vier panelen nam één maand in beslag. Ze stellen de jacht, de visserij, de muziek en Neptunus voor. Er werd ook een dierenriem aangebracht, met de verschillende tekens van de zodiac. Een andere toevoeging dateert van 1908. Toen werd een “faiencetableau” betaald door inwoners van Den Haag en Scheveningen in één van de zijwanden van het Middencarré aangebracht. Het paneel met tegels werd vervaardigd door de firma Rozenburg, een hoog aangeschreven porseleinfabriek uit Den Haag. Het paneel van tegels bevat een tekst, waarin de één voor één opgesomde oprichters van de Maatschappij Zeebad Scheveningen bedankt werden voor wat ze op 25 jaar tijd (1883-1908) voor de streek gedaan hadden. Men ziet er ook een afbeelding van de voorloper, het Groot Stedelijk Badhuis, geflankeerd door kleinere afbeeldingen van o.a. een badkoets.


Herinneringspenning uit 1937 van een
internationale wedstrijd die in het
Kurhaus -wellicht in de Kursaal- doorging

Toen in de 1970´s het Kurhaus min of meer volledig ontmanteld en heropgebouwd werd, konden de beschilderde panelen van Van Hoeck gewoon weggenomen worden tot na de voltooiing van de werkzaamheden. Na een opknapbeurt, waarbij de doeken met de nodige voorzichtigheid gepoetst werden, werden ze weer in de koepel van de volledig onder handen genomen toren opgehangen. Het ziet er dus naar uit dat deze Belgische bijdrage dus zeker nog in de volgende decennia aldaar zullen kunnen blijven pronken. 

De oorspronkelijke functie van de grote ruimte onder de lichtkoepel was die van concertzaal. Het was Anthony Adama Zijlstra (1902-1982), secretaris van de Exploitatie Maatschappij Scheveningen die erin zou slagen om vanaf 1927 jaar na jaar voor een indrukwekkende programmatie te zorgen. Zijn ijver en bezieling zou hem al snel de titel van "Keizer van Scheveningen" opleveren. Hij wist ondermeer volgende beroemdheden te strikken:


Charmezanger Tino Rossi aan het Scheveningse strand

- De Berlijnse “boysband” avant la lettre, de knotsgekke acapellagroep Comedian Harmonists
- Uberdiva
Marlene Dietrich
-
“Duke” Ellington
-
Vera Lynn, de lieveling van de Britse troepen
- Lucienne Boyer
-
Marie Dubas
-
Edith Piaf, de "mus" van Parijs
-
Georges Brassens
- Maurice Chevalier
-
Charles Trenet, "le fou chantant"
- Tino Rossi
- De succesvolle Armeens-Franse zanger
Charles Aznavour
-
Ray Ventura en zijn bonte bende "Collégiens", die voor de gelegenheid "Madame la marquise" nog eens op stang joegen
- Maar ook.... d
e net doorgebroken Rolling Stones (8 aug. 1964) bij hun eerste optreden in Nederland (mogelijk ook eerste buitenlands optreden ?), o.a. geörganiseerd door het tienerblad Muziek Expres. Het compleet uitverkochte Rolling Stones optreden liep na nog geen kwartier compleet uit de hand.


Nieuwsblad van het Noorden van de maandag volgend
op het concert dat op zaterdag plaatsvond
De flessen waarvan sprake zijn niet de stenen flessen jenever
die de Stones toegestopt werden in het vliegtuig

Naast concerten werden ook tal van tentoonstellingen in het Kurhaus georganiseerd, gaande van expo´s over radio, auto´s tot koloniale tentoonstellingen. Fraaie affiches uit die tijd herinneren aan die felgesmaakte culturele activiteiten:

 

   

Mogelijk vonden ook onderstaande tentoonstellingen er plaats:

  

De Kurzaal huisvest thans een naar verluidt prijzig "Kurhaus café-restautant". Het Haags Uitburo omschrijft in volgende ronkende bewoordingen de uitgaansgelegenheid (op. cit.):

“De voormalige concertzaal is nu een spectaculair café, indrukwekkend door de ruimte, de kristallen kroonluchters en het prachtige plafond, intiem door het gebruik van licht op de vloer met kleine lantarenpalen en met bladgoud geklede zuilen op de terrassen. Het podium van de vroegere concertzaal is nu de Kurhaus Bar waar de met een "trompe l´oeuil" effectgeschilderde gordijnen het theatrale effect versterken. Zowel de zuilen in de bar als de koepel in de bar zijn belegd met bladgoud.”

Het lijkt erop alsof een ervaren copywriter zich hier wel echt helemaal heeft uitgeleefd...

 

4.c) (Vergader)zalen


Gravure: Gemeentearchief Den Haag
Eetzaal


Gravure: Gemeentearchief Den Haag
Conversatiezaal


Gravure: Gemeentearchief Den Haag
Leeszaal

In het Kurhaus bevonden zich een aantal zalen, waaronder een Eetzaal, een Conservatiezaal en een Leeszaal. Daarnaast waren er een aantal vergaderzalen, zoals de langwerpige Cor Ruyszaal (20 x 8 m x 7 m) in het Casino-gedeelte en de Spiegelzaal (12 m x 7 m x 4m) in het Kurhaus-gedeelte. De grootste zaal is de Jacob Pronkzaal, die 640 m² groot is, die erg geschikt is als balzaal. Vooralsnog vonden we geen bevestiging dat deze zaal van meet af aan zo heette. Toen de zijvleugels van het Kurhaus in de 1970´s volledig herbouwd werden, werden deze zalen volledig gerestaureerd. Op de website van het Steigenberger Kurhaushotel is leerrijk beeldmateriaal terug te vinden, die een goed idee geven van hoe deze zalen er anno 2012 uitzien. Men kan ze huren voor conferenties, banketten, huwelijksfeesten...

 

4.d) De twee zijgebouwtjes

In 1863 werd het oude Badhuis een laatste maal uitgebreid met twee zijgebouwtjes. Deze overleefden niet alleen de sloop van dit Badhuis, maar ook de grote brand die het eerste Kurhaus in de as legde.

Wanneer men vanop het strand naar het Kurhaus keek, zag men links een gebouwtje dat achtereenvolgens volgende benamingen heeft gekregen:


Op gegeven moment verdwenen blijkbaar alle opschriften

- Salle de théatre

- Bioscope (
Cinescope?)

-
Cabaret Artistique 1906-1924

-
Palais de Danse tot in de 1950´s: een populaire ballroom / dancing

Na een bestaan dat zich over meer dan 100 jaar uitstrekte, brandde dit bijgebouwtje in 1975 uit. Het werd daarop gesloopt. (De functie tussen de 1950´s en 1975 werd nog niet achterhaald, net zo min als wat er op het dak van het bijgebouwtje op onderstaande foto vermeld wordt)


Het bijgebouwtje gezien vanuit de Gevers Deynoot-kant

Ook het bijgebouwtje rechts kende blijkbaar een aantal carrièrewendingen doorheen de decennia...


Op deze foto is blijkbaar zowel de oude
als de nieuwe functie vermeld

- Kursaal: 1885-1906: ondanks de naam werd het in die periode blijkbaar niet voor medische doeleinden gebruikt. (Vooralsnog onduidelijk waarvoor wel dan)

-
Inhalatorium 1906 -1942: Het Nederlands Tijdschrift Geneeskunde wist in het oprichtingsjaar te vertellen dat het de Maatschappij Zeebad Scheveningen was die de nieuwe bestemming had bedacht. De nieuwe kuurinrichting stond onder leiding van badarts C.M. Hartog. Iedere geneesheer mocht echter de behandeling van zijn eigen patiënten leiden. De patiënten ademden er door wattenfilters gezuiverde zeelucht in. De toestellen werden bediend door een gediplomeerde verpleegster. Dit inhalatorium was geïnspireerd door dat van Bad Ems. In dat Duitse kuuroord kon men geneeskrachtige producten als Emserzouten, tannine, terpentijnolie (???), aluin of menthol inademen via vrije verstuiving of via mond- en neusstukken. Omdat geen beeldmateriaal van de binnenkant van het inhalatorium van Scheveningen gevonden werd, werden hieronder enkele afbeeldingen uit Duitse inrichtingen toegevoegd.

-
Cocktail (bar): een American bar … ?

-
Na WO 2: Kurhaus Paviljoen en vervolgens Paviljoen Theater


Twee "sfeerbeelden" van het Wilhelm´s inhalatorium


Baden-Baden, het inhalatorium van Grossh


Dit bijgebouw hield het één jaar langer vol dan deze links. In de loop van 1976, het jaar van een memorabele zomer werd ook aan het bestaan van dit bijgebouwtje een einde gemaakt. Ook dit "oudje" ging onverbiddelijk tegen de vlakte...

 

Leuke luistertip

 

Louis Davids: (Er is geen zee zo distingué als) De Scheveningse Zee

 


Wat nog volgt...
 


In deel 2 wandelen we doorheen Scheveningen tijdens haar glorieperiode, vol bewondering voor de verfraaiende elementen die rond het Kurhaus werden toegevoegd, zoals het sierlijke "Wandelhoofd".

 

We trekken eveneens naar het loof en de vijvers van de Scheveningse Bosjes, de mooiste horecazaken in de buurt maar ook bijvoorbeeld het vissersdorp. We zien voorts hoe WO 2 voor heel wat schade zorgde, en hoe Scheveningen-la-belle op enkele decennia tijd compleet om zeep geholpen werd... Maar niettemin nog nooit zo populair is geweest als nu... Al moet in dit geval vooral ook niet voorbij gegaan worden aan de negatieve bijklank van dat woordje "populair"...


Voetnoten

(1) Noel van Dompseler, Coos Versteeg: Kurhaus baken van Scheveningen p. 14 Uitg. Haagse Courant, 1979

(2) Scheveningen in het kort

(3) Jeroen van de Velde: Het Kurhaus, Scheveningen / Onderzoek naar de geschiedenis van het Kurhaus Geschiedenis Scriptie 2007, Technische Universiteit Delft p 4-5 (4) Botine Koopmans: Vis en vertier op Scheveningen De ontwikkeling van een vissersdorp, badplaats en zeehaven p. 47-49 

 

 
 
database afsluiten