Retroscoop - Marie Thumas en haar concurrenten Deel 2 RetroScoop
 
   Industrieel Patrimonium
    
 
 
De ´klik´ naar je gedroomde Klassiekers

Marie Thumas
en haar rivalen

Deel 2: De geschiedenis van Marie Thumas

Benoit Vanhees
i.s.m. Michel Duran.

     

Dit artikel is nog gedeeltelijk in opbouw. De aspecten waarover momenteel nog opzoekingswerk wordt verricht werden in het groen aangegeven. Iedereen die zelf aanvullingen kan verschaffen, bv. ex-personeelsleden worden vriendelijk uitgenodigd om deze via info@retroscoop.com toe te laten komen. Ook extra beeld-materiaal of voorstellen omtrent te koop zijnde items rond deze firma zijn steeds welkom.

 

Structuur

Inleiding

1) De pioniersjaren
2) De bouw van een nieuwe fabriek en partnerschap
3) WO 2 en de naoorlogse periode
4) De Golden Sixties
5) Het keerpunt: de moeilijke 1970´s: de kruik ging zolang te water...
6) De periode Degeest en de BBM-episode
7) Bonduelle schaakt Marie Thumas
8) Het trieste einde van een icoon
Bijlagen
Bijlage 1: De twee soorten contracten tussen groentetelers en Marie Thumas
Bijlage 2: De Marie Thumasfabriek in Leuven anno 2012 een fotoreportage
Bijlage 3: Marie Thumas wikkels
Bijlage 4: De voorlopig resterende vragen bijeen gebracht
 

 

Inleiding

Terwijl Wallonië in de 19de eeuw een ware industriële boom kende dank zij de aanwezigheid van steenkolenlagen en ijzererts, droomde Leopold II er naar verluidt van om van Vlaanderen de “groentetuin van Londen” te maken. (1)

Een aantal geografische streken in ons land lenen zich uitermate goed voor tuinbouw. Eén van deze gebieden, dat zich ongeveer in de driehoek Mechelen / Heist-op-den-Berg / Leuven uitstrekt, werd uiteraard niet voor niets door geografen de “Groentestreek” gedoopt. Bij gunstig weer en dank zij bewezen en vaak verbeterde technieken worden er niet zelden prachtoogsten bereikt. Maar ook delen van West-Vlaanderen, Henegouwen en Luik lenen zich uitstekend voor de kweek van bepaalde groentesoorten. Medio jaren ’70 werden volgende aantallen ha. / provincie aan de opgesomde teelten besteed:


Bron: NIM, geciteerd in Pierlet C.(zie bibliograf. Noten)

In Deel 1 van dit drieluik werd in enkele krijtlijnen het ontstaan van de productie van groenteconserven geschetst. In dit tweede deel van dit drieluik schetsen we in grote lijnen de geschiedenis van België´s bekendste groenteconservenproducent, wijlen Marie Thumas.

In vergelijking met onze buurlanden stapte België pas laat in deze nijverheidstak.  Frankrijk, Engeland en Duitsland waren ons enkele decennia voor. Blijkbaar bestond er ook reeds in de 1860’s bij onze Noorderburen conservenfabriekjes. Zo gaat de geschiedenis van de Baltussen Konservenfabriek te Driel terug naar1868. Het is daarmee de oudste nog bestaande conservenfabriek in Nederland. (2)


Naast Baltussen had men in Nederland ondermeer ook de firma
"De Faam", die naar verluidt haar naam niet gestolen had.

Tot in de 1880’s beperkte ons land zich dan ook tot de invoer van elders geproduceerde conserven. Een aantal groothandelaars voerden ze vooral vanuit Frankrijk in, waarna ze in kleinere winkels verdeeld werden. Hieronder bijvoorbeeld een factuur uit 1879 van de firma Gallendyn uit Schaarbeek. Uit het briefhoofd blijkt dat deze groothandelaar ondermeer erwtjes en groene bonen aan zijn klanten aanbood.


1) De pioniersjaren

Het eerste conservenbedrijfje dat in ons land actief was, zou niet eens Belgisch zijn geweest. Het zou zijn gegaan om een omstreeks 1880 te Brussel opgerichte filiaal van een buitenlandse firma. Dit fabriekje (?) maakte conserven van zuurkool, die vervolgens naar Frankrijk geëxporteerd werden. (3) Het allereerste Belgische conservenfabriekje op eigen bodem was Marie Thumas, opgericht in 1886. Het jaar daarop zag Le Semeur in Mechelen het levenslicht, gevolgd door ondermeer l’Abeille (1896, Itegem-nabij Heist-op-den-berg), Le Soleil (1897, Mechelen), La Corbeille (1898 te Wespelaar) en La Flandre (1899-1900 in Egemkapelle). In dezelfde periode was ook nog een ander conservenbedrijfje in het Leuvense actief, namelijk Jacobs in Heverlee. In Deel 3 zal uitgebreider bij deze producenten worden stilgestaan.

Misschien ook wel interessant om te vermelden is dat ook de firma Devos-Lemmens in 1886 werd opgericht. Henri Devos en zijn vrouw concentreerden zich echter op zuurconserveren, niet op Appertisatie. (4) Ook even noteren dat een Luikse slager in 1890 het vleesconservenbedrijfje Viaka in Seraing oprichtte. In 2007 verkochten zijn nazaten de firma aan een nieuwe investeerder. Ondanks een herpositionering naar meer luxueuze producten, kon deze de neerwaartse trend niet ombuigen in commercieel succes. In 2012 legde Viaka de boeken dan ook neer.


Collectie Jan Douwen / Bewerking BVH


Edmond en Marie Thumas

De Waal Edmond Thumas (°Doornik 1847-1923), industrieel ingenieur van opleiding was net als zijn vader directeur van de Leuvense stedelijke gasfabriek. In 1879 kocht hij drie percelen grond langs de Leuvense Vaart van een brouwer. Volgens de plannen van het kadaster bevond zich een "lusthof" op deze terreinen. In 1886 richtte hij er samen met zijn vrouw een bescheiden conservenfabriekje op. Het bedrijfje werd genoemd naar zijn echtgenote Marie Thumas (°1854-1932), née Marie Louise Durieux. (5) Zij was de dochter van de baas van de Ateliers de la Dyle in Leuven, een bedrijf waar paardentrams en wagons geproduceerd. Het metaalbedrijf was eveneens betrokken bij de bouw van de Koninklijke Serres van Leopold II.

Volgens sommige bronnen noemde Thumas zijn bedrijfje naar zijn vrouw om romantische redenen, als een soort eerbetoon. “Epoux galant, il choisit comme marque le nom de sa femme.” (6)

Er is helaas ook een meer aannemelijke, puur zakelijke uitleg. Die vraagt evenwel enkele historische uitweidingen. Blijkbaar was er niet zo heel veel werk op de gasfabriek, zodat Edmond Thumas iets anders zocht om zijn energie en weetgierigheid mee in te tomen. In de 1880´s  begon hij zich te interesseren voor “chemische landvetten”, een oude benaming voor kunstmeststoffen. Hij richtte zowaar een fabriekje op, maar verkocht dit uiteindelijk weer verder aan Roderburg & Cie. De hooggeprezen amateur-historicus André Cresens van zijn kant meent dat er nooit effectief een meststoffenfabriekje op naam van Thumas werd opgericht. Volgens hem werd dit feit foutief in de plannen van het kadaster ingeschreven, een "erreur de destination" die het jaar daarop rechtgezet werd. Indien dit mocht kloppen, is het onduidelijk hoe andere bronnen dan aan de naam Roderburg & Cie. komen, aan wie Thumas zijn "meststoffenfabriek" zou verkocht hebben. (7)

Wat er ook van zij, toen Edmond Thumas tijdens een reis in Frankrijk een conservenfabriek bezocht, sloeg de vonk meteen over. Eens terug in België, begon Thumas zich te documenteren, en schafte hij zich een aantal benodigdheden aan, om net als Appert wat te kunnen experimenteren met de conservatie van groenten. Het toeval wou namelijk dat zijn vrouw Marie een behoorlijke groentetuin bezat, dus waarom niet die twee dingen laten samenvallen. Thumas deed dat evenwel allemaal buiten zijn uren, en bleef ondertussen gewoon aan als directeur van de Leuvense gasfabriek. Ook zijn vrouw werkte zich in het domein van het conserveren van voedingsmiddelen in.

Toen het koppel in 1886 hun fabriekje voor de productie van groenteconserven opstartten, was deze sector in ons land nog volkomen onbekend terrein. Het was dan ook koffiedik kijken of het project wel zou slagen. Om het zekere voor het onzekere te nemen, verbond de Waalse ingenieur niet zijn naam, maar die van zijn echtgenote aan het fabriekje. Wat meer is: niet hij, maar Marie Durieux nam de dagelijkse leiding van het fabriekje in handen. Edmond Thumas heeft inderdaad blijkbaar zijn job als directeur van de gasfabriek tot zijn pensioen verder gezet.

Alles moest van nul af aan opgebouwd worden. Omdat er bijvoorbeeld geen vakmensen in België waren die conservenblikken konden vervaardigen, werden een aantal Fransen naar hier gehaald, die de eerste Belgische vaklui moesten opleiden. In die tijd gebeurde de fabricatie van conservenblikken nog grotendeels manueel. Marie Thumas begon met het inblikken van een beperkt gamma groenten: erwten, asperges, kersen... De kadasterplannen spreken nu van een "gedroogde en opgelegde eetwarenfabriek." In 1883 werd een eerste stoommachine geplaatst. (We nemen aan dat deze nodig was voor de werking van een autoclaaf ?)

Ondanks heel wat wantrouwen dat tegenover ingeblikt voedsel bestond, zou Marie Thumas in de volgende decennia uitgroeien tot het belangrijkste bedrijf en de sterkste merknaam op het vlak van groenteconserven op de binnenlandse markt. Deze positie wist de firma overigens enkele generaties lang te handhaven. 


Collectie Retroscoop
Begin 20ste eeuw bestond het producten-
gamma uit groenten in blik en in glas

Naast de keuze van een naam was er ook die van de locatie op de linkeroever van de Leuvense Vaart. Deze was gebaseerd op enkele belangrijke criteria:

1)    De nabijheid van de “Groentestreek”

2)    Het kanaal kon gebruikt worden voor de aanvoer van (Waalse) steenkolen, het wassen van de groenten, het hydraulisch vervoer van bijvoorbeeld erwten, als vloeistof in de autoclaven, voor het koelen van conservenblikken die net uit de autoclaven kwamen enz. Het is ons onbekend of het water reeds in die tijd gefilterd en gechloreerd werd (Breakpoint methode)

3)    Er was ook een spoorwegverbinding tussen Leuven en Brussel: het station van Leuven dateert uit 1875. Zo nodig kon een aftakking tot de fabriek in Wilsele aangelegd worden

4)    Op het moment van de bouw van de fabriek was er nog voldoende grond beschikbaar voor uitbreiding. Gezien de fabriek echter in een soort dal lag, en het landschap achter de fabriek hoger lag, was enkel een uitbreiding langsheen de Vaart mogelijk of zinvol. De firma zou op gegeven moment inderdaad sterk uitbreiden. Toch kwam er een moment dat een nieuwe expansie onmogelijk was geworden, ten gevolge van de aanwezigheid van andere gebouwen. Bouwen in de hoogte was weliswaar een optie, maar de meest kost/efficiënte manier om te werken is zo horizontaal mogelijk.


Twee opnames van omstreeks 1897: Vooral vrouwelijk personeel aan het werk rond rijen spoelbakken in de nog primitief ogende, vrij hoge fabrieksgebouwen
 

De eerder vertoonde gekleurde afbeelding en de twee bovenstaande zeldzame foto’s zouden dateren uit de periode voor WO 1. De tekening op het etiket idealiseert wellicht een beetje de situatie. Niettemin levert dit schaars beeldmateriaal toch al enkele interessante stukjes informatie op:

a)    Voor WO 1 waren er reeds drie schoorstenen en werd reeds een redelijk grote oppervlakte ingenomen

b)    Nog steeds veel plaats voor een eventuele uitbreiding, erg groene omgeving

c)    Het etiket geeft niet alleen een goed idee van het productengamma, maar ook van de presentatie ervan in glazen bokalen en conservenblikken. In die periode breidde het bedrijf het oorspronkelijk gamma uit met hopspruiten, bonen, spinazie, selder. Volgens André Cresens waren er toen ook reeds voor het eerst soepen in het aanbod van de inblikker. Naast met blikjes werd er ook volop met glazen recipiënten gewerkt; zoals Appert deed. 

d)    Thumas volgde de toen erg typische manier om internationale bekendheid te verwerven: deelname aan internationale tentoonstellingen (zie bv. ook Remy Wijgmaal) Het etiket leert dat hij gouden medailles behaalde in Antwerpen (1894) en Brussel (1897) alsook een “‘Diplôme d’Honneur” in 1895 in Bordeaux. Vooralsnog werden geen aanwijzingen gevonden dat Marie Thumas de verkoop op de nationale markt probeerde aan te zwengelen door de uitgave van chromo’s. (Remy, Liebig…)

e)   Het groot aantal vrouwelijke arbeiders: in de aanvangsperiode werkten er een 20-tal vrouwen en 5 arbeiders, en dan vooral in het oogstseizoen. De industrietak van de groenteconserven is uiteraard seizoensgebonden, met een inkrimpend personeelsbestand gedurende een aantal maanden. Zoals verder aan bod zal komen, gingen fabrikanten van groenteconserven later op zoek naar mogelijkheden om het personeel in de “stille” maanden in te schakelen bij het inblikken van andere soorten voedingswaren.

Een ernstig nadeel voor onderzoekers van de geschiedenis van Marie Thumas is dat de archieven van de Gemeente Wilsele die dateren van voor 1925 onherroepelijk verloren gingen tijdens een brand in het Gemeentehuis.

 

2) De bouw van een nieuwe fabriek en een partnerschap

 
Ook op dit zeer oud etiket of "wikkel" worden
de gouden medailles trots opgesomd
 

In de periode tussen 1900 en WO 2 kwamen er in ons land nog een aantal concurrenten bij voor Marie Thumas. Onder hen ondermeer: 

-  1900: J.E. De Wolf (West Brussel)
-  1901: La Campinoise (Grobbendonk)
-  1905: Van de poel / Picolo (Stabroek)
-  1907: La Merveille (Ledegem)
-  1907: Aurora (Kortemark) dat later herdoopt werd in Star / Talpe
-  1925: Proba (Nuca) (Westmeerbeek)
-  1930: Saupiquet Culina (Thorembais-les-Beguines)
-  1933: Mon Jardin / Emile Le Jeune (Geer-Waremme)
-  1930´s: ARVEBO (Oostende / Mechelen) (soep in blik)


Ook deze firma´s zullen uitgebreider in Deel 3 aan bod komen.

In 1909 werd het bedrijf omgevormd tot een NV.  Daardoor konden aandeel-houders zich in het bedrijf inkopen. In 1913 verschenen op die manier de adellijke families Wittouck en Ullens de Schooten in het verhaal op. Zij bezaten niet alleen zakelijke belangen in de Tiense Suikerraffinaderij, maar ook in het Mechels conservenbedrijf Le Soleil. Men mag daarbij niet vergeten dat conservenfabrieken belangrijke afnemers zijn van de suikerproductie. Met Le Soleil valt nog een derde naam bij deze doorverkoop van Marie Thumas, namelijk die van Georges Morel, de directeur van deze Mechelse sectorgenoot van Thumas. (of ook hij paketten aandelen aankocht kon niet worden achterhaald) Volgens André Cresens bleef de familie Thumas niettemin nog een tijdje aan het roer staan, via de zoon André Thumas. Preciese jaartallen voor zijn "regeerperiode" werden voorlopig nog niet teruggevonden. Wellicht gaat het over de periode 1913-1920 (zie verder: Louis Bégault)

Meteen volgde ook een nauwe industriële samenwerking tussen Marie Thumas in Leuven en Le Soleil in Mechelen. Zo liet Marie Thumas vanaf dan een deel van haar conservenblikken in de blikslagerij van Le Soleil maken. Niettemin behielden beide fabrieken hun commerciële zelfstandigheid.


Marie Thumas Leuven: de refter in 1917

In 1914 brak evenwel WO 1 uit. Volgens Cresens werd de productie bij Marie Thumas daarop stilgelegd. Boeren en landarbeiders werden immers onder de wapens opgeroepen of meldden zich vrijwillig aan. De daaropvolgende oorlogsjaren brachten ook allerlei bevoorradingsmoeilijkheden met zich mee, die de productie van conservenblikken in het honderd stuurde. Het is onduidelijk of Franse bedrijven het gat vulden die de tijdelijke sluiting van de Belgische conservenbedrijven met zich mee bracht, of zo zij zich voor dezelfde problemen gesteld zagen. Kreunden ook zij onder een terugvallende oogst, of was het juist van nationaal belang ervoor te zorgen dat de manschappen aan het front over voldoende conserven konden beschikken. Dit zou extra onderzoek vereisen, dat het bescheiden opzet van dit artikel sterk overstijgt. We moeten het antwoord hier dus schuldig blijven.

    
Collectie Retroscoop
Zeer oud conservenblik, met de inscripties op het blik zelf gedrukt

 
Collectie Retroscoop
Twee "Appert"-achtige flessen uit de "usine à vapeur"
Links "Oseille" (veldzuring) rechts "Fèves des Marais" (tuinbonen)
Gelijkaardige recipiënten zijn ook op de afbeelding hieronder te zien (1931) Blijkbaar bestonden ze ook in donkerkleurig glas (?)


Uiterst links de fles met Fèves des Marais (tuinbonen)
rechts die met Oseille (Veldzuring)


Erlenmeyer-vormig potje van Marie Thumas in zeer dik glas
Zowel de precieze inhoud als de datering zijn voorlopig onbekend.

Na WO 1 kwamen de belangrijke bestellingen van conservenblikken van Marie Thumas bij Soleil pas echt op gang. Vermoedelijk lieten deze extra inkomsten de Mechelse firma toe om in bijkomende mate te investeren in hun blikslagerij. Le Soleil kende zelf in 1929 een piekjaar, met een productie van 29 miljoen blikjes, tegen zo’n 20 miljoen voor Marie Thumas en zo’n 10 miljoen voor La Corbeille. Wel bevatte het cijfer van Le Soleil eveneens vis- en fruitconserven. Het merk produceerde ook reeds voor de oorlog confituren, iets waarmee Marie Thumas blijkbaar pas na de oorlog zou zijn begonnen. 


Onderaan de situatie in de 1950´s, met rechts de zwenkkom
Het merendeel van deze gebouwen bestaat nog steeds. In tegen-
stelling tot vroeger lijken er geen hoge schouwen meer te zijn.
Er lijkt ook geen infrastructuur te zijn om schepen te lossen en laden.

In 1920 kwam Louis Begault, de schoonzoon van Georges Morel aan het roer van Marie Thumas Leuven. Hij had de militaire school doorlopen, en was vanaf 1908 officier bij de artillerie geweest. Tijdens WO 1 nam hij deel aan de gevechten in Antwerpen, Pervijze, Diksmuide en Ieper. Hij werd in 1916 gekwetst, maar keerde spoedig naar zijn eenheid terug. Hij verliet het leger met de graad van kapitein, en werd nu dus een captain of industry. Hij werd bovendien ook voorzitter van de Leuvense Kamer van Koophandel, beheerder in de Leuvense Maatschappij voor Goedkope Woningen en ook nog eens handelsrechter. Een druk bestaan dus...  In hetzelfde jaar als zijn aanstelling verdween volgens André Cresens de omschrijving "stoomfabriek" (van de plannen van het kadaster ?). Niettemin blijft deze term wel vermeld op de etiketten van de firma tot een stuk in de 1930´s.


Collectie Jan Douwen
Louis Bégault

Circa 1921-´22 werd de fabriek van Marie Thumas gedeeltelijk herbouwd. In 1925 werd nog extra bouwgrond aangekocht van de Usines De Stordeur (UDS), een grote Leuvense maalderij. Het was in deze periode dat de moderne gebouwen van het bedrijf opgetrokken werden. In plaats van de relatief kleine maar hoge productiehallen van de historische fabriek kwam een uitgestrekt gebouw van vijf niet al te hoge bouwlagen. Ook deze nieuwe fabriek verrees aan de Vaartdijk (na WO 2 herdoopt in Kolonel Begaultlaan) (8) De nieuwe fabriek verrees op een langwerpig stuk terrein, dat van de Marguerite Lefèvrelaan tot de zwenkkom loopt, een uitstulping in de Vaart die kanaalschepen toelieten om te manoeuvreren. (9)

Het is ons niet 100 % duidelijk of de nieuwe gebouwen precies op dezelfde plek verrezen als waar de historische fabriek had gestaan, zo deze meteen volledig tegen de vlakte werd gesmeten of nog tijdelijk (deels ?) voortbestaan heeft. In 1930 werd het inblikken geautomatiseerd.

Het personeelsbestand van de fabriek nam in de daaropvolgende jaren -ten minste tijdens het oogstseizoen- snel uitbreiding. In de 1930´s werkten enkele honderden vrouwen, soms tot 600 en zo´n 300 mannen in de fabriek in Leuven. De mannen hielden zich ondermeer bezig met de autoclaven, de machines voor het maken van tomatenextract en bij het snel verwerken van de masale instroom van groenten. De nieuwe fabriek werd in 1931 en nog eens in 1937 verder uitgebreid.


Collectie Retroscoop
Op deze lyrische manier werden jaarlijks honderden jonge en minder jonge dames ter kennis gebracht, dat het erwten- en bonenseizoen weer op volle toeren draaide, en dat hun behendige vingers weer dringend verwacht werden "in den fabriek aan den Vaartdyk". Om aan een jaarproductie van 20 miljoen blikjes te geraken, werden er op
topdagen soms tot 500 000  gevuld !

We komen in bijlage 2 van dit artikel terug op de fabriek in Wilsele, met een hele lading foto´s van de huidige toestand op de site. Hieronder nog een aantal foto´s van glazen en blikken verpakkingen die Marie Thumas in de 1930´s gebruikte. 

 

Nadat de VS in 1929 door een zware financiële crisis getroffen werd, sloeg deze met enige vertraging over naar Europa. De meeste landen reageerden met protectionistische maatregelen, waaronder een toename van de invoerrechten. Dit kwam erg hard aan voor de (Belgische) conservenindustrie, die sterk exportgericht was. Misschien speelde dit allemaal mee, toen Marie Thumas Leuven en Le Soleil te Mechelen besloten om te fusioneren. De twee bedrijven samen zouden in die periode jaarlijks 12 miljoen blikjes geproduceerd hebben.

Ook de binnenlandse markt kwam onder druk te staan, met ondermeer een belangrijke toename van het aantal werklozen. Publicaties en toestelletjes om zelf thuis groenten in te maken ("wecken") waren nog nooit zo populair. (10) Verschillende merken speelden hierop in, zoals Pyrex (bekend van hun vuurvaste glazen recipiënten voor labo´s), l´Idéal, RAC, Rex, Simplex, La Merveilleuse en zelfs VSL ofte Val Saint Lambert.

  

Marie Thumas besloot in dezelfde periode zelf wat receptenboekjes te laten samenstellen. Het ging vaak om ingezonden recepten, zodat heel wat mensen ongetwijfeld erg blij gemaakt werden, anneer hun naam erin verscheen. Het boekje verscheen in ten minste drie versies, met een aantal aanpassingen en ander beeldmateriaal. Slechts 1 ervan werd voorzien van een jaar van uitgave (1931), de twee andere lijken evenwel eveneens van voor WO 2 te dateren. In de inleiding (p. 8) staat ook volgend merkwaardig zinnetje:

"(Marie Thumas) ne fabrique plus que des petits pois et haricots au naturel."

Het interessant ligt ´m in die "plus que": het klinkt als een toegeving dat de firma voorheen ook wel slinkse truukjes toepaste als het toevoegen van een beetje kopersulfaat aan erwten in glazen recipiënten. Sommige producenten deden dat, om ze groener te laten lijken. Als men bedenkt dat het blauwe poeder ook gebruikt wordt om meeldauw mee te bestrijden, niet zo´n prettige gedachte...


Plank van een oude Marie Thumas-kist
De tekst en tekeningen werden in het hout gebra
Vreemd is wel het Engelse "Belgium", wijst dit op export naar GB ?
 

Ook de arbeidsmarkt veranderde in belangrijke mate in de 1930´s. Zo kwam er ondermeer een politiek akkoord omtrent het toekennen van "betaald verlof" aan werknemers uit de diverse economische sectoren. Verrassend enigszins, want in de vroege 1930´s was het nog volop economische crisis, de naschokken van de beurscrash in 1929 in de VS.

Een gezonde geest in een gezond lichaam.... Interessant is verder dat Marie Thumas in het interbellum blijkbaar sport promootte. Een medaille uit 1938 lijkt alvast in die zin te wijzen. Het is niet helemaal duidelijk of de medaille bestemd was voor personeelsleden of voor het grote publiek. Evenmin is bekend of het ging om een eenmalige actie, of zo de firma jaren aan een stuk voor medailles en sportpromotie zorgde...

3) WO 2 en de naoorlogse periode

In mei 1940 werd België opnieuw onder de voet gelopen. Ook Louis Begault werd weer onder de wapens geroepen, en nam deel aan de 18 daagse Veldtocht. Hij kreeg de rang van Luitenant Kolonel, en leidde als zodanig het 34ste Artillerieregiment. Er bleek evenwel geen "kruit" opgewassen tegen de Duitse invallers. Na een korte gevangenneming kreeg hij de toestemming om weer naar Leuven terug te keren, en Marie Thumas verder te leiden. In het geheim echter werd hij lid van één van de verzetsorganisaties die in ons land ontstonden, het Belgisch Legioen.

Twee kalenertjes uit 1941: toen was het nog alom "Leopold hoera":
na de oorlog waren de meningen "iets" verdeelder...

Ook ditmaal kenmerkten de bezettingsjaren zich door moeilijkheden om aan voldoende blik te geraken. (zie ook het artikel over de Passe Vite) Zo eisten de Duitsers ondermeer al het tin op. In 1941 breidde Marie Thumas uit, door de oprichting van een nieuwe Alibel-fabriek (na deze te Eernegem) in Bailleul, Frankrijk. Deze Franse poot zou later ook in Boistrancourt gebouwen huren. Het ging om een oude distillerie van de familie de Bonneville (?). Wat Alibel Frankrijk precies in die gehuurde gebouwen deed is vooralsnog niet duidelijk.

Op 10 april 1942 werd voorts de vzw “Groupement des Fabricants de Conserves de Légumes de Belgique” opgericht. De sociale zetel was gevestigd in de Regentlaan n° 38 te Brussel. (Momenteel worden de oprichtingsstatuten gezocht, om deze paragraaf te kunnen aanvullen. Gezien de alomtegenwoordige controle door de Duitse Bezetters op zulke initiatieven nemen we aan dat dit met de goedkeuring van of zelfs op aangeven van de Bezetter gebeurde. Wellicht was de Groupement bedoeld om ervoor te zorgen dat het aantal conserven en ingemaakte groenten die de Duitsers opeisten ook effectief geproduceerd werden.

De Duitsers kregen overigens te maken met acties van passief verzet hiertegen, zoals een langzaam-aan houding door arbeiders en de leiding van de meeste bedrijven. Het was evenwel continu schipperen hoever men hiermee kon gaan. De Bezetter vertraagde zelf ook de groei, door de verplichte tewerkstelling in Duitsland). In augustus 1943 echter werd Louis Begault door de Gestapo gearresteerd op verdenking van achter dit passief verzet te zitten. Hij werd gevangen genomen, en verhuisde gedurende twee jaren van kamp  naar kamp. In februari 1945 werd hij naar het beruchte kamp Dora gezonden, maar overleed aan uitputting.

Sedert 1913 kocht Marie Thumas conservenblikken bij het Mechelse Le Soleil. In 1945 nam Marie Thumas de Mechelse fabriek volledig over. De merknaam Soleil bleef nog voortbestaan tot in 1957, waarna te Mechelen enkel nog onder de naam Marie Thumas werd geproduceerd.

In de Indicateur de l’Industrie et du Commerce Alimentaire van 1953 (5de uitgave) wordt Marie Thumas omschreven als een “S.C.”, een coöperatieve vennootschap dus. Het bedrijf had dit statuut vanaf 1947 aangenomen. (11) 

Marie Thumas-beheerder Louis Bégault had de oorlog niet overleefd, en zijn zoon Jacques was nog te jong om in zijn voetsporen te treden. Hij werd in die periode opgevolgd door Jean Wittouck. (Na de beëindiging van zijn studies in 1953 werd Jacques Bégault tweede beheerder.)

Op 24 juli 1945 werd de “Commerciale des Conserves” door Marie Thumas Leuven, Le Soleil in Mechelen en Alibel uit Eernegem opgericht. Doel van deze coöperatieve was de bestuurskosten zoveel mogelijk te drukken en de onderlinge concurrentie te doen dalen. Er werd voorts samengewerkt op het vlak van de aankoop van zaden en meststoffen.

De organisatie had een kapitaal van 250 000 Fr. (vandaag zo´n 900 000 Euro) en opende een kantoor in de Aarlenstraat 86 te 1040 Brussel. Zoals de prachtige affiche hierboven laat zien, had elke firma een hoofdkleur gekozen, die men ook terugvond in de verpakkingen: blauw voor Alibel, geel voor Le Soleil en Rood voor Marie Thumas. Het initiatief werd nog eens extra ruchtbaarheid gegeven door reclame op een gele briefkaart, de Publibel 743. Voor de Belgische vestiging van Alibel kwam dit allemaal wat te laat: de firma stopte in de 1950 ´s met haar productieactiviteiten. Alibel ofte l´Alimentaire Belge bezat evenwel ook nog twee fabrieken in Noord-Frankrijk. Deze bleven tot het faillessement van de Marie Thumas-groep aan deze gelinkt. In Deel 3 wordt meer in detail bij Alibel stilgestaan.

Tussen 1945 en 1947 werd de oorlogsschade aan de Leuvense fabriek hersteld. Na WO 2 breidde Marie Thumas haar gamma aan producten gestadig uit. In de eerste helft van de 1950’s verschenen bijvoorbeeld reclames voor ingeblikte inheemse en exotische vruchten (ananas, abrikozen, perziken) 

  

Gezien de seizoenen op het Zuidelijk halfrond niet parallel verlopen met die van bij ons, kon het inblikken van exotisch fruit gebeuren op momenten dat de groenteoogst in onze contreien achter de rug was. Dit liet dus toe om de stillere momenten op te vangen, en meer en meer personeel op vaste basis in plaats van volgens de seizoenen aan te werven.

       
Collectie Retroscoop
 

Het bedrijf met hoofdzetel in Leuven stortte zich ook op de productie van 12 verschillende soorten confituren: 

  • Aardbeien
  • Rode aalbessen
  • Krieken
  • Frambozen
  • Bosbessen
  • Reine Claude
  • Pruimen
  • Vier vruchten
  • Abrikozen
  • Ananas
  • Ananas & Abrikozen
  • Sinaasappelen

Het zou echter diepgaander onderzoek vereisen om na te gaan of Marie Thumas deze confituren in Leuven liet produceren, wat een werkelijke uitbreiding van het gamma voor deze fabriek zou hebben betekend. Het is immers ook mogelijk dat Marie Thumas gewoon een deel van de confituurproductie van de Soleil-fabriek in Mechelen onder de naam Marie Thumas begon te verkopen. Zoals immers eerder gezien, vermeldde Le Soleil reeds in de 1920’s dat het confituren produceerde.

   
Collectie Retroscoop 

Met haar confituren ging Marie Thumas de concurrentie aan met Materne, dat zichzelf dan weer in 1946 een divisie groenteconserven had aangeschaft. De firma uit Jambes had dat jaar namelijk La Campinoise te Grobbendonk opgekocht. (12)

Een andere firma die in de 1950’s geprobeerd heeft om zich een deel van de markt van groenteconserven toe te eigenen, was de Amerikaanse inblikker van ondermeer exotisch fruit, corned beef en melkproducten Libby’s. Ondanks enkele jaren van doorgedreven reclame-inspanningen lijkt die diversificatie geen commercieel succes te zijn geweest. Dezelfde diversificatie-oefening door Liebig uitgeprobeerd leverde evnmin de verhoopte resultaten. In Deel 3 wordt hier uitgebreider bij stilgestaan.

   
Reclame voor de "luie huisvrouwensoep"

Een andere vernieuwing in de 1950’s kwam er, toen Marie Thumas in de tweede helft van dat mytische decennium het marktsegment van soepen in blik betrad. Het merk lanceerde een heel gamma aan smaken, dat met de jaren stelselmatig werd uitgebreid. Dit assortiment omvatte ondermeer blikjes met 

  • preisoep
  • aspergesoep
  • tomatensoep
  • Italiaanse soep met balletjes (1963)
  • erwtensoep
  • erwtensoep met stukjes spek
  • kippensoep
  •  


Collectie Jan Douwen
Jacques Bégault

In 1953 werd Jacques Bégault, zoon van oorlogsheld Louis Bégault tweede beheerder bij Marie Thumas, naast Jean Wittouck. Internationale promotie bleef bijzonder belangrijk voor Marie Thumas. Zo vinden we de firma bijvboorbeeld tijdens de herfst van 1954 terug op de Handelsbeurs van Leipzig. 


Deutsche Fotothek
Marie Thumas in Leipzig


Twee speelgoedblikjes uit een
kinderwinkeltje (jaartal ?)

Ook vermeldenswaardig was de promotiestunt van Marie Thumas tijdens de Wereldtentoonstelling in Brussel in 1958. Naast een aantal van oorsprong buitenlandse firma’s, zoals Liebig (zie artikel Liebig Deel 4 op Retroscoop), Coca Cola en de kaasproducent Franco Suisse, waren ook een aantal klinkende Belgische namen er prominent aanwezig in het zogenaamde “Voedingsdorp”. Onder hen Artic (ijs), de chocoladefabrikanten Côte d’Or, Jacques, Meurisse en Victoria, de koffieproducent Rombouts en dus Marie Thumas.


bron: worldfairs.com

De groente-inblikker wou inderdaad de unieke kans die de Expo ’58 aanbood om extra bekendheid te verwerven niet aan zich voorbij gaan. Liebig pakte tijdens dit internationaal gebeuren uit met soep in poedervorm en het eerste self service restaurant in ons land. Marie Thumas verbaasde er menig bezoeker met haar hypermodern en opvallend paviljoen, ontworpen door Jean-Pierre BlondelLucien Jacques Baucher en Odette Filippone, alle drie afgestudeerd aan La Cambre in Brussel. Computerprogramma´s lieten onderzoekers van de ULB recent toe deze constructie in 3D te laten herleven.

Het gebouw was groter dan het Colisseum in Rome. Ook dit paviljoen, opgevat als een grote "tent" beschikte over één van de eerste self service restaurants in Europa. Er was plaats voor zo´n 600 gasten aan tafeltjes met 4 pootloze stoeltjes. Er bevonden zich automatische aanvoersystemen voor koude en warme schotels en ingeblikte soepen. Er was voorts een VIP-ruimte, met een bar en salon.

In een derde deel werden schaalmodellen van de productielijnen getoond, in de hoop zo de bezoekers van de hoge kwaliteit van de conservenindustrie te overtuigen. De 12 meter lange vulinstallatie voor erwten werd in Duitsland gemaakt, zoals Mevr. Heidrun Schmandt ons liet weten. Het was haar vader die deze installatie gemaakt en bediend heeft. Op 20 april 2015 mailde Mevr. Schmandt ons in dat verband:


Collectie Mevr. H. Schmandt / Deze foto niet overnemen zonder expliciete toestemming van de eigenares
Een elegant familiekiekje van Karlheinz Schüler in de 1950´s

"Mein Vater heißt Karlheinz Schüler, geb. 1918, also bei der Expo 40 Jahre alt.

Er war Feinmechanikermeister und Modellbaumeister bei der Firma Modellbau Müller in Siegburg und hat das Modell der Produktionsanlage für die Firma Marie Thumas gebaut. Er war während der gesamten Zeit der Weltausstellung in Brüssel in dem schönen Pavillon von MT, um das Modell zu demonstrieren und zu betreiben.
 
Ich erinnere mich an eine Fernsehsendung, die aus dieser Halle übertragen wurde und in der mein Vater und das Modell vorgestellt wurden. Diese Fernsehsendung sah ich damals als 11 Jährige bei meinen Großeltern in Maldegem, Oostflandern. Meine Mutter Elza Schüler-Neirynck war Belgierin."

Dat betekent dus dat er wel degelijk beeldmateriaal over de binnenkant van het Marie Thumas-paviljoen moet bestaan. Het lijkt ons zeker de moeite waard om in de loop van de volgende maanden trachten uit te vissen of dit bv. in het VRT beeldarchief is terug te vinden.


Modellbau Müller-brochure uit 1959

Wat betreft de interessante firma Modellbau Müller uit Siegburg, opgericht in 1927. Het bedrijf was betrokken bij een hele reeks interessante projecten. Tijdens de Expo van 58 stonden twee bijdragen van MM op de site, die beiden in de prijzen vielen. Naast de installatie in het Marie Thumas paviljoen was er ook een 85 m² grote "Thermischen Kraftwerks". Dhr. Schüler overleed in 1989. Modelbau Müller zond begin jaren ´70 nog 13 didactische ontwerpen naar Pakistan, maar sloot na een halve eeuw, omstreeks 1978 definitief de deuren.

Het paviljoen van Marie Thumas viel uiteindelijk veel duurder uit dan verwacht, omdat de organisatoren van de Expo duidelijk niet helemaal gerust waren in het voorgestelde project. Zo kregen de architecten de opdracht om de funderingen veel sterker te maken dan de architecten oorspronkelijk voorzien hadden. Het paviljoen raakte daardoor ook wat te laat klaar.

Naar aanleiding van de Expo ’58 gaf Marie Thumas eveneens een singeltje uit, dat de toespraak van Koning Boudewijn bevatte, waarop hij de Wereldtentoonstelling voor geopend verklaarde.

 
Collectie Retroscoop 

Maar deze deelname zou een bittere nasmaak achterlaten. De kostprijs van de deelname en de bouw van het vooruitstrevende paviljoen had veel meer gekost als aanvankelijk gedacht. Ook de gehanteerde prijzenpolitiek riep veel vragen op. De maaltijden die men er kon nuttigen waren eigenlijk veel te duur, zodat veel mensen grommelend elders hun honger gingen stillen. Het valt trouwens op, dat er (zo goed als ?) geen beeldmateriaal te vinden is van het interieur.

Alles bij elkaar genomen bleek de deelname aan de mytische Expo eerder een negatieve ervaring. Van zodra Marie Thumas het financieel ook moeilijker begon te krijgen, keken heel wat analysten dan ook hoofdschuddend terug naar de miljoenen die de firma in die periode eigenlijk verkwanseld had... (13)

In 1959 voegde de firma nog enkele huizen toe aan de site. (Hoewel we geen bevestiging hiervoor vonden nemen we aan dat ze voor gespecialiseerd personeel gereserveerd waren ?) In dezelfde periode werd ook een langwerpig gebouw met een hoog zadeldak rechts achter de fabriek gebouwd. Het ging om de Sociale Dienst van de conservenfabriek. Deze verrees op een perceel dat had behoord aan de "Dochters van Maria", een zusterorde.

Vanaf de 1950’s hadden steeds meer en meer mensen een koelkast of diepvriezer. Dit maakte het mogelijk om een alternatief voor groenteconserven aan te bieden. Vanaf de 1960´s begonnen de diepvriesgroenten langzaam aan aan hun opmars. Bij deze techniek worden groente meteen na de oogst gedurende een zekere tijd ingevroren tussen -25° en -40° C. Essentieel daarbij is dat voedingsmiddelen tot in de kern ingevroren worden. Deze alternatieve piste om groente succesvol te bewaren, zou in de 1960’s langzaam maar zeker op dreef komen. Mede dank zij promotiecampagnes en –initiatieven zoals Interfreez zouden diepvriesgroente in de 1970’s sterk doorbreken, en de producenten van groenteconserven duchtige concurrentie aandoen. (14)

Dat het eigenlijk al in die periode rommelde in de sector blijkt wel uit het feit dat een aantal producenten van groenteconserven toen reeds aanstuurden op een poging tot meer samenwerking. Begin jaren ´60 zal blijken dat er een te klein draagvlak hiervoor was. De bedrijven die relatief goed boerden zagen niet goed in waarom ze de firma´s die het moeilijk hadden om het hoofd boven water te houden moesten helpen. Dit idee van samenwerking en zelfs samensmelting zou echter jaren later weer de kop opsteken. Op een moment dat de gehele bedrijfssector het nog moeilijker had.         

 
Deze reclame uit 1955 onderstreept het belang van rondleidingen
in het bedrijf als PR-stunt. Jaarlijks bezochten zo´n 15 000 mensen
de installaties in Leuven, waaronder heel wat scholen.

     

 
Koperen stempel: Uiteraard werd de afbeelding hier 
weer even uit spiegelschrift gezet, om hem leesbaar te maken 

4) De Golden Sixties

     
Een van de taken van de administratieafdeling bestond uit
het regelmatig opstellen van tarieven voor groothandelaren
(blauw) en detailhandelaren (wit)

In de 1960’s was de positie van Marie Thumas binnen de sector van de groenteconserven nog onaangetast, iets wat nog tot in de eerste helft van de 1970’s zou duren. Ondertussen werd in 1962 de blikslagerij van de Mechelse vestiging van Marie Thumas (ex Le Soleil) zelfstandig onder de naam Eurocan. Uiteraard bleven de banden met de zeer belangrijke klant Marie Thumas zeer nauw. Eurocan zou echter haar klantenportefeuille gestadig uitbreiden, en dit in heel Europa. (zie apart hoofdstuk over de blikslagerijen, helemaal onderaan Deel 3 van deze drieluik) Volgens André Cresens richtte Marie Thumas Leuven in hetzelfde jaar dan maar een eigen blikslagerij op. In hetzelfde jaar werd -nog steeds volgens Cresens- een filiaal in Zandvliet opgericht, die in 1970 alweer werd opgedoekt. In 1964 kocht "MTL" een filiaal te Boistranscourt in Frankrijk. In 1965 volgde de bouw van een expeditiecentrum op de site van Mechelen. (15)

In 1972 kocht Marie Thumas ook de kleine conservenfabriek Mon Jardin te Geer op. 

De fabrieken in Leuven en Mechelen hadden in 1960 een marktaandeel van bijna 44 %. Tot in 1977 zou dit percentage tussen de 40 % à 50 % blijven schommelen, met als uitschieter de 55,59 % die in 1973 werd opgetekend.

Dit mooie percentage verhulde echter de sterke klim die het segment van diepvriesgroenten aan het maken was. Begin jaren ’60 had de Belgische groenteconservenindustrie nog niet al te veel hinder hiervan ondervonden, maar een decennia later lagen de kaarten al heel anders, ondanks het feit dat het aantel diepvriezers in ons land nog relatief beperkt was. Ook mensen zonder zo’n toestel kochten in stijgende mate diepvriesgroenten, die dan kort na de aankoop werden verbruikt. In België werd een voortrekkersrol gespeeld door Materne. Zoals eerder ter sprake kwam, had de firma uit Jambes net na WO 2 de groenteconservenfabriek La Campinoise te Grobbendonk overgekocht. Vanuit Jambes werd besloten om niet alle eieren in dezelfde mand te bewaren, en voor een deel te mikken op de markt van diepvriesgroenten. Materne verhandelde deze onder de merknaam Frima. Niettemin werd in de 1960’s zo’n 80 % van de diepvriesgroenten aangekocht door Belgen vanuit Nederland geleverd door de firma Iglo, een bloeiende poot binnen Unilever. (16) 

Los van deze ontwikkeling hielp het natuurlijk ook niet echt, dat er zich nog steeds nieuwe spelers op de markt van groenteconserven bleven aanmelden. Temeer daar de nieuwkomers meteen een erg moderne fabriek konden uitbouwen, terwijl de traditionele spelers vaak met een verouderde infrastructuur zaten. 

In 1960 bracht de Zwitserse Scana Holding (Hilti-familie) haar activiteiten op het vlak van de productie van groenteconserven en kant-en-klare gerechten naar ons land over. Daarnaast besloten in 1964 ook nog eens een aantal belangrijke Limburgse groentekwekers om de krachten te bundelen, en een eigen groenteconservenbedrijf op te richten. Hiermee zette NOLIKO ofte Noord Oost Limburgse Konserven zijn eerste stapjes in een eigenlijk al druk bezet marktsegment. (17) 

De nieuwkomers profiteerden enige tijd later al meteen mee van wijzingen in de EG-regels goedgekeurd in 1965-’66. Deze nieuwe wetgeving had voor gevolg dat Duitse en Nederlandse conservenbedrijven een belangrijk aandeel van hun markt ten voordele van Franse en Belgische concurrenten verloren. (sommige bronnen spreken van 60 %) De Duitse en Nederlandse markt werden dan ook in belangrijke mate mee verantwoordelijk voor het opkrikken van de jaarresultaten van de Belgische groenteconservenindustrie. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat Marie Thumas op zeker moment kantoren opende in Nijmegen (1967) en Keulen (1972).

Het Belgisch areaal dat gereserveerd werd voor de teelt van industriegroente nam vanaf 1966 gestadig toe. Bedroeg dat areaal begin jaren ’60 nog 5000 à 6000 ha, dan evolueerde dat tussen 1966 en 1976 naar om en bij de 15 000 à 16 000 ha. Dit cijfer schommelde echter nogal van jaar tot jaar, met bv. een lichte daling in 1970 en 1976. De stijgende trend in de cijfers was evenwel onmiskenbaar. Die stijging verliep parallel met de toenemende populariteit van een aantal groentesoorten bij de kwekers. Zo verdubbelde in die periode het areaal besteed aan de teelt van wortelen. Opvallend ook: zo’n 75 % van het totale areaal van industriegroenten was bestemd voor de kweek van erwten.  

Naast de verwerking van erwten waren werknemers in andere gebouwen of verdiepingen in de weer met bonen, wortelen, schorseneren, tomaten en zo meer. Elk van deze afdelingen had zo zijn aparte werkmethodes en machines. In Bijlage 2 B wordt hier iets meer in detail bij stilgestaan.  

Noteren we ten slotte dat Marie Thumas ook over twee regionale agro centra beschikte, ééntje in het Waalse Mettet en eentje in Ardooie, kwestie van dichter bij de tuinbouwers te staan. Vooral de Waalse vestiging was belangrijk, in West Vlaanderen begonnen bedrijven als Haspeslag immers een steeeds groeiende invloed te krijgen bij de tuinbouwers, ten koste van Marie Thumas. 

(Het zou interessant zijn om te weten of de directie het aanmoedigde dat de werknemers zo nu en dan van afdeling veranderden, kwestie van de monotonie wat te verbreken. Naar verluidt zagen de mensen fysisch ook wel af. Zo zouden de handen van sommige arbeidsters soms ferm hebben afgezien, wanneer ze lang in heel warm water moesten wroeten. Dit zou echter allemaal uitgediept moeten worden, bv. bij de vakbonden. Niettemin keerden heel wat mensen jaar in jaar uit terug naar Marie Thumas, om er seizoensarbeid te verrichten. Een puntje dat ook nog uitgeklaard zou moeten worden betreft studentenwerk: het zou inderdaad wel interessant zijn om te weten vanaf welk jaar men bij Marie Thumas dit systeem heeft ingevoerd, en hoeveel studenten er zo gemiddeld jaarlijks kwamen werken.)

5) De moeilijke 1970’s: de kruik gaat zo lang te water…

In de loop van de 1970’s zouden een aantal zwarte bladzijden geschreven worden in de sector van de groenteconserven, en vooral dan bij Marie Thumas. De firma leed steeds zwaardere verliezen. Pogingen om vooralsnog het roer om te gooien via bijvoorbeeld de lijn van goedkopere producten Maribel (vanaf het einde van de 1960´s) bleken onvoldoende om de verslechterende situatie op te vangen.


Collectie Karel Meertens
 


Boven: Maribel wikkel uit 1969 voor de Duitse markt 
Onder: Sticker van het B-merk Maribel

Het kantelmoment voor Marie Thumas ligt in het seizoen 1975-76. In  1973 ging alles nog voor de wind. De firma verwerkte de oogst gekweekt op een areaal van in totaal 13 000 ha. Deze werd verwerkt door 92 zelfrijdende erwtendorsers, 42 maaimachines.... Een systeem van zenders/ontvangers zorgt ervoor dat de dorswerven contact met elkaar kunnen onderhouden, en zo nu en dan worden twee helicopters ingezet om het areaal te inspecteren. Marie Thumas kocht in dat jaar ook de conservenfabriek Mon Jardin (°1933) te Geer over. 

In het seizoen 1974/75 wordt nog een winst van 92 miljoen Bfr. geboekt. De omzet van 1,89 miljard Bfr is meer dan twee maal zo groot als die van het West-Vlaamse Talpe. Maar al snel komt er zand in die machine. De verliezen bij Alibel, Frankrijk en Mon Jardin, Geer stapelen zich op. Het verkoopkantoor in Keulen is blijkbaar een fameuze flop. Het is een dure bedoening om het Duitse kader voortdurend op en af met het vliegtuig te laten reizen. Het is ook veel tijdverlies, want alle tijd die in reizen en vergaderen gestoken wordt, gaat niet naar het verkopen. En een rijzende ster op deze markt, het Franse Bonduelle weet daarvan te profiteren. (Ook de diplomatieke entente tussen Frankrijk en Duitsland is uitstekend, ook dat kan een rol hebben gespeeld.)

De kaderleden in België worden riant betaald, de adellijke eigenaars letten zelf ook niet op een miljoentje meer of minder om aan PR te doen enz. De firma leeft in feite zelfgenoegzaam boven haar stand, en let niet altijd goed op wat buitenlandse nieuwkomers en potentiële concurrenten allemaal doen.

En dan volgen opeens twee barslechte jaren. Het boekjaar 1975-76 wordt afgesloten met een verlies van 147 miljoen Bfr (tegenover een winst van 92 miljoen het jaar ervoor). Een eerste serieuze opdoffer. Het verlies in het daarop volgend boekjaar wordt weliswaar beperkt, maar bedraagt niettemin 105 miljoen Bfr. Door de hevige droogte is de oogst van 1976 een regelrechte ramp voor Marie Thumas. Het bedrijf verhuurde namelijk de grond aan de landbouwers. Het bedrijf draaide dus volledig zelf op voor de tegenvallende oogst. En terwijl de weersomstandigheden de Belgische oogst om zeep hielpen, kon Frankrijk blijkbaar hiervan profiteren, en de markt overspoelen met haar oogst.

Marie Thumas zou die enorme opdoffer niet meer te boven komen. De twee hoofdaandeelhouders, de Tiense Suikerfabriek van de adelijke familie Wittouck en de al even blauwbloedige familie Ullens de Schooten komen tot de slotsom dat het slagschip te veel schade heeft opgelopen. Meteen gaan ze op zoek naar een exit strategie, om niet nog meer miljoenen te zien verdampen....

Om te begrijpen hoe het zover was kunnen komen, moeten een aantal problemen waarmee de sector in België te kampen had op een rijtje gezet worden:

Binnenlandse factoren:

  • Te veel bedrijven en bedrijfjes die elkaar beconcurreren
  • Moeilijkheden om personeel te blijven vinden. Een aantal bedrijven wisten dit deels op te vangen door relatief goedbetaald maar ook minder getaxeerd vakantiewerk aan studenten aan te bieden.
  • Kapitaalsintensieve sector, verouderde infrastructuur: verschillende producenten zaten in verouderde gebouwen. De machines die men er aantrof waren maar zelden het neusje van de zalm.
  • Dure aankoopprijzen voor wat betreft de groenten: de groentetelers hadden meestal te kleine percelen om een doorgedreven mechanisatie te kunnen doorvoeren, zoals dat wel in Frankrijk gebeurde. Niettemin vond de sector van groentetelers zelf dat hun winstmarge aan de lage kant was: omdat mechanisatie op hun relatief kleine percelen niet altijd loonde, was het een erg arbeidsintensieve sector. Marie Thumas kocht vooral veel groenten in Wallonië, waar de percelen al iets groter waren dan in Vlaanderen, zonder nu ook weer aan deze in Frankrijk te kunnen tippen
  • Stijgende concurrentie van diepvriesgroenten.
  • Beperkt aantal grote klanten, die uiteraard aan zo laag mogelijke prijzen willen aankopen. Voor Marie Thumas is er sprake van een 20-tal zeer grote klanten, die samen ongeveer 80 % van de productie opkochten. Sommige klanten verkochten de Marie Thumas producten onder een andere naam: Delhaize verhandelde ze onder de merknaam Panier d’Or.
  • Politieke onverschilligheid of zelfs “vijandigheid”: Een deel van de Belgische en Vlaamse overheid wou niet langer massa’s geld steken in deze sector, temeer daar deze sector al bij al een eerder marginale economische betekenis heeft: In de 1960’s droeg de sector amper 0,060 % bij tot het BNP, en 1,10 % binnen de totale voedingssector. In 1975 was dat zelfs nog minder geworden: de cijfers lagen toen op respectievelijk 0,045 en 0,87 % ! (NIM-cijfers) De hele sector stelde rechtstreeks zo’n 3000 mensen te werk, en onrechtstreeks heel wat kleine of middelgrote groentetelers. Op zich veel, maar als men bedenkt dat er alleen al in Ford Genk bv. meer dan 10 000 mensen werkzaam waren… De vraag was in feite toen al of de groenteconserven nog een toekomst hadden, of zo men zich beter kon concentreren op diepvriesgroenten. Het feit dat zowat alle bedrijven in Vlaanderen gevestigd waren, zou ook zo zijn betekenis gaan krijgen, zoals verder zal blijken. 

Buitenlandse factoren

  • In Frankrijk was een doorgedreven mechanisatie op de percelen bestemd voor de kweek van groenten wel mogelijk, in tegenstelling tot in België. 
  • Frankrijk leverde op tamelijk agressieve wijze en eigenlijk unfaire subsidies aan deze sector.  Het land was er duidelijk op uit om zich te positioneren als dominante factor op de Europese markt van groenteconserven, blijkbaar met goedkeuring van een aantal andere landen.

Het aandeel van Marie Thumas in de totale productie van groenteconserven evolueerde als volgt:

Procentueel aandeel van de totale productie
van groenteconserven: Marie Tumas

1960    43,78
1965    39,80
1970    48,67
1971    48,17
1972    44,62
1973    55,59   overname Mon Jardin (Geer)
1974    45,86
1975    40,45
1976    40,25
1977    39,78

Bron: Groepering der Fabrikanten van Ingelegde Groenten / Geciteerd in Pierlet C.)

Wanneer we even de evolutie van het aandeel van de groenteproductie bestemd voor verwerking door Marie Thumas vergelijken met de totale productie van industriegroenten vergelijkt, geeft dat:

Productie MTL (in ton) t.o.v. totaal
groenteproductie die op 10 j tijd x 3 ging

1960                33 807             77 206
1965                35 378             78 465
1970                99 852             205 183
1971                83 475             173 300
1972                74 875             164 051
1973               118 409          209 689 (overname Mon Jardin)
1974                107 466           234 344
1975                91 175             225 377
1976                63 130             156 826
1977                79 850             200 712
1978                   (sluiting Wilsele)
 

Ook het opsplitsen van de jaarcijfers per groentesoort is erg leerrijk.
Nemen we bijvoorbeeld de cijfers van 1977:

Productie van diverse groenten door Marie Thumas in 1977

Erwten                        38,6 %  (+/- 64 % voor Waalse markt)
Erwten + wortelen      26,2 %
Bonen                         17,9 %
Wortelen                     7,6 % (wortelproductie op 10 j tijd x 5!)
Witte bonen                4,6 %
Selder                         1,4 %
Spinazie                      1,2 %
Champignons               0,8 % (*)
Schorseneren              0,5 %

Macedoine                  0,1 %

(*) Oorspronkelijk uit Parijs, later gekweekt in oude brouwerijkelders)

Het belang van de erwtenproductie voor Marie Thumas werd al eerder in dit artikel onderstreept. De bovenstaande cijfers illustreren dat nog eens treffend.

In de tweede helft van de 1970’s bleek Marie Thumas echter in serieuze financiële moeilijkheden te zitten. Michel Duran stelde volgende samenvattende tijdslijn op, die het scharniermoment, de kanteling goed in kaart brengt.

1913: Marie Thumas gaat samen met Le Soleil in Mechelen

1927: oprichting blikslagerij die in 1962 verkocht werd aan Eurocan

1941: toevoeging van Alibel in Eernegem plus een fabriek in Frankrijk

1958: mooie stand op de Wereldtentoonstelling in Brussel

1967: opening verkoopkantoor in Nederland

1972: opening verkoopkantoor in Duitsland en aankoop Mon Jardin (Geer)

1974-751,89 miljard omzet en 9 miljoen winst

1975/76: het boekjaar wordt afgesloten  met een verlies van 147 Miljoen

1976/77: terug een verlies van 105 miljoen op een omzet van 1,8 miljard

De Tiense Suikerfabriek (families Wittouck en Ullens de Schooten) begrijpen dat het zwalpend schip niet meer kan gered worden en willen Marie Thumas van de hand doen. (de moeder van Charles Ullens de Schooten was een Wittouck) (18)

Ook het ministerie van EZ minister (Minister Claes) en Begroting (Staatssecretaris Eyskens) voelden zich ongemakkelijk met wat zich aan het voltrekken was, en gingen zich met de zaak bemoeien. Het zag er immers naar uit dat het kroonjuweel van deze sector in zo´n financiële moeilijkheden zat, dat een overname door een bloeiende Franse firma niet uitgesloten was.

   


Toen Marie Thumas Leuven definitief de sleutel onder de mat achterliet, werd de L in het MTL-logo overbodig. Enkele jaren later waren ook de drie Belgische kleuren niet langer nodig op de firmavlag van de conservenfabriek...

 
Collectie Karel Meertens
Le Soleil-wikkel uit de 1970´s, bestemd voor de export.
Marie Thumas gebruikte het oude merk als een goedkope lijn


6) De periode Albert Degeest en de BBM-episode

     
Collectie Michel Duran
Albert Degeest en Joseph Talpe
Alle twee meer dan één oogje op Marie Thumas..

In de loop van 1978 doken er twee potentiële kopers op de voorgrond voor Marie Thumas: Albert "Georges" Degeest (iets minder vriendelijk ook wel "de rosse" genoemd) en Joseph Talpe.

Degeest had enkele stevige troeven in de hand om zijn slag te halen. Hij had bijvoorbeeld goeie connecties bij de toenmalige
premier Tindemans. Deze laatste woonde op een boogscheut van de riante villa van Degeest te Edegem. Baat het niet... Degeest had bovendien in het verleden bewezen dat hij (kleinere) conservenbedrijven in moeilijkheden weer vlot kon krijgen. (Zie verder). In feite had hij al eerder een bod gedaan op het bedrijf, dat zich toen nog sterk genoeg had gevoeld om dit te weigeren.

Talpe van zijn kant had zich n
iet populair gemaakt door het verspreiden van halve waarheden en iets wat verdacht dicht bij laster aanleunde. Op 19 januari 1978 hakte Staatssecretaris van Begroting Eyskens de knoop door en zette het licht op groen voor een overname van Marie Thumas door Degeest. Daarbij werd volgende deal afgesloten:
 
- 60 miljoen privé inbreng van Mr Degeest
- 250 miljoen lening van NMKN Met staatswaarborg en rente subsidie
- 100 miljoen kaskrediet bij 4 Banken
- 100 miljoen die de Suikerfabriek nog te goed heeft van Marie Thumas moet 2 jaar geconsolideerd worden !
 
Begin februari 1978 betaalde Albert Degeest een symbolische BFr aan Charles Ullens de Schooten en werd zo eigenaar van Marie Thumas. Wim Vandepoel werd tot algemeen directeur aangesteld.  Mandaten werden echter niet vergoed.
 
Wie was nu die opkoper, die de nr. 1 van de Belgische groenteconserven-industrie meende te kunnen genezen ?  Michel Duran (ex Leguma, ex Talpe, ex Bonduelle) zond ons een korte biografie van Dhr. Albert Degeest. Hieronder Deel 1 hiervan, hier en daar wat door ons geherformuleerd zonder aan de kern te raken:

Over de doden geen kwaad natuurlijk. Mr Albert Degeest (25 okt. 1923-20 aug. 1988), een Haspengouwse plattelandssjongen met een Vlaams-Nationale familiegeschiedenis, was in van beroep een groentenhandelaar. In die hoedanigheid wist hij blijkbaar van de oorlogsomstandigheden te profiteren, en een aanzienlijk fortuin op te bouwen. (In de 1950´s verkocht de man fruit en groenten alsook champignons. BVH)

Mr Degeest is er als semi-buitenstaander, stap voor stap in geslaagd een klein imperium samen te brengen in de Groep Degeest (aandeelhouders : Mr Degeest, Mr Hottlet, Mr Paul Cloet, en later Familie Van der Poel ). Fabrieken die deel uitmaken van de Groep Degeest waren Dino, La Corbeille, Rovanna, Van de Poel, Le Semeur en zelfs een jaar Marie Thumas.

De start van de Groep Degeest was in 1960, toen leverde Mr Degeest o.a. champignons aan de conserverie Dino uit Pittem. Zo leerde Mr Degeest de eigenaar Mr Paul Cloet, een noeste Westvlaming met beide voeten op de grond en met vooral een goeie technische bagage, kennen en dit werd het begin van een vruchtbare samenwerking.  Dino was eerder een kleinschalig bedrijf en het  verwerkte vooral champignons, wortelen en schorseneren voor export.

Toen in 1972 de Tiense suikerfabriek ook eigenaar van de konservenfabriek La Corbeille, gesticht in 1899, te koop stelde hebben Mr Degeest en Mr Paul Cloet hun spaarcenten samen gelegd en samen La Corbeillle opgekocht en gesaneerd.  De firma Dino kon vanaf nu zijn producten onder de merknaam La Corbeille kwijt. Win/win positie voor de familie Cloet/Degeest.

Toen in 1970 de firma Rovana van burgemeester Van Aperen uit Rijkevorsel in moeilijkheden geraakte, waren Mr Cloet & Degeest er terug als de kippen bij om met de familie Van Aperen een deal te sluiten.  De groep Degeest nam 50 % van de aandelen over. In Rovanna werd er vooral appelmoes, augurken en zilveruitjes ingeblikt.  Deze producten werden terug onder de merknaam La Corbeille verkocht. Win/Win positie voor Mr Van Aperen/Cloet en Degeest.

In 1974 komt de firma Van de Poel (Picolo) uit Stabroek bij de groep.  Mr Degeest had achter de rug van Mr Eduard Vanderpoel een deal gesloten met de twee zussen en stelde Mr Vandepoel voor een voldongen feit. Blijkbaar had hij via de zussen de meerderheid bekomen in de zaak. Maar hij zou die afgestaan hebben en aan Mr Vanderpoel voorgesteld hebben om een samenwerking op te starten op een basis 50/50. Intussen waren de zonen Paul en Wim Vandepoel in de zaak gekomen en verliep de samenwerking heel stroef.  Blijkbaar mocht Mr Degeest in de burelen in Stabroek komen, maar werd hem de toegang tot de fabriek verboden. Picolo werkte eerder verder als een zelfstandig bedrijf, los van La Corbeille.  Pas na de dood van Mr Degeest werd Picolo voor 100% een onderdeel van de Groep La Corbeille en werd de familie Vandepoel mede aandeelhouder van La Corbeille.

In 1978 geraakt Marie Thumas met vestigingen in Leuven en Mechelen en een fabriek in Wallonie, Mon Jardin en een fabriek in Frankrijk, Alibel in moeilijkheden. Mr Degeest is goed bevriend met minister Tindemans en deze brengt hem in contact met Mr Eyskens. De families Wittouck en Ullens de Schooten wilden van hun bedrijf af en de Belgische Staat was bang dat het kroonjuweel Marie Thumas in Franse handen zou geraken. Mr Degeest was volgens de politiekers de geschikste persoon om Marie Thumas met staatssteun te redden. (zo had hij La Corbeille met succes gesaneerd). Persoonlijke inbreng van Mr Degeest 60 miljoen, lening NMKN met staatswaarborg 250 miljoen en een kaskrediet van 100 miljoen bij 4 banken. Onder deze voorwaarden bekwam Mr Degeest Marie Thumas. Win/win Marie Thumas/groep Degeest.

Daar waar Mr Degeest met de samenwerking/overnames van Dino, Corbeille, Rovana en Picolo erg succesvol was geweest, bleek de overname van Marie Thumas echter een brug te ver ! Hij gaf later toe, dat hij er spijt van had, dat hij Marie Thumas heeft trachten te redden. Een KMO à la Corbeille kon hij nog meester, maar een groot bedrijf als Marie Thumas leiden en redden werd hem te veel.  In 1980 ging Marie Thumas dan ook failliet.

In 1979 koopt de groep La Corbeille wel nog de firma Le Semeur uit St Katelijne Waver van het Franse Finoutemer. De familie Montariol behoudt 35,23% der aandelen. Le Semeur is de specialist van ingeblikte belgian baby carrots voor export naar de USA en beschikt ook over glaslijn. De groep Degeest heeft onmiddellijk de glaslijn benut om bokalen onder hun merk La Corbeille en het merk Marie Thumas te verkopen. Win/Win voor de familie Montariol/Groep Degeest.

Zoals we verder zullen zien werd Albert Degeest een van de spilfiguren, na het faillissement van Marie Thumas in 1980,  in de onderhandelingen om samen met de Vlaamse Streekeconomie, onder leiding van Staatssecretaris Akkermans en de Vlaamse conserveurs een holding (B.B.M Belg. Beheer Merkartikelen)  op te richten om samen het failliete Marie Thumas te redden. Tot hij tot grote verrassing van iedereen plots voor de rechtbank aan de curator zei dat “ Bonduelle een betere schoonmoeder zou zijn voor Marie dan de verenigde Belgische conserveurs!" Consternatie alom, maar zo geschiedde. De curator keurde de overname van Marie door André Bonduelle goed en zo verdween een Belgisch monument in Franse handen !

Degeest was vooral een HANDELAAR in hart en nieren en zeker geen INDUSTRIEEL. Winst was zijn eerste oogmerk en aan investeren in machines en/of kwaliteit had hij blijkbaar een hekel. Er doen vele wilde verhalen de ronde en waar er rook is,  is er vaak vuur. Ook hier...

Degeest werd dus de nieuwe eigenaar van Marie Thumas, en begon al snel het bedrijf af te slanken, verliesposten weg te werken enz. Voor de werknemers van Marie Thumas leek het echter alsof hij gewoon de andere bedrijven in zijn groep bevoordeelde, ten nadele van Marie Thumas. Michel Duran opnieuw:

Toen hij in begin Februari 1978 Marie Thumas voor 1 symbolische Frank opkocht, zijn er blijkbaar heel wat machines uit Marie Thumas richting Corbeille gegaan. Theoretisch op uitleenbasis, in werkelijkheid nooit meer teruggekomen. Direct na de overname van Marie Thumas heeft hij getracht een gamma glasconserven onder het merk Marie Thumas te lanceren. Tot dan toe verkocht Marie Thumas enkel nog in conservenblikken, en al decennia niet meer in glas. Degeest had bij Le Semeur echter een glaslijn staan, die onderbezet was.  Hij liet groenten van zijn bedrijf La Corbeille naar Le Semeur brengen, die deze vervolgens tot Marie Thumas-glasconserven verwerkte...De lancering werd echtereen flop. De kwaliteit kon niet wedijveren met deze van specialist ReNa en de lancering gebeurde ook zonder enige media-ondersteuning.

Mr Degeest kreeg kanker en aangezien zijn 2 dochters niet direct interesse hadden, stelde hij Mr Roger Deboutte aan als zijn opvolger en Algemeen Directeur van de Groep La Corbeille.  Mr Roger Deboutte, verkoopdirecteur bij Sobemi (blikfabrikant), was een oude bekende van Mr Degeest en het verhaal doet de ronde dat bij de onderhandelingen Mr Degeest  zei “ ge moogt nu zelf uw salaris invullen op je contract” en zo geschiedde blijkbaar. Mr Degeest overleed in 1988 en de conservenwereld verloor een “zeldzaam” en “kleurrijk”  figuur !

Vanaf 1989 bleef de groep Degeest, onder de kundige leiding van Mr Roger Deboutte en met medewerking van een nieuwe verkoopleider Marc Arnauts,  zich verder ontwikkelen. De aandeelhouders  werden  ouder (Mr Hotlet) of stierven (Mr Cloet) of waren minder geinteresseerd (zijn beide dochters van Mr Degeest) en de Groep werd in 2008 verkocht aan de firma Bonduelle.  Mr Roger Deboutte bleef als Algemeen Directeur, op post. Ook Mr Marc Arnauts kwam in dienst van Bonduelle en moest de verkoop en overdracht van Rovana, Rijkevorsel in goed banen leiden. De groep Bonduelle was niet geinteresseerd in de verkoop van appelmoes, augurken en zilveruien en op 19.11.2009 werd Rovana aan de firma Noliko verkocht. Mr Arnauts is dan als verkoopleider voor Noliko gaan werken.

Na de overname door Bonduelle, werd er nog 2 seizoenen bij Corbeille geproduceerd en dan werd op 11.2.2011 de sluiting van Corbeille bekend gemaakt. Er zijn nu blijkbaar plannen van de gemeente Westmeerbeek met het de voormalige Corbeille-site. Picolo uit Stabroek werd al veel vroeger gesloten en op deze terreinen staan er nu appartementen en een winkelcentrum. (19)

Degeest bekwam dus begin 1978 het ganse bedrijf Marie Thumas inclusief Mon Jardin Geer, de gebouwen in Leuven, de stock in Mechelen, het sterke merk Marie Thumas voor 1 symbolische Bfr en daar bovenop een lening van 250 Miljoen met staatswaarborg ! Met de schuldenberg in het achterhoofd begon hij daarop onmiddellijk te "cashen".

– de stock blikken werd onder het etiket Le Soleil en Maribel in Nederland maar vooral in Duitsland gebradeerd ! Dit had een erg nadelige invloed op de prijzen van groenteconserven op de Europese markt
– de gebouwen in Leuven werden verkocht. De infrastructuur van zowel Leuven als Mechelen was erg verouderd. Uiteindelijk viel de keuze op het sluiten van de historische fabriek van Leuven eerder dan die van Mechelen. Deze laatste was volgens sommige iets praktischer gelegen was. (o.a. de aanwezigheid van de belangrijke blikslagerij (Eurocan) op dezelfde site).

De fabrieksgebouwen in Wilsele, dat eveneens in 1977 een deelgemeente werd van Leuven werden niet afgebroken. In een gedeelte ervan werd in 1980 de eerste megadancing van het land geopend, een uitgaansgelegenheid die “Manhattan” werd gedoopt. Deze bleef tot 1989 bestaan, waarna de dancing omgevormd werd tot de Manhattan TV-studio’s. Vandaag de dag worden hier ondermeer afleveringen van Thuis ingeblikt. De groep Degeest onderging blijkbaar belangrijke wijzigingen in die periode. Zo verliet ook La Corbeille het jaar daarop haar historische vestiging in Wespelaar. De activiteiten werden naar Westmeerbeek verplaatsts.
– verkoop van enkele huizen in Mechelen
– h
eel wat oude machines (mobiele erwtendorsers, etc.) werden op de markt aangeboden (en -naar verluidt- zo mogelijk in het zwart verkocht !
– machines uit Leuven verhuisden naar Corbeille Westmeerbeek onder het mom van "tijdelijk gebruik" dat heel mysterieus in definitief gebruik omgezet werd.
- Een deel van het kader werd ontslagen

Of dit alles nu ten goede kwam aan Marie Thumas, aan Degeest of aan diens groep zou veel diepgaander onderzoek vereisen. Was Degeest met andere woorden echt bezig met te proberen om Marie Thumas te reanimeren, of had hij als eerste de lijkpikkerij ingezet. Zelf kunnen we deze vraag onmogelijk beantwoorden. Het zou best kunnen dat zijn pogingen inderdaad volkomen ter goedertrouw waren, en dat een andere schipper aan het stuur exact hetzelfde zou geprobeerd hebben. Enkel experts met jaren ervaring in de sector zouden een genuanceerde analyse van zijn optreden kunnen maken. Misschien heeft de man ook gewoon blufpoker willen spelen, maar met te lage kaarten. Hoe het ook zij, Marie Thumas raakte alles behalve gesaneerd, wel in tegendeel. De chronologie verloopt als volgt:

1978: Op 3 april 1978 werd het eerste bilan onder Degeest gepubliceerd, en de cijfers waren alles behalve goed. De omzet is ondertussen gezakt tot 1,58 miljard BFr.en het verlies is ondertussen al opgelopen tot 351,5miljoen! Op de Ministeries van Economische Zaken (Claes) en Begroting (Eyskens) werd er gepanikeerd en Mr Degeest werd ter verantwoording geroepen. Maar sluw als hij was, wist de zakenman voorlopig zijn vel te redden. De verliezen worden toegeschreven aan:

-Tiense Suiker had zijn laatste bilans opgepoetst en bepaalde zaken boven de prijs gewaardeerd! De waarde van de fabrieksgebouwen in Leuven was fel overdreven, net als de waarde van de stocks. ”Embellir la mariée”, zoals men dat wel eens noemt.
- De verliezen bij Mon Jardin en Alibel swingden de pan uit, het Duitse filiaal kostte een bom geld. Alibel verloor naar verluidt 1 miljoen Bfr. per dag (?)

- Er werd 19 miljoen besteed aan de uitbetaling afgedankt kaderpersoneel, enz.

1979: Het jaar daarop was het verlies weliswaar gezakt tot 199,3 miljoen Bfr, maar ook het omzetcijfer was teruggevallen tot 1,25 miljard. Albert Degeest kon er nu niet meer onderuit, hij kon onmogelijk het Belgische vlaggenschip uit de zone met scherpe klippen redden. In een artikel van Trends van 1 april 1980 getiteld “Marie Thumas was reddeloos” geeft hij zijn falen toe. De overname van Marie Thumas was een brug te ver geweest, waaraan hij nooit had moeten beginnen. Nu heette het dat hij werd door Tindemans en Eyskens gepushed was geworden om als redder in nood op te treden, en dit was hem wat naar het hoofd gestegen. Zonder te verduidelijken haalt hij ook uit naar de zakenbank Degroof en een zekere "bankier Goldschmidt". (20)
 
Daarop braken gouden tijden aan voor een aantal consultancy bureaus aan. Er was nood aan "objectieve informatie" over de sector van de groenteconserven, en dat mocht gerust wat kosten... Een trits consultancy bureaus maakten daarop hun opwachting: P&A management, Coopers & Lybrand, Job & Co, Arthur Andersen enz. werden ingeschakeld om de sector en zijn diepe malaise eens wetenschappelijk onder het vergrootglas te houden, en met ideeën voor een reddingsstrategie af te komen. Er werd daarbij niet op een miljoentje meer of minder gekeken... (Men mag zich serieuze vragen stellen bij hoe zo´n contracten werden toegewezen, en of de daarvoor uitgetrokken sommen geld in feite niet belachelijk hoog waren)

PA Management kreeg de opdracht om 28 bedrijven door te lichten : 15 conservenbedrijven, 6 fruitconservenbedrijven, 4 azijnconservenproducenten en 3 fruit-op-siroop fabrikanten.  

PA Management kwam tot de vaststelling dat de Belgische Conservenindustrie op 3 vlakken faalt: productie, marketing en financiën.

Productie: onvoldoende capaciteitsbenutting, verouderd machinepark, te weinig diversificatie, te weinig aandacht voor kwaliteit.

Marketing: marketing is prijzenoorlog, weinig lange termijn verkooppolitiek, geldgebrek om nieuwe markten aan te boren.

Financiën: druk op de prijzen om warranten af te lossen, trage stock rotatie, te hoge korte termijn kredieten en vooral onvoldoende risicodragend kapitaal.  De kleine bedrijven zijn rendabeler dan de grote.

PA stelde dan ook voor om een holding te maken voor alle groenteconserven-bedrijven met een geraamd kapitaal van 600 miljoen en een aparte holding voor de fruitsector met een kapitaal van 200 miljoen. Dit kon onder de naam van B.B.M of Belgisch Beheer Merkartikelen.

Ook Arthur Andersen kreeg blijkbaar de opdracht om deze bedrijven één voor één door te lichten. We hebber voort eveneens weet van een studie door Coopers & Lybrant uit 1979... kostprijs: ... 35 miljoen BFr, in die periode een best wel fenomenaal bedrag ) Dit peperdure maar ook erg interessante onderzoek was er gekomen op vraag van de Vlaamse en Waalse excellenties belast met Economische Aangelegenheden, de heren Marc Eyskens en Robert Urbain. Om de lange studie tot de essentie te herleiden, Coopers en Lybrand hamerde op het prangend probleem van het te grote aantal conservenbedrijven voor zo’n klein land als België. Het onderzoeksbureau pleitte dan ook onomwonden

  • voor een dringende groepering van de 14 overgebleven producenten
  • om de commercialisering uitsluitend onder de sterkste merknaam te laten gebeuren, namelijk Marie Thumas.

Volgens het onderzoeksbureau was het nodig dat de Belgische Staat daarbij een minderheidsparticipatie van 49 % behield, en dat de privé sector 51 % van de aandelen zou opnemen. De opstellers van het rapport maakten zich sterk dat de nieuwe constructie na amper 2 jaar een financieel evenwicht zou hervinden, en vanaf het derde jaar zowaar lichtjes winstgevend zou zijn. Hoeksteen van deze strategie was echter dat Marie Thumas in geen geval failliet verklaard mocht worden.

Men ging van vergadering naar vergadering, de dingen sleepten aan, en Albert Degeest begon zijn geduld te verliezen. Niet alleen had hij een gloeiende hekel aan tijdrovende en traag vorderende onderhandelingen. Financieel stond het water hem ook steeds meer aan de lippen...

De jaarlijkse Algemene Vergadering van 17 september 1979 van Marie Thumas kwam al maar dichter bij en tegen dan moest hij met een duidelijk plan kunnen komen. Daarom lanceerde hij zijn eigen voorstellen of een plan B voor de oprichting van een holding B.B.M. (hetgeen voor het weinigzeggende "Belgisch Beheer Merkartikelen" stond, het kind moest een naam hebben, al was het maar een voorlopige)

Hij stelde dit op 2 juli 1979 voor aan zijn sectorgenoten tijdens een bijeenkomst te Mechelen op 2.7.79. We tonen hier de documenten die Degeest in dat verband liet opstellen. (Om helemaal in de retro-sfeer te blijven, we krijgen meteen ook een goed idee van de kwaliteit van kopieermachines uit de 1970´s...) Het vijfde blad toont de commentaren van de advocaat Joseph Talpe op het document van Degeest. (Collectie Michel Duran)

Samengevat kwam het BBM plan er dus op neer dat

a) er een holding moest komen bestaande uit (bij voorkeur) alle groenteconservenbedrijven
b) de merknaam "Marie Thumas" wordt verkocht voor 240 miljoen Bfr aan het op te richten BBM
c) alle conservenbedrijven mogen die naam gebruiken, maar moeten daar wel royalties op betalen.

Hoe kwam Degeest op dat bedrag van 240 miljoen voor de merknaam ?

Document Collectie Michel Durann

Of zijn berekening veel steek hield, is iets dat enkel specialisten zouden kunnen beantwoorden. Laten we ons beperken met op te merken dat Degeest er alle belang bij had om de waarde van de merknaam Marie Thumas zo hoog mogelijk in te schatten. Michel Duran merkte in datverband op: "De bedoeling was om een holding met staatssteun 51/49 op de been te stellen. Om dus zo veel mogelijk steun te krijgen, had men er alle belang bij dat de inbreng van de konserveurs zo hoog mogelijk was ! Vandaar dat de inbreng van het merk Marie Thumas op 240 miljoen geschat werd !"

De 14 producenten van groenteconserven kwamen in december 1979 bijeen om het cruciale Coopers & Lybrant-document te bespreken. Zoals reeds ter sprake kwam, hadden een aantal firma´s uit de sector reeds eind jaren ´50 aangedrongen op meer samenwerking. Van dat voorstel was echter niets in huis gekomen, omdat de gezondste bedrijven het hadden afgeketst.

Twintig jaar later lagen de kaarten nog slechter als toen. Een grote meerderheid van de bedrijven (80 %) kon zich dan ook terugvinden in de voorgestelde strategie. Ook de toenmalige n° 2 in de sector, het West-Vlaamse Talpe toonde zich aanvankelijk open voor gesprekken. (qua omzet zou Talpe in die periode Marie Thumas voorbijsteken).


Voor Marie Thumas werden de vrolijke 1970´s
meer en 
meer een nachtmerrie in plaats van een mooie droom

Op 31 januari 1980 werd het sectorplan andermaal besproken. Coup de théatre: Joseph Talpe bleek niet meer te geloven in de haalbaarheid van deze constructie, en liet zijn njet optekenen. En ook hier weer stak het wederzijds wantrouwen de kop op. Hier en daar werd fluisterend geopperd dat de firma uit Kortemark eigenlijk aanstuurde op het failliet van het noodlijdende Marie Thumas, om vervolgens de merknaam voor een appel en een ei te kunnen opkopen. Ook de firma ReNa ging niet akkoord om daarin mee te stappen. Beide bedrijven verklaarden liever de plannen van het Ministerie van Economische Zaken afwachten...


Met dank aan Karel Meertens
Cartoon uit 1980

Business is business: zeker Talpe had niet veel zin om in een constructie te stappen, die al te zeer door de groep rond Degeest overheerst zou worden. Het was ook mooi meegenomen dat hoe langer het West Vlaamse bedrijf met de voeten sleepte, de financiële positie van Degeest slechter werd.

Om de betekenis hiervan goed in te schatten is het nodig om even te blijven stilstaan bij de evolutie van de machtsverhoudingen in de sector. Hoewel de percentages binnen de totale productie van groenteconserven per jaar erg kunnen schommelen, soms met sprongen van 10 %, geven ze toch een goed idee van de evolutie van de machtsverhoudingen. De cijfers maken duidelijk dat zonder Talpe de piste voorgesteld door Coopers & Lybrand niet veel zin had.

Verhoudingen in 1977 tussen de voornaamste producenten van groenteconserven op basis van procentueel aandeel in de totale productie (in %). Deze rangorde wordt vergeleken met de situatie in 1960 (Bron: Groepering der Fabrikanten van Ingelegde Groenten)

                                   1960                           1977

Marie Thumas             43,78                          39,78
Talpe                          9,80                            23,75
Noliko                         2,25 (1965)                 11,19
Van de Poel                7,60                            10,08
La Corbeille                8,30                            5,40
Le Semeur                  1,70                            4,93
Scana                         3,80                            4,77 

De tegenstanders van de Coopers & Lybrand-piste vielen uiteen in twee groepen. De eerste groep pleitte ervoor om het aantal producenten terug te brengen van 14 naar 3-4. Volgens hen was het niet nodig om er per se maar 1 over te houden. Totaal ongeloofwaardig volgens het rapport van het consultingbureau. Volgens de studie had enkel de piste van 1 grote Belgische producent een zekere kans op slagen.

De andere strekking was dan weer aanhanger van een globalere economische visie. Volgens hen was er in de Europese context eigenlijk niet echt meer plaats voor (de meeste) Belgische producenten van groenteconserven, omdat produceren in Frankrijk nu eenmaal onder veel betere voorwaarden kon gebeuren (veel grotere arealen, meer mechanisatie, veel staatssteun). Het had volgens hen dan ook geen zin meer om geld te blijven steken in deze sector. In Frankrijk voltrok zich ter zelfde tijd een sterke schaalvergroting. Net als in België begonnen een aantal ambitieuze spelers de vaak noodlijdende andere op te kopen, alleen veel systematischer.

Het bedrijf Cassegrain was er n° 1, met Bonduelle als ambitieuze n° 2de. Deze laatste firma was al sedert enige jaren volop vlaggetjes in Nederland en Duitsland aan het inplanten, en was zo in beide landen tot de n° 1 uitgegroeid. De hoofdzetel van Bonduelle lag geografisch gezien dicht bij België. Het moest dus niet verwonderen dat ook volop gedacht werd aan expansie in ons land. De dominante positie van Marie Thumas maakte dit echter niet gemakkelijk. Geen wonder dus, dat toen de ernstige financiële perikelen van de oude dame aan de oppervlakte kwamen, de Fransen “met een begerig oog” de situatie volgde, zoals journalist Piet De Moor het mooi omschreef.

CVP Staatssecretaris voor het Vlaams Gewest Paul Akkermans en de top van zijn kabinet schaarden zich achter deze Europese visie. Ook Dhr. Paul Verhaeghe, voorzitter van de patroonsorganisatie LVN (Landbouw en Voedings Nijverheid) was tegen het blijven pompen van geld in Marie Thumas.

De tegenstanders waren vooral terug te vinden rond het tijdschrift Trends: het ging dan om mensen als
- Oda Talpe en haar echtgenoot Louis Claeys (beide beheerders)
- Paul Verhaeghe van de LVN en in de redactieraad van Trends
- Raynier Van Outryve (ook in de redactieraad). Van Outryve was de voormalige Kabinetschef van Min. Paul Akkermans en vervolgens de grote man in de Gewestelijke Investerings Maatschappij GIM.

Volgens deze groep was Marie Thumas een verloren zaak. Mensen die het daar niet mee eens waren, moesten boudweg opkrassen, zoals de nochtans erg ervaren adviseur Michiels aan den lijve zou ondervinden.

Journalist Piet De Moor hekelde ook de merkwaardige bocht van de toenmalige Minister van Economische Zaken Willy Claes. Hoewel ook hij zich oorspronkelijk positief had uitgelaten over de voorstellen van Coopers & Lybrand, bleek hij kort daarop zijn mening te hebben veranderd. De Moor vermoedde dat achter die attitudewijziging louter politieke strategie schuilging: volgens hem zou Claes stiekem gehoopt hebben dat het failliet verklaren van Marie Thumas Akkermans en de CVP zo onpopulair zou maken, dat dit enkel maar in het voordeel kon zijn van de socialisten. (21) Een interpretatie die de betrokkene ongetwijfeld hardnekkig zou ontkennen of op zijn minst nuanceren. En natuurlijk had ook De Moor een eigen politieke visie.

Volgens Michel Duran was de poging om tot 1 grote Belgische holding te komen om de volgende redenen van meet af aan gedomed tot mislukken: 

"de onderlinge concurrentie tussen de fabrikanten was te groot om tot een akkoord te komen. Wie zou er CEO worden, Mr Joseph Talpe of Wim Vandepoel ? Wie zou wat produceren om onder het merk Marie Thumas te verkopen. Welke fabrieken moesten eventueel gesloten worden, waardebepaling van de verschillende firma’s, etc." 
 
1980: In 1980 was de situatie catastrofaal aan het worden, met verliezen die tot 450 miljoen Bfr. waren opgelopen.De nieuwe staatshervorming maakte dat de Vlaamse Staatsecretaris voor EZ Akkermans belast werd met het dossier Marie Thumas. Akkermans, zelf zakenman wou heel de sector (groentekonserven, fruitkonserven, azijnkonserven) nu eens eindelijk grondig “saneren” ! 

In 1980 gooide Degeest dan ook de handdoek in de ring, en stond Marie Thumas opnieuw in de etalage. Staatssecretaris Akkermans loodste zijn visie door het parlement, en in tegenspraak met het plan van Coopers & Lybrant liet de handelsrechtbank van Mechelen Marie Thumas failliet verklaren. De maatschappij werd verweten geen maatschappelijk kapitaal achter de hand te hebben, en de belangen van haar schuldeisers schromelijk te hebben miskend. Hoewel het Ministerie van Financiën een vertegenwoordiger in de Raad van Beheer van Marie Thumas had gehad, werd de politieke wereld uiteraard niet aan de oren getrokken wegens “slordige opvolging”. 

De firma kwam onder een curator te staan, en Albert Degeest kreeg zijn symbolische Frank terug. Hij liet het muntstuk inkaderen en hing dit zonderlinge aandenken in zijn Edegemse villa op... De vraag was wat er nu met Marie Thumas verder moest gebeuren...

(Los daarvan kan men zich ook vragen stellen bij de gang van zaken natuurlijk. Iemand koopt een bedrijf op voor 1 Bfr., ontmanteld alles wat van enige waarde is en verschuift het naar zijn andere bedrijven. Wanneer het daarop logischerwijze mis gaat lopen, wordt de hete aardappel naar de Belgische overheid doorgeschoven. We geven toe dat we het gebeuren niet 100 % exact kunnen inschatten, kaderen, evalueren, maar stellen ons toch ernstige vragen bij de gang van zaken... BVH)

7) Bonduelle schaakt Marie Thumas

Het failliet verklaarde Marie Thumas werd onder curatelle gesteld. Tijdens een nieuwe zitting van de handelsrechtbank van Mechelen zou het bedrijf openbaar verkocht worden. Er waren drie grote spelers die interesse betoonden

- De groep rond Albert Degeest
- Joseph Talpe van Star Talpe samen met Leguma en ReNa
- Het Franse Bonduelle

De belangen van de twee Belgische bieders liepen zeker niet parallel. Beiden hoopten de buit binnen te halen, om alzo de grootste van het land te kunnen worden, en de markt te domineren. Er was ook wederzijds wantrouwen dat de andere "duikboot" voor de Fransen zou kunnen spelen.

Volgens Michel Duran, achtereenvolgens kaderlid van Leguma Zedelgem (zie Deel 3) en Talpe (Kortemark) die aanwezig was tijdens de zitting van de Handelsrechtbank was het niet Talpe die de duikboot van Bonduelle in België was geweest, maar  Mr. Degeest. In een e-mail van 21 okt. 2014 naar Retroscoop maakte hij ons attent op de wederzijdse beschuldigingen tussen de Talpe en Degeest-groep, en ziet hij deze laatste in feite als de man die de balans deed doorwegen naar de Franse kaper op de kust: 

"(...) er (waren) bij de overname van Marie Thumas door de Vlaamse regering en alle conserveurs, duidelijk twee kampen : Degeest en zijn groep (La Corbeille, Vandepoel, Dino) en de groep Talpe, Leguma, Rena.De groep La Corbeille verwijt Talpe en omgekeerd natuurlijk. Maar ik was erbij op de rechtbank in Mechelen, toen Mr. Degeest plots rechtstond en aan de curator zei “Bonduelle zou een betere schoonmoeder zijn voor Marie Thumas dan de Belgische conserveurs” Iedereen stond met verstomming geslagen natuurlijk en in het bijzonder Mr Joseph Talpe.

De curator (de niet onbesproken  Mr. Wouters, BVH) koos dan de kant van Bonduelle, die een duidelijk businessplan had met beloftes van productie en werkegelenheid in Mechelen. De Belgische conserveurs hadden dagen/weken vergaderd, maar hadden nog geen businessplan, geen visie hoe het verder moest en de vakbonden waren vooral bang, dat mr Talpe alleen maar de fabriek in Mechelen wou sluiten om de productie van het merk Marie Thumas over te brengen naar Kortemark ! Daarop besloot de rechter om Marie Thumas te verkopen aan André Bonduelle! 

Mr Talpe had het dan het al moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen en zijn banken te sussen en zag in de overname 
van Marie Thumas een kans om te overleven en tot zijn fin de carrière CEO te worden van de holding rond Marie Thumas. Dat is mislukt en in 1988 sloot hij zelf een deal met Bonduelle, eerst op een basis 50/50. Maar na een grondige analyse van de 
boekhouding en de stocks, werd Talpe voor 100% Bonduelle in het najaar van 1988." (22)

Peter Talpe, de zoon en gedoodverfde opvolger van Joseph Talpe bevestigt dit verhaal via een e-mail die hij aan Michel Duran zond, en die met Retroscoop gedeeld werd: 

"Mijn vader had liever dat Marie Thumas in Belgische / Vlaamse handen bleef. (…) een groep met Vlaamse conserveurs als overnemers van Marie Thumas was ook een betere consolidatie en tegengewicht tegen de Franse (Bonduelle ) concurrenten. Maar De Geest wou ‘cavalier seul’ spelen en nam Marie Thumas over, hij kreeg het niet op het goede pad, en Marie Thumas ging weer failliet. Op dat moment had Bonduelle zich ook met de zaak bemoeid. De curator kwam goed overeen met Bonduelle, en die had al voorsprong als overnemer. Wat mijn vader duidelijk hoorde was dat Bonduelle, zelfs nog voor de overname beklonken was, reeds de geheime en waardevolle receptuur van de ‘soupe Marie Thumas’ in handen had. Mijn vader vond het een schande dat de Belgische overheden liever de kroonjuwelen aan de Fransen gaven dan aan de Vlamingen."

Michel Duran bevestigde dat verhaal over de receptuur voor de "soupe Marie Thumas", al nuanceerde hij de betekenis hiervan. Hoe Bonduelle daaraan was geraakt is onduidelijk, maar Bonduelle zou er uiteindelijk nauwelijks iets doen, omdat soep nu eenmaal niet hun "core business" is. Het feit dat Bonduelle die receptuur dus al voor de verkoop in handen had is eerder symbolisch, een mogelijke aanwijzing ook dat de curator vooringenomenheid aangewreven zou kunnen worden.

In tegenstelling tot de Belgische potentiële kopers kwamen de Fransen af met een concreet businessplan. Ze beloofden de achterstallen van Marie Thumas aan de voornamelijk Waalse groentetelers uit te betalen. Met hun belofte om zo´n 60 mensen (tijdelijk) in dienst te houden, overtuigden ze ook de vakbonden. Ook burgemeester Vanroy koos daarop de kant van de Franse firma. 

Bonduelle was bereid om 517 miljoen Bfr. op tafel te leggen voor Marie Thumas. Volgens een Bonduelle-publicatie vatte een Mechelse non, die als vertaalster voor Mr. André Bonduelle optrad, de lange uitspraak van de Handelsrechtbank laconiek samen tot: “C’est pour toi, Monsieur”. (23) 

Hoog tijd om ietsje meer over de nieuwe Franse eigenaar te vertellen:

  • - hoewel de Bonduelle-familie al veel langer ondernemers waren, gingen ze pas in 1926 van start met een eerste conservenfabriek in de buurt van het Franse Rijsel.
  • - in 1960 begon het bedrijf met een expansie naar andere Europese landen. Momenteel heeft het in de meeste Europese landen de positie van marktleider verworven.
  • - er waren heel wat vragen over de financiële draagkracht van het bedrijf op het moment van de overname van Marie Thumas. Curator Wouters beweerde dat het bedrijf in 1979 een winst had gemaakt van 347 miljoen Bfr. had gemaakt, en dus een zeer gezond bedrijf was. Trends kwam op 1 aug. 1980 echter af met een bilan, waaruit een verlies van 19,5 miljoen Bfr.  bleek
  • - in de periode van de overname van Marie Thumas was het bedrijf voor 58 % in handen van de familie Bonduelle. Voor het Franse bedrijf was deze aankoop de eerste overname in het buitenland
    - in de jaren ´90 ging het ook richting Noord- en Zuid-Amerika.
  • - in 2000-2001 werd een omzet van 1,1 miljard euro gerealiseerd tegen 920 miljoen euro in 1999-2000. (24)

Bonduelle beheert als enige grote Europese groentefabrikant al zijn groenten van begin tot het einde zelf, wat een "gecontroleerde natuurvriendelijke teelt" mogelijk maakt. Het bedrijf bezit daartoe zo’n 65.000 ha landbouwgrond. De code op elk Bonduelle product laat een volledige traceerbaarheid van het product via internet toe.

In Vlaanderen kwam er –rijkelijk laat- een storm van protest los, die zich grotendeels op het hoofd van Akkermans uitwerkte. De politicus verdween in 1980 voor enkele jaren in de ijskast, of keerde beter gezegd terug naar zijn bouwonderneming… Om vijf jaar later weer op te duiken, en ditmaal als Vlaams Minister voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting. Een wel erg gedroomde post voor een bouwondernemer: zoiets als de spreekwoordelijke vos in het hoenderhok, of de kat IN en niet BIJ de melk. Maar dat is “une autre histoire”...

Waarmee we meteen de sprong kunnen maken naar Franstalig België. Want Akkermans, Eyskens, Claes… dat zijn natuurlijk allemaal Vlaamse politici. Hoe keek men in Wallonië aan tegen deze evolutie ? Wallonië had zelf te maken met een sterk verouderde industrie. Waar ons land in 1870, vooral dank zij de Waalse steenkool en hoogovens een BNP had dat die van Frankrijk overtrof, was de situatie een dikke eeuw later wel heel anders. “De wet van de remmende voorsprong”, zoals een bekende historicus dat ooit mooi noemde. Wallonië zat met een totaal verouderd productieapparaat, dat absoluut niet opgewassen was tegen dat van recentere bedrijven, en de steenkolen was uitgeput. Om de overgebleven wankele bedrijven en de erbij horende werkgelegenheid zoveel mogelijk te redden was er geld nodig, heel veel geld. Geld dat uit de nationale kas kwam, en in belangrijke mate uit Vlaanderen afkomstig was. Nu een Vlaams bedrijf –Marie Thumas- grote sommen geld nodig had om te kunnen overleven, werd vanuit Wallonië verontrust gereageerd. Al het geld dat naar Marie Thumas zou gaan, zou immers niet naar Wallonië gaan.

Dit alles voltrok zich tegen een achtergrond van gebakkelei over de staatshervorming. Ons land zat toen volop in een periode waarin een deel van haar structuren in Vlaanderen, Wallonië en Brussel opgedeeld waren geworden, niet zonder veel bitterheid en rancune. Alleen... Waalse politici slaagden er blijkbaar wel in om hun financiële problemen op nationaal niveau te laten behandelen, en nationaal geld voor hun noodlijdende bedrijven los te krijgen. Dit was ondermeer het geval voor het Waalse staal, of voor de holglasfabrikant Verlipack. De Vlamingen echter kregen dit maar niet voor mekaar, of vonden het politiek onnodig om het Marie Thumas-dossier op nationaal niveau te laten behandelen. Dat terwijl er op Vlaams niveau de nodige financiële middelen en blijkbaar ook de politieke wil ontbraken om de oude, zieke dame te redden. (25)

Heel wat Vlamingen voelden zich bijzonder gefrustreerd, dat na de pijnlijke situatie in de textielsector, die van de scheepsbouw (Cockerill Yards Hoboken...) en het verlies van kroonjuweel Agfa Gevaert aan Bayer nu opnieuw een typisch Vlaamse sector een gigantische opdoffer had gekregen. Te meer daar Marie Thumas in feite het allereerste dossier was, die de pas opgerichte Vlaamse regeringsinstellingen verplicht waren geworden om zelf te behandelen, aangezien de nationale regering zich er niet mee wou bemoeien.

De kogel was echter al lang door de kerk, of beter, doorheen de productiehallen van Marie Thumas. Enkel specialisten ter zake zouden met de nodige historische afstand kunnen onderzoeken of Paul Akkermans en de mensen rond Trends als boemannen moeten worden gezien die Marie Thumas hebben uitverkocht aan de Fransen, of “te vroeg gelijk” hebben gehad. Al zullen zelfs nu nog specialisten elkaar ongetwijfeld tegenspreken. Neem nu nog dat Akkermans en de zijnen te vroeg gelijk hebben gehad, waarom heeft er dan niemand te vroeg gelijk gehad voor wat betreft Sabena, het Waalse staal enz. Waren deze bedrijven in die tijd dan niet op een compleet gelijkaardige manier een verloren zaak, waarin men ook geen geld in had moeten blijven pompen ? 

8)  Het trieste einde van een icoon…


Marie Thumas werd een "bon repas"
voor het Franse Bonduelle

In 1980 werd Marie Thumas dus overgenomen door de Franse sectorgenoot en concurrent Bonduelle. De toenmlige boekhouder Paul Mariën schreef ons in dit verband:

"Voor de overname betaalde Bonduelle indertijd 120 mio BEF: 60 mio voor de materiële activa (gebouwen & productie infrastructuur) en 60 mio voor de immateriële activa (het merk Marie Thumas). (...) Marie Thumas was in faling, wat wil zeggen dat ze juridisch ophield te bestaan.

Bonduelle France stichtte daarop de NV Nieuwe Marie Thumas (NMT) die de voor haar interessante activa overkocht van de curator - die er op zijn beurt de schuldeisers van (de oude) Marie Thumas mee betaalde. Dit betekende het merk en de gebouwen & infrastructuur te Mechelen (Nekkerspoel). (De fabriek Mon Jardin te)Geer zat daar niet bij (...) Anderzijds namen ze ook geen schulden mee over. Dat het merk evenveel waard was als de vaste activa hoeft niet te verwonderen. Er werd al een tijdje niet echt meer geïnvesteerd, omwille van de financiële problemen, en het merk Marie Thumas was toen nog absolute top in België en Bonduelle wou er zijn doorbraak in België mee forceren."

Daar waar Degeest de waarde van het merk Marie Thumas nog op 240 miljoen had geschat, betaalde Bonduelle dus maar 1/4de van deze prijs daarvoor.

De curator verkocht Mon Jardin te Geer door aan het Waalse Gewest. Deze entiteit trachtte het bedrijf nieuw leven in te blazen, maar trok zich niet zo heel lang daarna, in 1985 weer uit dit bedrijf. Dat schakelde over van groenteconserven naar diepvriesgroenten onder de naam HesbayeFrost.

Wat troffen de mensen van Bonduelle in hun “nieuwe” aanwinst in Mechelen aan ? Volgens de reeds eerder aangehaalde Bonduelle-publicatie kon de situatie er als volgt samengevat worden:

  • een sterk verouderde fabriek
  • een onhandige ligging in stedelijke omgeving, waar vrachtwagens die kwamen leveren soms hinder van ondervonden. (26)
  • hoge aankoopprijzen voor de groenten, in vergelijking met Frankrijk, waar een doorgedreven mechanisering toeliet om de kosten flink te drukken
  • dure arbeiders maar met een hoge productiviteit, en interessante mogelijkheden om studenten seizoensarbeid te laten verrichten
  • een krachtige vakbond, die zich echter coöperatief opstelde

Aanvankelijk moderniseerde Bonduelle de fabriek, zodat er efficiënter gewerkt kon worden. De productie van de fabriek werd eveneens geherpositioneerd, door het segment van de soepen en fruit af te stoten. Blijkbaar werd in die periode ook een project in Lesotho opgestart, waar er groene bonen en asperges voor Marie Thumas werden gekweekt. Er werd vooralsnog geen bijkomende informatie over dit project gevonden. (27)

Uiteindelijk werd in Mechelen nog voort geproduceerd tot in 1991, maar uitsluitend voor de Belgische markt. Toen Marie Thumas in 1980 door de Fransen werd overgenomen, verkocht de firma in ons land 25.000 ton groenten, maar werd zo’n 40.000 ton geëxporteerd, vooral naar Duitsland en Nederland en naar de overzijde van de Atlantische Oceaan. Die Belgische export werd dus geschrapt, zodat de Franse productie-eenheden deze markten zelf volledig konden bevoorraden. In 1986 zat de net 100 jaar geworden Marie Thumas daarmee weer op het productieniveau uit de 1960’s.

In deel 3 wordt in de fiche over het West-Vlaamse conservenbedrijf Talpe verteld over hoe Bonduelle een slechte zet deed, door de bestaande band met Artis-Historia door te knippen, waarop Talpe er "als de kippen bij was" om dit interessante promotie-instrument over te nemen. Daartoe diende het wel een akkoord te sluiten met sectorgenoot ReNa conserven uit Heist-op-den-Berg, producent van groenteconserven in glazen recipiënten. Bonduelle heeft die vergissing te laat ingezien, en heeft hierdoor zeker marktaandeel ten opzichte van Talpe verloren. 


Foto Eddy Van Leuven
Een 100ste verjaardag, maar ondanks marketingacties als
deze "Ma
rie Surprise" was er werkelijk geen reden tot
feestrumoer noch balonnen en bubbels

9) De switch van Marie Thumas naar Bonduelle

Wat heeft Bonduelle uiteindelijk nog aangevangen met de merknaam Marie Thumas, waarvoor het 60 miljoen Bfr. heeft neergeteld ? Van meet af aan was het de vraag of het deze naam moest laten uitdoven en door Bonduelle vervangen om zo meer uniformiteit te bereiken. Of was het misschien beter om tijdelijk de naam te behouden, en slechts geleidelijk aan, in fasen te laten verdwijnen ? De merknaam bleef in feite nog van 1980 tot 1988 voortbestaan. Bij Bonduelle werd een ingewikkeld uitdoofscenario in verschillende stappen uitgewerkt. Michel Duran, de voormalige Algemeen Directeur Bonduelle Belgium was zeer nauw betrokken bij de evolutie van deze episode. We laten hem hier aan het woord om ons dit in detail toe te lichten:

Bonduelle kocht in 1980 het failliete Marie Thumas, dit was voor Bonduelle de eerste overname buiten Frankrijk. In 1970 was Marie Thumas de onbetwiste marktleider in groenteconserven in blik met meer dan 30 % marktaandeel.  Marie Thumas profiteerde van de sterkte van het merk en verkocht ook nog soepen in blik en fruitconserven onder het merk Marie Thumas. De inlijving in de groep Bonduelle gaf aan Marie Thumas de mogelijkheid om ook te starten met de verkoop van groenten in glas en diepvries, geproduceerd door Bonduelle in Frankrijk. Het Marie Thumas-kader in Mechelen (Bert Muysewinkel: Verkoop- en Marketing Directeur, Jacqueline Holemans, H.R.) waren resoluut voor het behoud van het merk Marie Thumas. De nieuwe Franse eigenaar twijfelde. De directie in Mechelen kon de Franse directie uiteindelijk echter overtuigen dat deze twee nieuwe lanceringen ook onder het merk Marie Thumas moesten gebeuren.

In het segment “diepvries” moest Marie Thumas opboksen tegen IGLO, maar kreeg toch de medewerking van F1, die Marie diepvries opnamen in hun gamma. De lancering ging gepaard met een ludieke spot op TV. Helaas, logistieke problemen waren een serieus obstakel om bij F2/F3 binnen te geraken en IGLO ging in de tegenaanval. Het startte met intensieve reclame op TV en met innovatie producten. De verkoop van Marie diepvries sputterde, en de F1 haakte stilaan af. 

Daarop besloot de Franse directie om resoluut te gaan voor het merk Bonduelle diepvries in Belgie.  Bonduelle Belgium kon putten uit het breed gamma in doosjes en film van Bonduelle en de lancering kreeg een goed onthaal bij F1 : Delhaize, Cora, Match, Mestdagh, Colruyt in mindere mate, enkel GB haakte af. De distributie verweet Bonduelle dat het niet voor voldoende  publicitaire ondersteuning zorgde. Geen wonder ook, het beschikbare marketingbudget was gewoon te klein voor reclamespots op TV voor blik- en glasgroenten plus dan nog eens diepvries.  Mogelijk gaf Iglo extra voordelen aan de distributeurs om de exclusiviteit te krijgen in de diepvriesrayon. De plaatsen in deze afdeling zijn zeer duur, en er was plots ook geen plaats meer voor een B merk. Delhaize haakte als eerste af, de rest volgde ! Bonduelle Belgium verkocht op zijn hoogtepunt 3.500 ton diepvriesgroenten onder de merknaam Bonduelle en daar blijft nu niets meer van over !  Jammer, maar wellicht begrijpelijk: voor de consument is Marie Thumas blikgroenten en geen diepvries !!!

Met groenten in bokalen een gelijklopend verhaal. De eerste lancering van bokalen onder het merk Marie Thumas was in 1979, na de overname van Marie Thumas door de groep Degeest. De bokalen werden gefabriceerd bij Le Semeur in Katelijne-Waver en gecommercialiseerd door Marie Thumas. De kwaliteit voldeed echter niet om tegen nr. 1 ReNa te concurreren, en er was geen  publicitaire ondersteuning. De lancering werd dan ook een serieuze flop.

Na de overname door Bonduelle (1980) volgende een tweede lancering met producten gefabriceerd in de fabriek van Renescure (Pas de Calais).  Het kader van Mechelen kon terug de Franse Directie overtuigen, dat de bokalen onder het merk Marie Thumas moesten verkocht worden. Er werd geopteerd voor een lancering met de ronde bokaal ofte “Hak pot”.  Opnieuw bleek marktleider ReNa te sterk, terwijl HAK Nederland een serieuze belager aan het woreden was voor ReNa. Het marktaandeel in 1990 zag er zo uit: Rena had 20%, Hak 15% en Marie Thumas 12%.  Marie Thumas haalde dit volume hoofdzakelijk bij F1 winkels en had het bijzonder moeilijk met de introductie bij F2/F3 winkels. Na het faillissement van ReNa was er een reuzekans om de macht te grijpen.  Maar in Frankrijk is de verkoop/productie van glas niet prioritair en ze hadden er niet mee rekening gehouden dat Hak het merk ReNa uit het faillissement zou opkopen.  Na een jaar stopte Hak met het merk ReNa en de introductie van Hak bij de complete F1 was een feit !

Bonduelle deed nog een uiterste poging om de boel te redden en startte met de verkoop van een “vierkante” pot, maar onder het merk Bonduelle ! De lancering van de “vierkante” pot, die in feite geen meerwaarde bracht en ook niet de nodige ondersteuning kreeg, was het begin van het einde.  De F1 besloot om slechts één A merk te volgen en dit was HAK. Bonduelle-glas verdween stilaan uit de rayons ! Einde verhaal bokalen... Ook hier weer bleek duidelijk dat voor de consument Marie Thumas synoniem is voor blikgroenten, niet voor glasconserven.

De switch voor de blikgroenten is een ander verhaal. Zoals gezien wist het kader in Mechelen de nieuwe Franse eigenaar er in 1980 van te overtuigen om het merk Marie Thumas te behouden.  Tijdens de volgende jaarlijkse budgetvergaderingen stond het thema telkens weer op de agenda, en tot 1989 ging de Franse directie mee in de argumentatie achter het behoud van het merk Marie Thumas.

In 1989 werd Michel Duran Algemeen Directeur Bonduelle Belgium. Tijdens een prébudget meeting opperde hij het idee om het merk Marie Thumas “ in stappen”  te vervangen door Bonduelle.  De Franse Directie gaf groen licht om een plan uit te werken.  Samen met het reclamebureel Concept uit Mechelen werd een volledige campagne uitgewerkt en een TV spot voorbereid.  Het idee was om in eerst instantie het “rode” etiket Marie Thumas te behouden en onder het logo Marie Thumas een logo Bonduelle aan te brengen en met een ludieke TV spot te komen. Kostprijs 50 Miljoen. Op de budgetvergadering einde 1989 keurde de Franse Directie deze eerste stap goed, maar zonder TV campagne, want geen geld.  Mr Bruno Bonduelle zei letterlijk “Bonduelle of Marie Thumas maakt me niet zo veel uit, wat telt is de contributie van Bonduelle Belgium aan de groep”  Money, money !!!  Er moest wel nog een bijkomende marktonderzoek gebeuren naar de naambekendheid van Marie Thumas en Bonduelle. Dit gaf dan volgende resultaat:

- Totale merkbekendheid Marie Thumas 90% en Bonduelle 15%
- Top of mind voor Marie Thumas van 80% en daarin stond Bonduelle nergens !

Marktonderzoek heeft zo zijn eigen jargon. 

- top of mind: betekent het eerste merk, die genoemd wordt, als men de vraag stelt “ welke merken van groentenconserven, ken je “

- totale geholpen kennis: de ondervraagde somt alle merken die hij kent op.

bv Marie Thumas, maar ik ken ook Star en Hak en dan stopt hij en daarop vraagt de onderzoeker. “ en ken je ook Marie Thumas ?” jawel, die was ik nog vergeten 

De eerste stap met een dubbele logo Marie Thumas Bonduelle werd dan gezet, maar zonder ondersteuning noch TV campagne. !  De verkoop werd er zeker niet door gestimuleerd. De totale consumptie van groenten in blik was al een paar jaar aan het dalen en Marie Thumas volgende gewoon deze tendens.  De huisvrouw merkte gewoon weg niets van de dubbele logo !

Einde 2003 vroeg de Franse Directie, nu onder leiding van Mr Daniel Bracquart als president, terug een marktonderzoek. Dit bevestigde onze vermoedens. Marie Thumas bleef zowel in top of mind als in totale kennis toren hoog boven Bonduelle uitsteken ! Conclusie de dubbele logo heeft het merk Bonduelle niets bijgebracht ! Normaal want de overgang mocht geen geld kosten !

Als tweede stap werd dan einde 2004 dramatisch beslist om terug over te stappen op Marie Thumas zonder enige verwijzing naar Bonduelle.  Mr André Vrijdagh werd aangeworven als Marketing Directeur en hij kreeg wel de nodige 50 miljoen om het blazoen van Marie op te frissen met een TV campagne !  De verkoop reageerde niet op de TV campagne en het marktaandeel van Marie Thumas bleef onder druk ! De Franse Directie twijfelde opnieuw, en stuurde Vrijdagh de laan uit. Uiteindelijk viel de beslissing: het merk Marie Thumas zou op termijn verdwijnen !

Bonduelle Belgium laste nog een derde stap in met een nieuwe etiket in de groene kleuren van Bonduelle, maar met nog een verwijzing naar Marie Thumas “Une passion commune: le légume” “een gedeelde passie: de groenten”  Het rode etiket” van Marie Thumas verdween uit de rayons en ook deze stap geen publicitaire ondersteuning.

De vierde stap werd reeds een seizoen later gezet en nu kwam een groen Bonduelle etiket, zonder enige verwijzing naar Marie Thumas. Het werd een tweetalig etiket, die ook gebruikt wordt in Nederland.  De etikettering en distributie gebeurt vanuit de magazijnen in Kortemark en is de enige activiteit, die nu nog gebeurt in de oude fabriek van Talpe.

Bonduelle Belgium stopte ook met het merk Star in 2012 en daarmee is de overname van Marie Thumas in 1980 en van Talpe in 1988 afgesloten en zijn beide merken verdwenen.

In 1980 was Marie Thumas de marktleider in blikgroenten en in 2014 is Bonduelle nu de marktleider in blikgroenten.  Maar Bonduelle heeft de markt in soepen moeten afstaan aan Unox, nu Knorr en de markt in glasconserven aan Hak en de markt in diepvriesgroenten aan Iglo.  Zo is er uiteindelijk een synergie uit de overname verloren gegaan en is bewezen dat een A merk creeren en in standhouden geen sinecure is en dat van een B merk een A merk maken nog veel moeilijker is !

In 1991 werd de productie in Mechelen stopgezet, en drie jaar later werd de fabriek heel symbolisch tegen de vlakte gegooid.

Algemeen directeur Edo Stouten van Bonduelle Benelux verklaarde in dit verband aan het Gazet van Antwerpen: “Dit gebeurt met toestemming van de Belgische distributie. We hebben daar twee redenen voor. Enerzijds de mondialisering in de distributiesector. Bonduelle gebruikt wereldwijd dezelfde merknaam. Een regionaal merk kan niet meer overeind blijven. Anderzijds is Marie Thumas bij jong en oud in België inderdaad zeer bekend, maar alleen bemind door de oudere mensen, niet door de jonge generaties.” (28) Daarmee is Marie Thumas enkel nog een begrip voor ex-werknemers, de oudere generaties en wat schaarse nostalgische zielen, die er artikels aan blijven wijden…

Er lijken twee interpretaties te bestaan van de ondergang van het voormalige Belgisch vlaggenschip van de conservenindustrie. Voor de kaderleden van Bonduelle werd er alles gedaan om Marie Thumas weer vlot te krijgen, en de firma te redden. Voor de arbeiders handelden de Fransen zo bot, dat ze van "Boncruelle" in plaats van Bonduelle praatten. De zonderlinge beslissing om er zo halsstarrig aan te dringen om de oude archieven van het bedrijf te vernietigen wekte eveneens achterdocht op. Voor de mensen aan deze kant van de barricade waren de Fransen er van meet af aan op uit om het vlaggenschip te doen zinken, en zo de volledige Belgische markt met hun eigen conservengroeten te kunnen monopoliseren. Wat in de feiten ook effectief gebeurde: naast de energiesector wordt deze van conservengroenten in zeer sterke mate gedomineerd door onze Zuiderbuur....

 

Bijlagen bij deze korte geschiedenis:

-  Bijlage 1: De twee soorten contracten tussen groentetelers en Marie Thumas 

- Bijlage 2: De Marie Thumas fabriek in Leuven anno 2012 (some urban exploration...)

     - 2.A: De buitenkant

     - 2.B: De binnenkant

- Bijlage 3: Marie Thumas wikkels

- Bijlage 4: De voorlopig resterende vragen bijeen gebracht

 

Bijlage 1: De twee soorten contracten tussen
groentetelers en Marie Thumas
 

Groentetelers die met Marie Thumas wilden samenwerken, hadden de keuze tussen twee soorten contracten: 


Contracttype 1 (het meest voorkomende)

- De tuinbouwer verhuurt zijn gronden aan MTL

- Hij maakt de akkers klaar, zaait en bemest deze met zaaigoed en meststoffen geleverd door de fabriek

- De tuinbouwer is verantwoordelijk voor het oogsten

- Alle risico’s zijn voor de fabriek, de landbouwer krijgt een vaste prijs per ha.


Contracttype 2 (minder toegepast)

- De Fabriek verbindt er zich toe de oogst van een vastgesteld aantal hectaren af te nemen

- Betaling volgens opbrengst in kilo

- De tuinbouwer zorgt zelf voor zaaigoed, meststoffen en sproeistoffen

- De tuinbouwer draagt de risico’s en wordt uitbetaald volgens de kwaliteit van zijn eindproduct. Zo worden erwten ingedeeld volgens grootte 

 Bijlage 2: De Marie Thumas fabriek in Leuven anno 2012 (some urban exploration...)

2.a) De buitenzijde

 

Hierboven: Plattegrond 1 (BVH)


Plattegrond 2 (omgekeerd t.o.v. plattegrond 1)
BVH op basis van plattegrond Jan Douwen
(Geschiedenis van Euro-Can Deel 2)

Het plattegrond van gebouw G (sociale diensten) volgt verder


Luchtfoto verschenen in reclamebrochure
Marie Thumas 1950´s

In dit deel een aantal foto´s van de huidige situatie op de Marie Thumas-site in Wilsele. Tot onze verbazing bevat het fotoarchief van Google namelijk nauwelijks beeldmateriaal van deze fabriek. Een wat onduidelijke foto, die blijkbaar van de overzijde van de Leuvense Vaart getrokken werd, enkele gothic opnames van het achtergebouwtje (E), en dat is het zo wat. Graag willen we dus deze lacune hier op Retroscoop opvullen met een reeks foto´s van de bewaarde en interessante delen van de site.

Om dit enigszins gestructureerd te kunnen aanpakken, hebben we een plattegrond ontworpen, dat bij benadering de situatie samenvat. Voor alle duidelijkheid: de letters die erop voorkomen werden willekeurig toegekend, en slaan niet op eventuele Marie Thumas-benamingen. In de gebouwen A 1 en A 2 bevinden zich vandaag de dag verschillende kleine bedrijfjes, een fitnesszaak enz. Een BV die men hier wel eens zou kunnen zien rondlopen is Jeroen Meus, wiens restaurant Luzine zich eveneens in dit gebouwencomplex bevindt.

De twee bovenste verdiepingen worden grotendeels als parking gebruikt. Van hieruit kan men extra details zien, die niet vanop de begane grond te zien zijn. Niettemin was het hier en daar wat speculeren op het plattegrond. Het is dus niet uitgesloten dat in de toekomst een aantal kleine correcties toegepast zullen worden.

De zaagdaken aan de kol. Begaultlaan zijn zichtbaar op de luchtfoto uit de 1950´s. Vandaag de dag zijn ze ofwel verwijderd, ofwel niet meer zichtbaar vanuit deze hoek gemaakt. Om deze reden werden slechts enkele foto´s van deze "ingepakte" voorkant toegevoegd (bv. weegbrug). Voor het overige werden de foto´s zodanig getrokken, dat ze een zo goed mogelijk idee geven van hoe de fabriek eruit gezien moet hebben. Niettemin moet men er rekening mee houden dat verschillende deuren werden dichtgemetseld, ramen verbouwd enz. Dit is soms nog goed te zien op de foto´s.

Zoals het plattegrond aangeeft, bevinden de fabrieksgebouwen zich in een lager gelegen deel als de dorpskern van Wilsele. De op het plattegrond getekende berm is zo´n meter of 3-4 hoog. Tot slot: de foto´s werden gemaakt op de mooiste meidag van 2012, zoals de Provencaalse lucht wel laat zien...


Gebouwen A 1 en A 2

 
Links: achterzijde van A 1, op de achtergrond de B-loodsen
Rechts: achterzijde van A 2 en zicht op de daken van H: overal kleine vensters


Vanuit de Kol. Begaultlaan getrokken opname van A 2: door het contrast van de foto op te voeren, werd het woordje "Legumes" weer zichtbaar gemaakt onder de laag witte verf. Zoals te zien werd het woord in feite opgetrokken in witte bakstenen, zodat de benamingen op de gevels van A 1 en 2 niet voortdurend herschilderd moesten worden.
 


 Loodsen B


Van hieruit gebeurde de verzending


Zicht op de Binnenkoer 1 van achter een niet al te propere ruit van
gebouw A 1. Deze loodsen huisvestten het verzendingsbureel en het
verzendingsmagazijn. Er zijn vage aanwijzingen die erop kunnen duiden
dat er ooit smalsporen op dit binnenplein liepen, mogelijk naar de
meest linkse B-loods (verzendingsmagazijn)

Geheel van drie loodsen op een rij. Zoals goed te zien werden de gevels van deze loodsen grondig verbouwd, om woningen op het 1° en 2° verdieping mogelijk te maken. Let op het ijzeren geraamte van wat ooit een afdak is geweest. 

Het bovenste verdieping maakt deel uit van de parkeermogelijkheden van de site. 


Loods C


Loods C is in dezelfde stijl als B, maar staat enkele meters achteruit ten opzichte van B, zoals in de interieuropname goed te zien is. Er zijn geen scheidingswanden tussen B en C. Het valt ook op hoe laag dit verdieping in feite is.

Van hieruit werd de foto van de D-loodsen getrokken.


Loods D

Van deze gebouwen zijn enkel de golfplaten daken zichtbaar. Het geheel is namelijk afgeschermd met hekken. Het bemoste geheel lijkt zo uit een Marklin-catalogus geknipt... Al verhult dat speelse feit misschien wel asbestgevaar.

  
Achterbouw E

 

          


Of de "witte" en warmte-afstotende tint nog uit het Marie Thumas-tijdperk
dateert is niet geweten. Noteer het "laadvenster" met de restanten van een hijsinstallatie. Dit gebouw deed dienst als kolenopslagplaats.


Weegbrug en restanten weeghuisje (?) F

    
De elevator en de weegbrug

Zoals een detail van de eerder getoonde postkaart van de fabriek het laat zien, bevond er zich een klein gebouwtje uiterst links van het complex, op het plattegrond 1 in stippellijn aangeduid. Achter dit gebouwtje, dat thans is afgebroken, is nog een weegbrug zichtbaar. Het detail van de postkaart laat zien dat er een elevator (verticaal geplaatste transportband)  ladingen naar het dakverdieping bracht. Toen bevond er zich nog een soort zadeldak bovenaan gebouw A 1, hetgeen een soort stockeerruimte creëerde. De foto rechts toont hoe de zij- (en voorkant) van het A1 gebouw werd "ingepakt" om het moderner te doen ogen. Links is een oprijlaan te zien, die naar de overdekte parking op het 2de en 3de verdieping leidt.

Zoals op plattegrond 2 te zien was er nog een tweede weegbrug aan de Kol. Begaultlaan, ter hoogte van de aspergezaal en binnenkoer 2.

 
Sociale Diensten (Gebouw G)


Plattegrond: Collectie Jan Douwen
overgenomen uit: Geschiedenis van Eurocan Deel 2 p. 9


Gebouw H

   
Hier zijn de verbouwingen van de gevels
doorheen de jaren wel heel duidelijk zichtbaar.


Zoals men hier kan zien liep hier een kort stuk spoorweg
dat wat verderop bruusk onderbroken werd. Aangezien zich hier
het magazijn met blik voor de productie van conservenblikken bevond
werd het misschien gebruikt door een kraan om vrachtwagens te lossen ?

 
2.b) De binnenkant van de fabriek

Op de eerder aan bod gekomen plattegronden werden al verschillende afdelingen van de fabriek geïdentificeerd.  

- ontvangst van de groenten: gedeelte met weegbrug en elevator en de tweede weegbrug aan binnenkoer 2
- productie-afdelingen: "Keuken" en "aspergezaal
- productie-afdeling of ten minste controle-afdeling voor conservenblikken (1930´s)
- kwaliteitscontrole: checken kwaliteit van de gevulde en gesteriliseerde conservenblikken
- verpakking: etikettering, het plaatsen van de conservendozen in houten kisten of kartonnen dozen
- expeditie / distributie (het is nog steeds onduidelijk of de firma eigen vracht- of bestelwagens bezat, of hoe de distributie precies gebeurde
- onderhoud van de machines (kuisen, smeren, repareren...) en gebouwen
- administratie (HR, bestellingen...)
- sociale diensten: hygiëne, gezondheid: douches, arbeidsongevallen...

Laten we nu iets meer in detail stilstaan bij het productieproces van een aantal groenteconserven bij Marie Thumas Leuven.


Productie erwten

  

Gezien erwten zowat dè trots van Marie Thumas waren, is het nodig om iets meer over deze voedzame groene bolletjes te vertellen. Daarbij moet men in het achterhoofd houden, dat hun verwerking in de jaren ´60 een aantal grondige veranderingen onderging. Het productieproces zoals ze hier wordt beschreven geeft dan ook de situatie weer tot en met de 1950´s.

1) oogst / aankomst in fabriek / opslag

De erwten worden in juli en augustus geoogst. In de periode die voorafging aan de 1960´s gebeurde dat nog grotendeels volledig met de hand. De erwten kwamen met peul en al aan in de fabriek. Een weegbrug liet toe om het gewicht van de oogst te bepalen. Bij aankomst werden voorts ook stalen genomen, die dan in een laboratorium werden onderzocht. Deze stalen lieten toe de kwaliteit (een laatste maal) te onderzoeken, en te bepalen hoeveel de tuinbouwers uitbetaald moesten worden.

De erwten werden met een elevator naar de zolderverdieping gebracht, waar ze over heel de vloer werden uitgespreid. 


In een eerste fase worden de erwten met de elevator naar de erwtenzolder gebracht. Ze worden een aantal uren in een soort grote trechter bewaard.

 

2) dorsen, sorteren of "bufferen" en een laatste visuele controle

In de zoldervloer waren verschillende openingen, waardoor de erwten naar het onderliggende verdiep geborsteld konden worden. Noteren we hier even dat er twee  soorten erwten zijn, de doperwten en de tuinerwten. Deze laatste zijn malser, doorgaans iets groter van caliber en ietsje zoeter van smaak ook.

In een eerste fase dienden de erwten te worden ontdaan van hun peulen. Dit gebeurde in zogenaamde dors- of peulmachines (of "ecosseuses" in het Frans)


Een batterij van dorsmachines in de Marie Thumas-fabriek. Zoals de
afbeelding laat zien stonden er in deze zaal ten minste 9 opgesteld

Vervolgens werden de ontpeulde erwten onderverdeeld in een aantal categorieën, afhankelijk van hun grootte, een productiefase die men "bufferen" noemt.

- Extra fijn         7,5 mm                       P 1      Gele band
- Zeer fijn          7,5 à 8,2 mm              P 2      Groene band
- Fijn                  8,2 à 8,8 mm              P 3      Okerkleurige band
- Middelfijn        8,8 à 9,3 mm
- Middel             > 9,3 mm 

(Vandaag de dag wordern enkel nog de twee kleinste soorten gecommercialiseerd)

Deze normen werden in 1962 vastgelegd. De scheiding gebeurt door zogenaamde “kriebels”. Het zijn machines waarin een aantal zeven boven elkaar opgesteld staan.

 

Ook de hardheid van erwten speelt een belangrijke rol. Om deze te kunnen nagaan wordt een tendrometer gebruikt. P1 & 2 worden algemeen beschouwd als de beste erwten: ze zijn het zachtste en het zoetste. Afhankelijk van de weersomstandigheden behoorde ongeveer 80 % van de Belgische oogst tot deze categorieën. Ook de fijne erwten (P3) worden echter niet over het hoofd gezien.

Over smaken kan men evenwel tot in het oneindige redetwisten: zo verkiezen de Britten blijkbaar erwten met… een lichte muntsmaak ! Deze werden in GB ingevoerd vanuit een aantal kolonies. (De grootste erwten kregen blijkbaar geen P-nummer: momenteel wordt nog uitgezocht wat er met deze soorten gebeurde: werden ze vernietigd, in erwtensoep gebruikt…)

Ook het soortelijk gewicht van de erwten laat toe om selecties door te voeren: de erwten worden immers simpelweg via water getransporteerd, wat met duurdere woorden "hydraulisch transport" noemt. De zwaarste erwten liggen daarbij dieper in het water als de lichtste, een gegeven waar dus ook gebruik van wordt gemaakt om de erwten in categorieën in te delen. 

Erwten van de klasse P 1,2 en 3 worden gedurende 6 u in een soort trechters bewaard.

De gesorteerde erwten kwamen vervolgens in aparte goten terecht, en werden hydraulisch naar de “picking tables” vervoerd. Daar stonden zeer geconcentreerde arbeidsters klaar om dat groene legertje met een streng oog visueel te inspecteren. Al de erwtjes met een slordig “uniform” vlogen er dan ook onverbiddelijk uit…

 

Men moest echt wel stalen zenuwen hebben, om dit zeer routineuse werkje dag in, dag uit zonder morren en met de nodige nauwkeurigheid te kunnen blijven verrichten. Het inblikken van de erwtjes gebeurde nog dezelfde dag.

4) Voorkoken of "blancheren" / vullen van de blikjes

Eerst werden de erwten gedurende enkele minuten voorgekookt of "geblancheerd". Eens dit proces achter de rug is worden ze samen met een jus in de blikjes gegoten. Die jus bestond uit kruiden, water en (3 % ?) suiker. Het gebruik van belangrijke hoeveelheden suiker verklaart waarom er een sterke band was tussen de bezitters van de suikerraffinaderijen en een aantal conservenfabrieken.

5) Sterilisatie in autoclaven / afkuisen van de conservenblikjes in een bad 


Hier worden de autoclaven gevuld met een soort enorm vergiet, waarin een hoeveelheid conservenblikken opgestapeld zijn. De doorboorde kuipen worden via een soort loopkat en een monorail tot op de juiste plaats gebracht. Zoals men kan zien waren deze autoclaven in een open ruimte opgesteld (men ziet vensters van een ander gebouw op de achtergrond)
 


Eens de conservenblikken gedurende een welbepaalde tijd op temperatuur gebracht zijn geweest, dienen ze nog afgespoeld te worden. Deze fase dient om het teveel aan jus dat aan de groenten werd toegevoegd te verwijderen van de buitenkant van de blikjes. Ook nu weer worden de vergieten waarin ze opgestapeld werden via de loopkatten en het monorail-systeem vervoerd. Bij Marie Thumas werden ze afgespoeld in een soort bad. (Er waren ook firma´s die dit met een soort douchesysteem deden, bv. Picolo Vandepoel, zie Deel 3)
 

Tot in 1941 werden de conservenblikken zelf bedrukt, en werden er nog geen papieren wikkels gebruikt. De bedrukking was bestand tegen het sterilisatieproces in autoclaven.

Pas na 1941 zouden de eerste papieren wikkel hun intrede hebben gedaan. Eens de conservendozen uit de "cages" van de autoclaven gehaald werden, rolden ze vanaf dan naar de etiketeermachines. Vervolgens diende de conservenblikjes nog in specifieke hoeveelheden samen verpakt te worden. Oorspronkelijk gebruikte men hiervoor houten kisten, waarop de naam van de firma werd ingebrand. (zie eerdere foto). Later werd hiervan afgestapt, en werden dozen in golfkarton gebruikt. Deze dozen dienden dan nog eens op paletten te worden geplaatst, en in de opslagruimte te worden opgestapeld. (In de bijlages kan men op plategronden zien waar deze opslagruimte zich bevond)

Te noteren valt dat Marie Thumas blijkbaar geen eigen bestelwagens of vrachtwagens bezat, waarmee de distributie op nationaal vlak kon worden geörganiseerd. Dit betekent dus dat groothandelaars zelf naar de fabriek afzakten, om er de gewenste hoeveelheden in te slaan en zelf te transporteren. Wie precies het vervoer tot de Antwerpse haven verzorgde voor wat betreft dat deel van de productie die voor export bestemd was, werd nog niet uitgeklaard. De Leuvense Vaart lijkt geen rol hierbij te hebben gespeeld. (Voor WO 1 of tijdens het interbellum bezat Marie Thumas wel 2 (?) vrachtwagens die gebruikt werden bij het binnenhalen van de groenteoogsten.

     
Speelgoedblik van Worms Miniature voor in kinderwinkeltje

 

 Productie tomatenconcentraat


Wanneer de tomaten in houten kratten in de fabriek aankomen, voeren een aantal arbeidsters een selectie door. De weerhouden tomaten worden gewassen, gepersd en vervolgens verwarmd. Daarna worden ze door een zeef gehaald. Het tomatensap wordt vervolgens in de toestellen ("sferen") hieronder afgebeeld in tomatenconcentraat omgezet. Daartoe wordt de lucht uit de bollen gezogen, waarna ze opgewarmd worden.

 


 
Asperge-afdeling


Het zeer arbeidsintensieve pellen van de asperges (boven) met een speciaal mesje en de controle op dit wel zeer routineuse werkje (hieronder). Arbeidsters die sneetjes in hun vingers hadden mochten niet langer deze taak doen, en werden tijdelijkvoor andere klussen ingezet.



 Productie conservenblikjes

 

Dit wat bizarre toestel dient om de absolute luchtdichtheid van conservenblikjes te controleren. De blikjes worden onder druk gezet, waaraan deze met een productiefout niet kunnen weerstaan. Een foutmarge van 5/1000 werd doorgaans als acceptabel beschouwd. In de 1930´s bereikte men reeds een productieresultaat van 250 conservenblikjes per minuut. 

 

 Bijlage 3: Marie Thumas-wikkels

In tegenstelling tot de wikkels van Le Soleil zijn deze van Marie Thumas blijkbaar zeldzaam. Retroscoop is zeker geïnteresseerd om exemplaren aan te kopen ter aanvulling van de collectie. (info@retroscoop.com)



 

 

Bijlage 4: De (voorlopig) nog resterende
vragen bijeen gebracht

1)      Heeft Edmond Thumas de bouw van de nieuwe fabriek ingezet, nog meegemaakt ? Had hij kinderen, en hebben zij de zaak voortgezet, of klopt het dat hij net voor zijn dood de fabriek heeft verkocht ? Wie waren de nieuwe eigenaars ? 

2)      Waar bevonden zich welke afdelingen van Marie Thumas op de bedrijfssite in Leuven ? 

3)      Waren de huisjes rond de conservenfabriek van MTL ? (bv. meestergasten, bewaking ?) (Ze werden inderdaad door MTL gebouwd, maar hun functie is nog niet helemaal duidelijk)

4)      Van wanneer dateert de nieuwe fabriek in Leuven, en werd deze in 1 keer gebouwd of kan men een systematische uitbreiding richting Zwenkkom zien ? Wat gebeurde er met de oude ? Leed het gebouw oorlogsschade ? Situatie onder de oorlog ? 

5) Van wanneer tot wanneer precies was MTL van Tiense Suiker ?  Leverde Tiense suiker heel wat suiker aan MTL, zie vullen van conservenblikjes met erwtejes in een “gesuikerde oplossing” (MTL was inderdaad een belangrijke afnemer. De link tussen Tiense Suiker en MTL wordt ondermeer geïllustreerd door het feit dat Guy Ullens de Schooten stage liep in de conservenfabriek van Zandvliet, die Marie Thumas van Liebig had overgenomen)

6) Arbeidsomstandigheden:  Het zou interessant zijn om te weten of de directie het aanmoedigde dat de werknemers zo nu en dan van afdeling veranderden, kwestie van de monotonie wat te verbreken. Naar verluidt zagen de mensen fysisch ook wel af. (lawaai, hitte...) Een puntje dat ook nog uitgeklaard zou moeten worden betreft studentenwerk: het zou inderdaad wel interessant zijn om te weten vanaf welk jaar men bij Marie Thumas dit systeem heeft ingevoerd, en hoeveel studenten er zo gemiddeld jaarlijks kwamen werken. 

7)   We zoeken een afbeelding van de stenen beelden die Marie Thumas ooit heeft laten maken voor in een aantal verkooppunten, waarin de firmanaam gebeiteld was, net als een lichtjes hellende holte, waarin een conservenblik paste. We hebben jaren geleden ooit zo’n exemplaar gezien in een thans gesloten antiquariaat in de Lombardstraat.

 

Voetnoten en bedankingen

Onze welgemeende dank gaat uit naar het Huis van Alijn in Gent, dat ons in 2010 gewillig in hun documentatie over Marie Thumas liet snuisteren, waaronder in het interessante eindwerk van Christiane Pierlet. (zie verder)

Ook Jan Douwen, voormalig werknemer van Le Soleil / Marie Thumas / Eurocan heeft zeer waardevolle informatie verstrekt, die ons toelieten de eerste versie van het artikel op meerdere punten aan te vullen of bij te schaven. Aanvang 2013 kregen we eveneens een aantal aanvullingen en kleine correcties van Dhr. Paul Mariën, in de 1980´s boekhouder bij Marie Thumas. Ook zijn we veel dank verschuldigd aan Mevrouw Heidrun Schmandt, die ons in april 2015 informatie over en een foto van haar vader toezond. Die Mr. Schüler was de man achter de installatie in het Marie Thumas-paviljoen tijdens de Expo ´58. Peter Winckelmans informeerde ons over de positie van de Mechelse burgemeester Vanroy en over de inzet van een helicopter door Marie Thumas (voetnoot 24)

We maakten verder ook dankbaar gebruik van:

  • PIERLET, Christiane: De Belgische Groentenconservenindustrie en de NV Marie Thumas (1977-1978) Thesis Lic. Economie, promotor Mark Eyskens

Helaas bleek tijdens het schrijven van dit artikel het Leuvense Stadsarchief voor onbepaalde tijd ontoegankelijk te zijn, en een bezoek aan het Leuvense Kadaster staat nog gepland. Deze pistes zouden nog heel wat extra informatie kunnen opleveren.

(1)  Willy Van Hoof herwerkt boek over Vlaamse Landbouwgeschiedenis Nieuwsblad 27 mei 2006  

(2)  Baltussen Konservenfabriek

(3)  Groenten bewaren door de eeuwen heen

(4)  Geschiedenis van Campbell´s

(5)  Geschiedenis van de Leuvense Vaart

(6)  20 nouvelles recettes, uitgegeven door Bert Muysewinkel uit Linden voor Marie Thumas in 1983

(7)   Cresens, André: De Leuvense Vaart - Van de Vaartkom tot Wijgmaal / Aspecten uit de industriële geschiedenis van Leuven. Leuven, uitgeverij Peeters, 2012

(8)  Lt. Kol. Louis Bégault was de bevelhebber van het 34ste Regiment Artillerie tijdens de 18 daagse Veldtocht, en als zodanig gestationeerd in Leuven. Na de Belgische overgave speelde hij een sleutelrol in het Geheim Leger. Hij werd evenwel gearresteerd, en werd in februari 1945 terecht gesteld in het concentratiekamp Dora.

(9)  Lefèvre was een geografe, en de eerste vrouweijke hoogleraar aan de KUL. Ze leefde van 1894 tot 1967

(10)   Wecken: Uitgevonden in 19de eeuw door Duitse fysicus Johann Weck, die het idee doorverkocht aan Georg Van Eyck. Louis Pasteur vond theorie ervoor. De apparatuur werd door producenten als Weck, Rex, VSL, …op de markt gebracht

(11)   Vreemd genoeg wordt Marie Thumas in de rubriek “conserves de fruits” omschreven als een S.A of N.V., maar dat is mogelijkerwijze een spellingsfout: overal elders is sprake van een S.C., zowel in de rubriek “conserves alimentaires”, “conserves de champignons”, “conserves de légumes”, als “conserves de tomates”

(12)    Ongetiteld eindwerk van Rafael Verbeeck over McCain, 2004

(13)   Zie commentaar bij de foto SME001009270 van J. Wittouck, A. Vandenabeele en J. Begault in de Regionale Beeldbank van Mechelen

Behalve via dit Expo-singeltje onderstreepte het merk nog op andere manieren haar erg Belgisch karakter. Zo verschenen de conservenblikjes op bepaald moment ook in Belgische kleuren: rode achtergrond, en geel zwart logo. Heel wat andere Belgische merken deden iets gelijkaardigs, zoals bv. Belga (rookwaren). Uiteraard werd ook in andere landen uitdrukking gegeven aan zulke nationalistische reflexen, zoals in Frankrijk. Het ontstaan van de EG veranderde daar niet altijd iets aan.

(14)    Diepvriesgroenten uit Midden-West-Vlaanderen, een succesverhaal Centrum Agrarische Geschiede

(15)   Cresens, André: De Leuvense Vaart van de Vaartkom tot Wijgmaal - Aspecten uit de industriële geschiedenis van Leuven Deel 1 pp. 132-133 Uitgeverij Peeters, 2012.

(16)   Zie (10) en (11)

(17)   Scana-Noliko NV Historiek

(18) We tasten voorlopig nog in het duister of de familie Ullens de Schooten in Marie Thumas zat via de NV Artal, de investeringsfirma die ook achter Weight Watchers zit

(19) Biografie opgesteld door Michel Duran op 10.11.2014 op basis van volgende artikels uit de Financieel Economische tijd 

10.08.79 Groentekonservensektor : het wordt een lange, hete zomer
11.08.79 Finoutremer verkoopt Le Semeur aan Degeest
14.08.79 Degeest wil merk Marie Thumas aan holding groentekonserven verkopen

plus de artikels uit Trends

25.01.78 Degeest als blikjesvanger bij Marie Thumas
0
1.04.80 Marie Thumas was reddeloos

(20)  Michel Duran stelde deze passage de 12de november 2014 op, ondermeer steunend op een reeks artikelen getiteld “De blikjesoorlog”. Ze zijn van de hand van Leo Schroten, en werden gepubliceerd in De Standaard:
26.2.1980 Deel 1 De strategie
27.2.1980
Deel 2 De bewapening
28.2.1980 Deel 3 Ooh Marie
29.2.1980
Deel 4 Eindoffensief.
Op 28.2.1980 verscheen in dezelfde krant ook nog het artikel Een boekhoudkundig verleden is zo moeilijk te vergeten“ dat eveneens geraadpleegd werd.

(21) Deze passage steunt zo goed als volledig op het interessante artikel: Een chaotisch verhaal: Marie Thumas werd ingeblikt van Piet De Moor in Specator 1 maart 1980 pp 8-11

(22) e-mail verkeer tussen dhr. Michel Duran en Retroscoop begonnen op 21 10 2014. In Deel 3 wordt in de fiches over de West-Vlaamse conservenfabrieken Leguma en Talpe meer over hem en door hem bericht.

(23)   Bonduelle, Bruno: Bonduelle, une famille, une entreprise, une marque (1853-2003) Cent cinquante ans d’agroalimentaire p 68-69

(24)   Bonduelle beste vader voor Marie Thumas (1 aug. 1980) en Marie Thumas wijkt voor Bonduelle

Ook Marie Thumas beweerde in haar oude publicaties dat het erop toezag dat er geen chemische producten werden gebruikt op haar tuinbouwareaal en in haar fabrieken: “Marie Thumas veille à ce que ni dans les champs ni dans l’usine les légumes ne soient traités avec des produits chimiques”

(25)   De groep Verlipack was tot haar faillissement in 1999 de grootste producent in België van holglas voor verpakkingen, met een marktaandeel van 20 % in België en 2 % in de Europese Unie. Zij stelde 735 personen tewerk in haar fabrieken te Ghlin, Jumet en Mol (België), die elk aan een afzonderlijke vennootschap toebehoorden. 

In 1985 heeft de Belgische overheid een deelneming genomen in het kapitaal van Verlipack. De deelneming bedroeg toentertijd 49 % van het kapitaal. De rest van het kapitaal was in handen van een particuliere onderneming, de groep Beaulieu. Door kapitaalverhogingen door de groep Beaulieu is de staatsdeelneming geleidelijk verminderd. In 1996 heeft het Waalse Gewest zijn deelneming in het kapitaal van de vennootschappen Verlipack Ghlin en Verlipack Jumet aan de groep Beaulieu overgedragen. Verlipack was meteen ook de laatste producent holglas.

(26)   Volgens een blogger op “Mechelen blogt” werd dan ook tijdens het hoogseizoen soms een helikopter ingezet om groenten te transporteren. Bij navraag bij Peter Winckelmans blijkt het niet te gaan om transport, maar werd de wentelwiek ingezet om stalen grond op de akkers te gaan nemen. Ook werden stalen van de oogst genomen, zodat men nog voor het oogsten een idee had van de kwaliteit van de groenten op de verschillende percelen. (Waarom dit niet per jeep gebeurde, en of de helicopter de groenten niet beschadigde is ons niet duidelijk)

(27)   Idem (21) p 66

(28)   Blikgroentemerknaam Marie Thumas verdwijnt GVA 18 10 2001

 

 

 
 
database afsluiten