Retroscoop - Het pareltje van Payen: Het Brusselse Zuidstation (1869-1947) Histoire de la Gare du Midi Bruxelles RetroScoop
 
   Architectuur
    
 
 
De ´klik´ naar je gedroomde Klassiekers

Het pareltje van Payen
Het Brusselse Zuidstation (1869-1947)

Benoit Vanhees

Het Zuidstation dat August Payen speciaal voor de Belgische hoofstad ontwierp, werd opgetrokken tussen 1864 en 1869. Ondanks langdurige bedreigingen tot afbraak bleef het statige gebouw uiteindelijk overleven tot in 1949. Twee wereldoorlogen vertraagden inderdaad aanzienlijk de realisatie van de fameuze Noord-Zuidverbinding, die de aanwezigheid van terminusstations overbodig zou maken.

Structuur

1) Bescheiden voorganger
2) De droom van een Noord-Zuidverbinding (Fase 1)
3) Neo-klassieke spoorwegtempel
4) De Noord-Zuidverbinding duikt weer op (Fase 2)
5) De doodsteek
6) Relicten in het groen


1) Een bescheiden voorganger

Het boeiend verhaal van de Belgische spoorwegen begint -zoals wellicht veel schoolkinderen zullen weten- in 1835. Toen vertrok de eerste trein op het Europese vasteland vanuit een klein stationnetje, gelegen in de huidige Groendreef. Vanuit dit noordelijk gelegen gebouwtje vertrok het metalen monster van Stephenson richting Mechelen, een exploot waarmee spoorweg-geschiedenis geschreven werd.

Al snel drong zich de bouw van bijkomende stations op. Om Brussel met de industriekern van Charleroi, Gent en later Parijs te verbinden, werd in 1840 een station in het zuidelijk deel van Brussel voorzien. Dit bescheiden gebouw, geklemd tussen twee vierkante torens  bevond zich ongeveer op het huidige Rouppeplein en de Stalingradlaan. Het lag dus binnen de voormalige stadsomwallingen, en dit op amper 600 meter van de Grote Markt. Het werd toen aangeduid met de naam Boogaardenstation, zo genoemd naar een vroegere religieuze orde in de omgeving.

Al snel ontstonden heel wat horeca-zaken rond dit nieuwe station. In feite lag juist de vrees dat de Brusselse binnenstad heel wat herbergen en hotels zou mislopen, indien dit station niet binnen de vijfhoek werd gebouwd aan de basis van de ligging van het Boogaardenstation. De sporen liepen doorheen de in 1841 aangelegde Spoorwegstraat, thans de Zuidlaan.

De stad Brussel beloofde om "voor eeuwig en altijd" geen belastingen te heffen op de toegang tot de hoofdstad via dit station. Een tolvrije zone werd rond het station opgericht, en afgebakend door een soort omheining, die op de bovenstaande illustratie goed te zien is. Voor het station werd een plein aangelegd, dat vernoemd werd naar de eerste burgemeester van Brussel na de Belgische onafhankelijkheid, de liberaal Nicolaas Rouppe (1767-1838). In 1848 werd door middel van een geldinzameling een bronzen fontein voor dit plein  aangekocht. Het was een ontwerp van Joseph Poelaert, de man die later ook het Justitiepaleis gestalte zou geven.

Een ander weetje omtrent dit plein was de spoorwegklok. Twee minuten voor ieder vertrek van een trein werd een klok geluid, om de passagiers te waarschuwen. Het nabijgelegen Hotel de la Grande Cloche -dat overigens nog steeds bestaat- ontleende haar naam aan die fameuze bel. (zie Retroscoop rubriek Vrije tijd & Amusement, Prinselijk overnachten in Brussel deel 2)

Vanaf 1846 werd er een verbinding via Bergen, Rijsel en Valenciennes met Parijs uitgebouwd. De reis duurde aanvankelijk 10-12 u, hetgeen vervolgens werd teruggebracht tot 8 u duurde.


2) De droom van een Noord-Zuidverbinding (fase 1)


Net zoals dit nu nog het geval is in Parijs, zou Brussel tot medio 20ste eeuw over terminusstations beschikken. Nochtans droomden sommige visionairs al in de 19de eeuw van een spoorlijn dwars door de stad. Nog voor zelfs de eerste spade in de grond gestoken werd voor de bouw van het Boogaardenstation werd reeds een studiegroep in die zin opgericht. De woorden "Centraal Station" vielen toen al, om uiteindelijk, zij het tijdelijk weer afgevoerd te worden. De commissie begon meer en meer te voelen voor een bovengrondse verbinding van het primitief stationnetje aan de Groendreef en het Boogaardenstation. In 1841 werd zelfs een eerste maar erg onpraktische Noord-Zuidverbinding aangelegd. De lijn liep van de Groendreef langs het Klein Kasteeltje, via de Ninoofse Poort en de Slachthuislaan zo naar het Boogaardenstation. Heel de route was afgebakend met blauwe palen. Hoewel er enkel maar koetsen en karren in die tijd reden -fietsen en auto´s moesten nog even wachten op hun uitvinding- werd het toch noodzakelijk geacht om de treinen een maximum snelheid van 5 km/u op te leggen, om ongelukken te voorkomen. Een personeelslid van de spoorwegen liep voor de trein met een bel en een rode vlag of -bij duisternis- met een lantaarn. Het bleek uiteindelijk allemaal erg onpraktisch en te duur, zodat dit project in 1855 werd stopgezet. Maar niet vergeten...

De trein kende ondertussen niettemin een toenemend succes. In de vroege 1860´s telde het Boogaardenstation toch al 150 000 bezoekers per jaar. Het was daardoor te klein geworden, zodat een groter gebouw zich opdrong. De Brusselse horeca-sector lobbyde ijverig voor het behoud van het station binnen de Vijfhoek. Reeds in die tijd bleken de nodige onteigeningsprocedures hiervoor echter te duur te zijn. Uitwijken naar goedkopere, praktischere oorden bleek al snel onoverkoombaar.


3) Neo-klassieke spoorwegtempel

Uiteindelijk viel de keuze op een perceel in het grensgebied tussen St Gilles en Anderlecht, ter hoogte van de Argonnestraat. In die periode vond men er voornamelijk (goedkope) weilanden. Het was hier dat het nieuwe terminusstation gebouwd zou worden.

Voor de concrete realisatie ervan werd beroep gedaan op Auguste Payen (1801-1877), toen de hoofdarchitect van de Spoorwegen. (Volgens de Almanach du Commerce et de l"Industrie van H. Tarlier uit 1857 woonde hij in de "Botanique, 29", naar alle waarschijnlijkheid de Boulevard du Botanique) Payen ontwierp ook de stations van onder meer Ronse, Oostende en Lier. Ook het fraaie, maar ondertussen verdwenen Zuid-Station van Gent is één van zijn realisaties. Later, nadat hij de Spoorwegen had verlaten, kreeg het eerste Kursaal van Blankenberge (het latere Hotel du Kursaal / Hotel Bristol) op zijn tekenplank gestalte. (zie Retroscoop Vrije Tijd & Amusement)

Men kan dus zeker met recht zeggen, dat de man zijn stempel heeft gedrukt op het 19de eeuwse stedelijk landschap in ons land. Niettemin vonden we tot op heden geen afbeelding van de getalenteerde ontwerper. Zelfs in de archieven van de NMBS blijkt -verrassend genoeg- geen afbeelding van de man te zitten...

Het station ontworpen door Auguste Payen werd in september 1869 plechtig in gebruik genomen. Gravures uit die tijd tonen dat het station daarbij in een immense balzaal werd omgetoverd, waarna heel de Beau Monde naar het grootse galabal afzakten. Het moet een bijzonder spectaculair moment zijn geweest, waarover verschillende tijdschriften berichtten.

Vanaf dan begon het nieuwe station zijn carrière, en zag het zo nu en dan wereldberoemde gasten aankomen...

Net zoals het oude Noordstation op een stationsplein uitgaf, werd ook voor het Zuidstation een groot plein aangelegd. Deze kreeg de naam "Place de la Constitution", of "Grondwetplein" mee. In tegenstelling tot het Rogierplein werd op dit plein nog "een stukje groen" gedoogd. Het Grondwetplein was ingedeeld in vier gelijkvormige stukken gazon, met in het midden een rondpunt. Het werd op gegeven moment omzoomd met een rij nieuw aangeplante bomen, zoals de onderstaande postkaart laat zien.

Plan-Guide "Mono" de la Ville de Bruxelles (Société Internationale "Mono")
De situatie in 1910, met zowaar nog een park ("Parc de l´Ance") nabij het station

Het Grondwetplein vormde dus een groene overgang tussen de "Boulevard du Midi" (Zuidlaan) en het impossante Zuidstation. 

Net zoals dat het geval is rond het Rogierplein voor het Noordstation, verrezen ook hier al snel tal van horecazaken.Toch is er een verschil in "standing": afgaande op een repertorium van alle Brusselse hotels in het midden van de jaren ´30 waren er hier geen Klasse I hotels, enkel twee Klasse II hotels, de Providence en de Espérance, en een aantal middelgrote en kleine hotelletjes van Klasse III. Deze worden apart besproken in een bijdrage in de rubriek "Vrije Tijd en Amusement". (Prinselijk overnachten in Brussel Deel 3)

Op de bovenstaande postkaart zijn de Providence (net boven de tram uitstekend) en de Espérance (links van de Providence) goed te zien. Het Zuidstation ligt rechts, terwijl het Justitiepaleis met zijn indrukwekkende koepel links op de achtergrond  te zien is, tronend op de voormalige Galgenberg. 

Op het Grondwetplein waren voortdurend rolwagens van drankenverkopers te zien, waar reizigers of voorbijgangers een elixietje of cognac van Cointreau konden nuttigen. Trouwens, even een interessante anecdote over Cointreau, dat in het Franse Angers gemaakt wordt. In 1832 had de ontevreden Nederlandse koning troepen naar het pas onafhankelijke België gestuurd, om te proberen nog wat grondgebied van zijn zuiderbuur af te knabbelen. Daarop was er een tussenkomst van Franse soldaten, die ondermeer het Zuidkasteel in Antwerpen belegerden. In de marge van die schermutselingen ontfermde een Franse soldaat zich over een zwaargekwetste officier uit het Nederlandse leger, maar van Franse komaf. Uit dankbaarheid gaf deze net voor zijn dood een briefje aan de Franse soldaat, waarop het recept van een likeurdrankje was neergeschreven. Na veel omzwervingen kwam de Franse soldaat terug in zijn land aan, en liet het recept aan zijn schoonzoon zien. De legende wil, dat het fameuze briefje uit Antwerpen aan de basis ligt van de stokerij Cointreau, die de schoonzoon in 1847 opstartte.

  

Payen´s symmetrisch ontwerp viel verder vooral op door de werkelijk prachtige triomfboog die als inkom dienst deed. Het was versierd met vier Corintische zuilen en een hele trits aan allegorische beelden daar vlak boven geplaatst. Tussen het tweede en derde beeld bevond zich het stationsuurwerk. Behalve de vier beelden waren er ook vier bas-reliëfs.

Voor de realisatie van deze kunstwerken werd de beeldhouwer Joseph Jacques Ducaju (1823-1891) aangetrokken. Hij studeerde aan de Kunstacademie van Antwerpen, en behaalde een prestigieuze prijs in Rome in 1848. De vier beelden die hij voor het Brusselse Zuisstation ontwierp stelden de Spoorwegen, het Kanaaltransport, de Post en de Telegrafie voor. Ze dragen elk een attribuut, die dit moet verduidelijken: het gaat respectievelijk om een locomotief, een roeispaan en waterkruik, een brief en een registratie-apparaat.

  
Deze allegorische beelden stellen respectievelijk de Postdiensten, de Waterwegen
(let op de kruik met water) en Stoomtransport voor.
Deze beelden werden gelukkig van de vernieling gered.

(Voorts staat er bv. een 25 ton zwaar beeld van Ducaju op het Justitiepaleis.

Ook de 
bas-reliëfs waren allegorische voorstellingen. Zij werden ontworpen door Louis Samain. Omdat dit station voornamelijk door mensen uit Wallonië werd gebruikt, verwijzen de bas-reliëfs naar de Waalse industrietakken van mijnbouw, de metaalnijverheid en de steengroeven. Een vierde exemplaar was een ode aan de textielnijverheid, die dan weer eerder naar de Leiestreek refereert. 

 
Twee bas-reliëfs stonden op de voorzijde ven de triomfboog opgesteld, en voorts één op elk van de zijkanten. Ze stellen achtereenvolgens de Metaalnijverheid, de Mijnbouw, de Steengroeven en de Textielnijverheid voor

De kers op de taart, de absolute climax was een fraai beeldhouwwerk boven op de triomfboog. Ook dit prachtexemplaar werd ontworpen door Louis Samain. Het stelde een vrouwenfiguur met een fakkel fier in een opgestoken hand, die zoals een zegevierende Romeinse generaal rechtop staat in een gevleugelde praalwagen. De wagen is versierd met het hoofd van Mercurius. Deze allegorie stelt de vooruitgang van of dank zij de spoorwegen voor.

Dit beeld dateert naar verluidt uit 1880 dateren, dus van 11 jaar na de opening van het Zuidstation. Samain kwamen we eerder al tegen op Retroscoop, als ontwerper van het koperen beeld op het dak van Hotel Continental op het de Brouckèreplein (vergaan tijdens de brand in 1901) en de twee beelden die ooit op het Palais d´Eté / Pôle Nord stonden (bewaard gebleven in een binnenplaats van een appartementsgebouw langs de Anspachlaan, op de plaats waar zich vroeger het Grand Hotel bevond). Hij was ook één van de beeldhouwers die betrokken was bij de versieringen van de Beurs van Brussel, waarvoor hij een allegorisch beeld maakte, dat Amerika voorstelde. We komen hem en een ander beeld van hem nog tegen in het laatste hoofdstukje. 

De perrons van het Zuidstation waren net zoals deze van Brussel Noord overkapt. Daar waar tal van postkaarten bestaan die de triomfboog voor het Zuidstation vanuit verschillende hoeken gefotografeerd laten zien, bestaan er maar weinig afbeeldingen van die overkapte perrons. In tegenstelling tot het latere station van Antwerpen Centraal (vroege 20ste eeuw) kon men deze overkapping nog niet in één trek realiseren. Doorheen de jaren kan men zien dat het aantal spoorwegen uitgebreid werd, en het station ook verbreed werd.

De drie zadeldaken met lichtdoorlatende stroken steunen dan ook op rijen pilonen. In die tijd kwamen zes sporen in Brussel Zuid aan, per twee gegroepeerd onder ieder zadeldak. De afbeelding daaronder, met een ander type perron tonen deze toegevoegd na de uitbreidingswerken. Mogelijk gebeurde dit aan de rechterzijde van het station, wanneer men voor de triomfboog stond. De halfronde ramen die men op de tweede postkaart ziet, zouden dan dezelfde zijn als men op de zwart/wit afbeelding op de achtergrond vanuit een andere richting gefoto-grafeerd ziet. Op de derde postkaart lijken 5 of 6 extra perrons toegevoegd te zijn geworden, wat dus op 10-12 extra sporen zou kunnen wijzen ?

 

Collectie Retroscoop
Persfoto uit de 1930´s of 1940´s naar aanleiding van de Brusselse Semaine du Cinema. In Brussel Zuid kwamen in de marge van die happening verschillende acteurs en actrices uit Frankrijk aan, waaronder Raimu, Charpin en Suzanne Riesler.  Noteer het lokaal van de Toldienst / Douane op de achtergrond

Nog een weetje: een fabriek voor de vernietiging van archieven en het recycleren van papier van "ingénieur papetier André De Vriendt, dat de nrs. 158 tot en met 170 in de Fonsnylaan besloeg, gaf op haar reclame aan dat het "raccordé à la Gare de Bruxelles Midi" was. Het bedrijf vernietigde o.a. archieven en bedrijfscorrespondentie van de Spoorwegen. Helaas is het kaartje niet gedateerd, maar het lijkt te dateren uit de late 1890´s of vroege 1900´s.


4) De Noord-Zuidverbinding duikt weer op (fase 2)

Nog voor de eerste weinig geslaagde Noord-Zuidverbinding weer afgevoerd werd (1855), nog voor de eerste steen van Payen´s Zuidstation goed en wel gelegd was, werden alweer plannen uitgebroed voor zo´n verbinding. Sommige plannenmakers zagen het zelfs zitten om een deel van de Grote Markt af te breken, en aldaar een station te zien. Niet echt realistisch, maar het illustreert wel goed wat sommige mensen niet allemaal gerust op de slachtbank van de Vooruitgang wilden slepen. Behalve de treinen dwars door Brussel te laten rijden, was een andere mogelijkheid ze rond Brussel heen te laten rijden. Vanaf welk jaar hieraan gedacht werd is niet geweten. Het zou uiteraard een trager traject zijn, maar toelaten de historische kern van Brussel te sparen. De extra kosten voor een langer spoortraject kon misschien uitgespaard worden door minder dure onteigeningen (toen nog dunbevolkte gebeiden versus het al goed volgebouwde stadscentrum). Omdat dit geen zware afbraakwerken met zich meebracht kon zo´n traject rond Brussel misschien ook sneller gerealiseerd worden...

Ondertussen moesten de mensen die vanuit bv Antwerpen naar Charleroi wilden sporen in Brussel Noord uitstappen, tot Brussel Zuid zien te geraken, om aldaar opnieuw in een trein te stappen. Die reis tussen de stations Noord en Zuid kon ondermeer per koets. Zowel voor het Noord- als het Zuidstation stonden er steeds verschillende koetsen te wachten, zoals taxichauffeurs dat zoveel jaar later ook zouden doen.

Een andere mogelijkheid waren trams. Behalve trams naar het centrum waren er ook die vanop het Grondwetplein afbogen naar de Fonsnylaan, en zo in de richting van Vorst doorreden.

Op het Grondwetplein bevonden zich trouwens ook 1 of meerdere kleine wachthuisjes. Tussen de twee wereldoorlogen, wanneer het verkeer rond het station alsmaar toenam, werden ook perrons voor de trams aangelegd.

Eind 19de eeuw was zowel het spoorwegverkeer als het verkeer in Brussel zelf echter te zeer toegenomen, om dit allemaal vlotjes te kunnen regelen. In 1895 werd alweer een studiegroep in het leven geroepen, om zich over die Noord-Zuidverbinding te buigen. Dit belette niet dat er zo nu en dan toch nog aanpassings- en uitbreidingswerken aan het Zuidstation werden uitgevoerd.

Op de bovenstaande afbeelding ziet men bijvoorbeeld dat een ontsierende installatie voor telegraafverkeer werd toegevoegd. Ingrijpender was de overkapping voor de trams (?) die ter hoogte van de Fonsnylaan aan de zijkant van het station werd toegevoegd. In welk jaar dit precies gebeurde, is ons vooralsnog onbekend.

In 1911 was de kogel door de kerk, of beter, door de stationshal. Er zou een nieuw "Centraal Station" komen in de "Putterij"-wijk, en men kon beginnen met de nodige onteigeningsprocedures. Al snel werden tal van fraaie gebouwen met soms grote historische waarden tegen de vlakte gegooid, om de centrale spoorwegas aan te kunnen leggen.


De Duitse Bezetter in "Bruxelles Midi"

WO 1 gooide evenwel roet in het eten, en de werken dienden te worden stil gelegd. Zo nu en dan vonden ook incidenten plaats in de stationsbuurt. Zelfs nog enkele dagen na de Wapenstilstand ontploften blijkbaar nog twee munitietreinen in de laatste dagan van WO 1 in de buurt van het Zuidstation. (1)

Tussen 1919-1920 werden de werken weer opgestart, om vervolgens 15 jaar letterlijk en figuurlijk aan te modderen. Blijkbaar was heel het project onderwerp van wat men vandaag de dag "politieke spelletjes" zou noemen.

Wellicht in de late 1920´s, vroege 1930´s werd een paviljoentje met hoektorentjes op het Grondwetplein toegevoegd. De precisie functie ervan is ons voorlopig niet bekend. Was het een krantenkiosk, een info-punt voor toeristen, bv in het kader van de Wereldtentoonstelling in 1935 ? Voorlopig kunnen we enkel hierover speculeren.

In 1936 leek alles weer in gang te zullen schieten. Het vooruitzicht op de spoorwegverbinding was niet alleer voer voor journalisten. Ook chansonniers leken geïnspireerd door de grote werken. In 1940 lieten de op wraak beluste "Pruisen" echter een tweede maal de "werf van de eeuw" in het honderd lopen. In 1943 eiste de Bezetter de volledige stillegging van de werken. Metaal en bouwmaterialen moesten in de eerste plaats gaan naar de bouw van de Atlantik Wal en niet naar een spoorwegverbinding, zo hadden de nieuwe heersers vanuit Berlijn beslist. De projectontwikkelaars zorgden er echter voor dat de werkzaamheden toch voldoende bleven opschieten. Men probeerde er ook heel bewust zoveel mogelijk Belgen te laten werken, om te voorkomen dat ze naar Duitsland afgevoerd zouden worden.

 

5) De doodsteek

Al die vertragingen hadden de levensduur van Payen´s station weten te rekken. Een uurrooster uit 1945 tentoon gesteld in het Trainworld museum te Schaarbeek geeft niet alleen een goed idee van de frequentie van de treinen en de bestemmingen. Het levert ook de inlichting, dat sporen 1 tot 7 in het "verhoogd station" lagen.

De bouw van het nieuwe Zuid-Station was dus volop aan de gang, en een deel van de site werd blijkbaar al gebruikt. (We nemen aan dat er ook nog treinen na 18u32 reden, wellicht werd deze affiche dus door een tweede aangevuld, doch deze wordt niet getoond in het museum)

Vanaf 1947 werd met de afbraak van het oude, statig ontwerp van Payen begonnen. Jammer genoeg sneuvelde daarbij ook de prachtige triomfboog. In een vreemde speling van het lot was deze prachtige ode aan de techniek en de vooruitgang zelf -na zoveel jaren trouwe dienst- voorbijgestreefd geraakt...

De stad Gent heeft nog even overwogen om hem aan te kopen, en het per spoor te laten overbrengen. Het bleek evenwel een te dure operatie te zullen worden, zeker in een periode dat WO 2 nog niet helemaal (financieel) verteerd was. Dit plan werd uiteindelijk dus weer afgevoerd.

De stad Nijvel toonde dan weer belangstelling voor de allegorische beelden en de bas-reliëfs op de triomfboog. Dit bleek een veel realistischere ambitie, en zo geschiedde uiteindelijk ook. De beelden van Ducaju werden voorzichtig van hun sokkel gehaald, de bas-reliëfs van de wanden afgenomen en naar het Brabantse plaatsje vervoerd.

In het laatste hoofdstukje van deze ode aan een verdwenen architecturale parel trekken we naar Nijvel, om deze "relicten" eens van naderbij te bekijken....

Helaas -een regelrechte schande eigenlijk- werd geen bestuur bereid gevonden om zich te ontfermen over het triomfantelijke beeld met praalwagen dat decennialang bovenaan op de ereboog had getroond. Het zou verdorie een fraaie aanwinst zijn geweest voor op één of ander Brussels plein (Anneessens ?) of waarom niet in het Jubelpark ? Het zou een pakkende herinnering en blijvende ode zijn geweest aan dit ooit zo trotse station.

Blijkbaar was daarvoor, zo kort na de oorlog, in de periode van de heropbouw niet de financiële ruimte voor. In de 1960´s kon al iets meer: toen werden de beelden afkomstig van de overdekte straat tussen de vleeshallen en het Palais d´Eté elders in het stadsbeeld geïntegreerd.

Op de onderstaande foto kan men zien hoe het ooit zo trotse beeld wel de hulp van de goden lijkt in te roepen tegen zijn roemloos einde. Een sterk beeld, die de kortzichtigheid van de "vooruitgangspredikanten" mooi samenvat. En o ironie, net het beeld dat de vooruitgang van de spoorwegen symboliseerde, verdwijnt precies om plaats te kunnen maken voor nieuwe spoorwegen...

 

Er werd een wedstrijd uitgeschreven voor de bouw van een nieuw station, dat ditmaal dus een transitstation en niet langer een terminus zou worden. De projecten van Adrien en Yvan Blomme eindigden met evenveel punten als het voorstel van Ferdinand Petit.

Als opvolger van de statige spoorwegkathedraal uit de 1860´s kwam een modern, fantasieloos "rationeel" stationsgebouw. Het werd zo´n 300 m zuidelijker dan het verdwenen architecturale pareltje van Payen gebouwd. Het aantal sporen werd drastisch opgetrokken, van 6 naar 18 ! Dit toont wel goed aan hoezeer het belang van dit station met de jaren was toegenomen.

Stoomtreinen en het stelselmatig toenemend verkeer in de hoofdstad zetten in de daarop volgende decennia een roetlaag op de okerkleurige bakstenen af, zodat het geheel een vrij troosteloze aanblik bood. Wat eens een grootste toegangspoort tot de hoofdstad was, straalde vanaf de 1970´s louter neerslachtigheid uit. De pilonen met de hoogspanningsleidingen hielpen niet meteen mee om daar beterschap in te brengen.

Het gebouw en de omgeving werden ondertussen weliswaar weer opgekalefaterd. Er kwam een ultramodern deel voor de internationale treinen, zijnde de TGV´s en Eurostars. De oude, verwaarloosde en soms louche cafeetjes in de Fonsnylaan hebben de baan moeten ruimen voor hoge kantoorgebouwen. Wat trots wordt voorgesteld als "vooruitgang" bracht veel beton, veel spiegelglas, weinig groen, in één woord weinig charme en uitstraling. Toeristen die hoogbouw willen zien, kunnen beter naar New York of zelfs naar La Défense in Parijs. Naar Brussel zakken ze vooral af voor het erfgoedpatrimonium. En dat laatste is ver te zoeken in deze omgeving...


6) Relicten in het groen

Helaas bleef dus nauwelijks iets bewaard van het vroegere Zuid-Station. Perrons, maar ook de overkappingen, de fraaie triomfboof en het nochtans fantastisch beeldhouwwerk op het dak daarvan gingen onherroepelijk verloren. Als er uiteindelijk vandaag de dag toch nog enkele herinneringen aan dit station overgebleven zijn, is dat te danken aan het gemeentebestuur van Nijvel. Ter verfraaing van het grondgebied kocht dit niet alleen cherubijntjes die op het Grand Hotel des Postes stond, maar ook bv. twee waterspuwende zeeleeuwen, afkomstig van de Expo 1910 en later de Kunstberg. Het bleef niet bij die aankopen: ook de vier bas-reliëfs en de vier allegorische beelden vonden uiteindelijk een onderkomen in deze gemeente.

Halen we er eerst nog eens de afbeelding bij, die verduidelijkt waar de bas-reliëfs van Louis Samain (1834-1901) en de vier allegorische beelden van Joseph Ducaju (1823-1891) precies geplaatst waren op de triomfboog van het verdwenen Zuid-Station...

Beginnen we met de vier bas-reliëfs van Samain. Zij staan vandaag opgesteld in de boulevard des Arbalétriers, ingemetseld in een simpel bakstenen muurtje dat tegen de zijgevel van een huis werd aangebouwd. Het geheel werd voorts afgewerkt met een bescheiden dakje, dat de beeldhouwwerken allicht moet beschermen tegen al te enthousiaste duiven, de regen enz. Niettemin kan men zien dat het tweede paneel de voorbije decennia niet volledig ongeschonden doorgekomen lijkt te zijn, en dat de "tand des tijds" hierop sporen heeft nagelaten.

Zoals de bovenstaande foto´s laten zien, zijn het uiterst links en uiterst rechts geplaatste paneel wat kleiner dan de twee centrale. We nemen aan dat ze werden geplaatst zoals ze destijds in de triomfboog opgesteld stonden. We zullen ze eens één voor één de revue laten passeren. Ze verwijzen naar nijverheidstakken op plaatsen die vanuit het Zuid-Station per spoor bereikt konden worden.

Op het eerste paneel ziet men mannen die een kaapstaander bedienen, en een anker lichten. Dit is een allegorie voor de (binnen)scheepvaart.

Vervolgens zien we een paneel waarop het werk in steengroeven wordt afgebeeld. Denk bv. aan de porfiergroeven van Quenast.

Samain liet ook de metaalnijverheid en machinebouw aan bod komen. In Tubize bijvoorbeeld werden op gegeven moment locomotieven gebouwd.

Het vierde en laatste paneel verwijst naar de textielnijverheid, wellicht deze in Vlaanderen.

Samain, die overigens afkomstig was uit Nijvel, produceerde eveneens een standbeeld van Tinctoris, een componist uit de 15de-16de eeuw, die mogelijk ook uit Nijvel afkomstig was, iets waarover nog onduidelijkheid bestaat. Dit beeld werd evenwel tijdens de Duitse inval in 1940 verwoest, net als de gebouwen errond. Daar waar deze laatste heropgebouwd werden, verdween de weinig bekende maar naar verluidt originele Tinctoris definitief uit het straatbeeld.

Om de vier allegorische beelden te vinden, trekken we naar het Parc Dodaine in het zuiden van de gemeente. Ze staan er keurig op een rij, tenmidden van het groen. Zij aan zij kijken ze uit op een min of meer rechthoekig waterbekken, dat tijdens "het seizoen" gebruikt wordt als vis- en roeivijver, en ook een hoekje heeft voor fans van telegeleide bootjes.

De vier beelden staan op een bakstenen sokkel tussen bloembedden. Op wat mos en verkleuringen na zien ze er in vrij goede staat uit, voor eeuwelingen die dag in dag uit aan de weerselementen en vervuiling blootgesteld staan. Ook hier weer tonen we ze van links naar rechts..

De Scheepvaart

   


De Spoorwegen


De telegrafie


De Post

 

De ingemetselde panelen van Samain en de vier vrouwenbeelden van Ducaju in het groen van het Parc Dodaine, beide in Nijvel zijn de laatste restanten van wat ooit een indrukwekkend station was, op het heel levendige Grondwetplein. Samen met een brede strook huizen en gebouwen vielen ze ten prooi aan de Noord-Zuidverbinding, die de hoofdstad op die manier lang in twee delen heeft opgesplitst.... Weinig wandelaars of verliefde paartjes hebben oog voor de fraaie beelden, nog veel minder kennen de interessante achtergrond-geschiedenis ervan... 

Voetnoten

(1) La Dernière Heure et la Petite Feuille, 18 nov. 1918

 

 
 
database afsluiten