Retroscoop - De Solo-margarinefabriek in Merksem Deel 1 RetroScoop
 
   Industrieel Patrimonium
    
 
 
De ´klik´ naar je gedroomde Klassiekers

De Solo-margarinefabriek in Merksem

Deel 1: de uitvinding van margarine


   

  © 2010, 2012 Benoit Vanhees

Structuur

Inleiding

1.) De origine van margarine
2.) Hoog bezoek uit Nederland
3.) Een Nederlandse primeur: de eerste margarinefabriek
4.)
De bitsige strijd tussen natuurboter en margarine

 
Inleiding

Er zijn zo van die merken, die op nationaal vlak zo´n naambekendheid verwierven, dat iedereen ze wel lijkt te kennen. Mocht je willekeurig mensen in de straat de vraag stellen, ze zouden soms zelfs de kleuren en vorm van het logo (her)kennen, of de bekendste slogans waarmee deze merken ooit reclame voerden kunnen opsommen. De margarine Solo is zo één van die merken, die in menig huishouden een vast plaatsje in de koelkast wist te veroveren.

De geschiedenis die vooraf ging aan de lancering in 1929 van dit merk op de Belgische markt, is nauw verbonden met Nederland en met de multinational Unilever. Alvorens we het verhaal van Solo vertellen, moeten we eerst de voorgeschiedenis van de margarine-industrie schetsen. Net zoals bij het weven van een tapijt moeten daarbij een aantal losse draden op een welbepaald moment worden opgepikt, om zo vervolgens te verwerken tot een kleurig achtergrondverhaal. De hoofdrolspelers hierin zijn de families Jurgens en Van den Bergh uit Nederland, en de gebroeders Lever uit Groot-Brittannië. Maar we beginnen deze korte geschiedenis in het land van Voltaire, Rousseau, Napoleon, De Gaulle en Brigitte Bardot...


1.) De origine van margarine 

Frankrijk werd in die tijd geregeerd door Napoleon III. Deze was in 1848 de eerste gekozen president van het land geworden, maar had zich in na vier jaar regeren in 1852 tot Keizer laten kronen. En zoals het een echte Bonaparte betaamde, was hij ook erg begaan met de militaire macht van zijn land.

Deze belangstelling beperkte zich niet tot wapens, uniformen en de promotie van generaals. Ook de problematiek van een goede en rijke voeding voor militairen was een onderwerp dat hem bezighield. (Misschien dat de catastrofaal afgelopen Russische veldtocht van Napoleon 1 een grote rol speelde in die belangstelling). Het was inderdaad zo, dat soldaten die aan veldtochten deelnamen of matrozen die tijdens zeeslagen werden ingezet vaak te maken hadden met een onevenwichtige voeding, ondermeer gekenmerkt door een gebrek aan dierlijke vetten. Het had bijvoorbeeld niet veel zin om bijvoorbeeld roomboter mee te geven, omdat het product de wel erg vervelende eigenschap heeft dat hij niet erg lang bewaard kan worden, en al snel gaat "schiften".

Zo was Napoleon III geïnteresseerd geraakt in het idee om in een goedkoop vervangmiddel voor dure boter met een lange bewaartijd. Dit zou uiteraard ook de lagere klassen ten goede komen, altijd goed in een woelig land als Frankrijk. Revoluties ontstaan nu eenmaal vaak op de tonen van knorrende, lege magen. Twee vliegen in één klap dus, als iemand met een oplossing kon afkomen.

    

In 1869 vond een Franse geleerde een vervangmiddel voor dure roomboter uit, die hij "Oléo-Margarine" noemde. Zijn ronkende naam was Hippolyte Mège-Mouriès (1817-1880).

Mège-Mouriès had in het verleden al andere kleine uitvindingen op het vlak van de voedselindustrie gedaan. Zo had hij een nieuw procédé bedacht, om op een efficiëntere manier brood op grote schaal te maken, een uitvinding die vooral voor het Franse leger zijn nut bleek te bewijzen. Omdat er verschillende Mèges waren die uitvinders waren en patenten aanvroegen, had hij de familienaam van zijn moeder -Mouriès- achter zijn oorspronkelijke familienaan Mège laten toevoegen. (In heel wat artikels en zelfs op items als het zegeltje hierboven rechts wordt het accent op Mouriès foutief geplaatst, en wordt er Mouriés van gemaakt)

Mège-Mouriès boog zich al sedert 1860 over het vraagstuk van de toepassingsmogelijkheden van dierlijke vetten. In 1866, in de marge van de Internationale Tentoonstelling die in Parijs doorging, schreef Napoleon III een wedstrijd uit, waarbij de winnaar een staatssubsidie zou krijgen om onderzoek te doen naar een lang bewaarbaar en zo goedkoop mogelijk vervangmiddel voor boter. Het was immers gebleken dat de Franse bevolking -net als elders in Europa- onvoldoende vetstoffen innam. Boter bijvoorbeeld was voor de meeste mensen onbetaalbaar geworden.
Tussen 1850 en 1870 was de prijs van boter maar liefst verdubbeld, zodat het in feite een soort luxeproduct was geworden. (1)

Dank zij het handige lobbywerk van zijn leermeester en beschermheer Michel Eugène Chevreul, stond het eigenlijk al in de sterren geschreven dat Mège-Mouriès deze staatsprijs zou binnenrijven. Napoleon III stelde hem een buitenverblijf te Saint-Cloud nabij Parijs ter beschikking, waar hij op zijn gemak kon beginnen experimenteren.

In plaats van lukraak wat producten te mengen, boog hij zich over de vraag hoe melk eigenlijk precies ontstaat: haalde de koe de bestanddelen uit haar voeding, zoals uit gras, of sprak het haar eigen vetreserves aan ? Door een koe enkel met water te voeden, ontdekte hij, dat de melk nog steeds een grote hoeveelheid vetstoffen bevatte: de koe sprak met andere woorden haar eigen vetreserves aan om melk te kunnen produceren. Vertrekkend vanuit deze kennis, begon hij nu te experimenteren. Zijn vertrekpunt waren rundvetten, die hij zachtjes liet smelten. Door deze substantie onder hydraulische druk te zetten, bekwam hij producten die thans stéarine en oleo-margarine genoemd worden. Door deze oleo-margarine en andere substanties, waaronder water en zowaar fijngemalen koeienuier met melk te mengen, bekwam hij een witte emulsie. Zijn eindproduct was nog lang niet hetzelfde als de margarine die we vandaag kennen, maar het was al een eerste grote stap. Zo was het amper half zo duur als echte boter. Voor een commerciële exploitatie was het product echter lang nog niet wat het moest zijn. (2)

Zijn leermeester en beschermheer Michel Eugène Chevreul had in het verleden verkeerdelijk aangenomen dat er een product bestond, dat hij "margarinezuur" had genoemd, omdat hij bij bepaalde experimenten met dierlijke vetten had gezien dat er kleine "pareltjes" of druppeltjes ontstonden. Het Griekse woord "margaron" betekent "parel", en zo was het woord margarine ontstaan. Gedurende 40 jaar nam men verkeerdelijk aan, dat dierlijke vetten bestonden uit drie soorten vetzuren, waaronder margarinezuur, een product dat in feite niet bleek te bestaan. (3)

 

2.) Hoog bezoek uit Nederland

Mège-Mouriès was in de eerste plaats een wetenschapper die zich had vastgebeten in de problematiek van de synthese van een goedkoop vervangmiddel voor roomboter. De man was veel minder geïnteresseerd in de commerciële kant van de zaak. Niettemin nam hij toch patenten op zijn uitvinding die geldig waren in Frankrijk, Engeland en Pruisen. In 1873 bekwam hij eveneens een patent in de VS.

In 1870 brak de Frans-Duitse oorlog uit. Een overmoedige Napoleon III had het zich verenigend Duitsland de oorlog verklaard, hetgeen hem zuur zou opbreken. Een kleiner maar beter getraind "Duits" leger versloeg de Fransen, en omsingelde zelfs Parijs. De Parijzenaars hadden nu wel genoeg van hun avontuurlijke keizer, die na een bloedige revolutie in de hoofdstad werd afgezet.

Na de Frans-Duitse oorlog, ergens in 1871 kreeg Mège-Mouriès een voornaam bezoek uit het kleine stadje Oss in Nederland. Jan Jurgens was de zoon van de katholieke ondernemer Anton Jurgens, de belangrijkste boterhandelaar van Europa. Via de familie Cordeweener uit ´s Hertogenbosch had de familie Jurgens vernomen dat een Fransman een manier had gevonden om kunstboter te maken. Nu moet men goed begrijpen dat de vraag in Engeland naar boter in steeds toenemende mate het aanbod overtrof, en boterhandelaars steeds verder over Europa moesten uitzwermen om boter voor de Britten te vinden. Gezien boter gemakkelijk kan bederven, betekende dit dan ook het opzetten van perfect werkende internationale transporten. Wie dus "kunstboter" in zijn eigen fabriek kon maken, moest zich daar allemaal niet langer over te bekommeren. De Jurgens-clan was dus zeer geïnteresseerd in deze tip, en er werd besloten op Jan Jurgens naar Parijs te sturen. Mocht de Franse kunstboter een gouden greep blijken te zijn, dan werden de Cordeweeners een mooie compensatie in het vooruitzicht gesteld.

Over hoe de onderhandelingen tussen Mège-Mouriès en Jan Jurgens precies verlopen zijn bestaan uiteenlopende interpretaties. Naar verluidt hebben de Jurgens-en zelf nogal wat mist gespoten, door het verhaal wel heel fantasievol te vertellen. Zo beweerde de familie dat Mège-Mouriès ondertussen straatarm was geworden, ten gevolge van de Frans-Duitse oorlog. Dit bleek in feite larie te zijn. (4)

Wat precies de overeenkomst tussen Jurgens en de Franse uitvinder inhield is niet helemaal duidelijk. Het vermoeden bestaat dat de som van 60 000 Francs die hij aan Mège-Mouriès betaalde, enkel betrekking had op een demonstratie en op de overdracht van de kennis omtrent het productieproces. Ook kocht hij blijkbaar de patenten voor Frankrijk en Engeland op, met die bedenking dat het ging om een product dat nog niet klaar was voor commerciële exploitatie. Hetgeen Mège-Mourriès had uitgevonden was al bij al nog een vrij onappetijtelijke emulsie, die zowel qua geur als qua kleur verbeterd diende te worden. Maar de familie Jurgens blijkt meteen door te hebben gehad, dat ze een potentieel zeer lucratief product binnenhaalden.

Wel was het zo, dat Jurgens geen patent in eigen land kon opnemen: de wetgeving op uitvinderspatenten die uit 1817 dateerde, was namelijk in 1869 opgeschort geworden. In die periode woedde er in verschillende landen een verhitte discussie over de vraag of men intellectuele eigendom wel kon of mocht beschermen. In Nederland waren de tegenstanders van zulke bescherming er blijkbaar in geslaagd om de opschorting van de bestaande wetgeving door het parlement te loodsen. (naar verluidt bleef deze situatie tot in 1910 duren). Zoals verder zal blijken, kreeg de familie Jurgens dan ook snel navolging op eigen bodem, meer bepaald van zijn grootste concurrent in de botersector, Simon van den Bergh, die zich net als Jurgens in Oss kwam vestigen.

Of de Cordeweeners uiteindelijk beloond zijn geworden voor hun gouden tip is niet duidelijk. Wel blijken de twee families uiteindelijk elk hun weg te zijn gegaan. De patenten die Jurgens van Mège-Mouries gekocht had verhuisden daarop naar de S.A. d´Alimentation met zetel in Aubervilliers, nabij Parijs. Anton Jurgens bezat de meerderheid van de aandelen van dit fabriekje. Het was hier dat de ondernemersfamilie begon te experimenteren om tot een commercieel aantrekkelijk product te komen. Zo werden betere dierlijke vetten uitgekozen als deze die de Franse uitvinder had gebruikt. Er werden eveneens plantaardige vetten uit verschillende planten gewonnen en uit verschillende landen. Ook werd gezocht naar het verbeteren van de aroma van de melk die bij de fabricage gebruikt werd. Dit leidde uiteindelijk naar een eindproduct, dat al heel veel gelijkenissen had met de huidige margarines. (5)

Mège-Mouriès ondernam ondertussen pogingen om op de Amerikaanse markt door te breken met zijn uitvinding. Hij had daarvoor in 1873 een octrooi voor aangevraagd en verkregen.

 

 


Frank Leslie´s Illustrated Newspaper, 1884
Aan de hand van tekeningen van C.B. Bunnell
probeerde de krant de mensen uit te leggen hoe
margarine of "bogus butter" gemaakt werd
 


Uiteraard moesten de mensen eerst nog uitgelegd worden wat margarine was, hoe het gemaakt werd, waarom het zeker een aanvaardbaar alternatief was voor natuurboter... Net als in onze contreien bestond er een zekere achterdocht tegenover het nieuwe product, en er was de typische reflex dat als het zo goedkoop was, het niet echt goed kon zijn. Maar veel Amerikanen hadden het niet erg breed, en de margarine begon successen te boeken. Dit maakte de boterindustrie erg zenuwachtig, en een aantal producenten bundelden hun krachten in een lobbygroep. Deze begon al snel te ervoor te ijveren om margarine stokken in de wielen te steken. De snelheid waarmee dit gebeurde, laat vermoeden dat margarine al veel harten had gewonnen. Reeds in 
1877 kwamen er wetten die speciale belastingen op de prmargarineoductie instelden, en wie margarine wou verkopen, moest zich een dure verkoopslicentie aanschaffen. 

Hiermee kreeg de hoop van Mège-Mouriès op een grote doorbraak van "zijn" margarine op de nochtans veelbelovende Amerikaanse markt kreeg dan ook al snel flinke knauwen. 

De margarinefabriek in Aubervilliers bleef alleszins tot in de 1920´s bestaan, eerst als Margarine Mouriès, dan als Mouriès et Tricoche Réunis. De firma werd ook aangeduid als Magra. De verenigde bedrijven produceerde toen de margarines Mouriès en Sat. 

    

   

Na zijn dood in 1880 werd Mège-Mouriès op het Parijse kerkhof van Père-Lachaise begraven, een eer die niet iedereen zo maar te beurt viel. Hoewel zijn naam vandaag de dag, net als die van zijn landgenoot Nicolas Appert niet zo bekend is, zou het dus verkeerd zijn, de dingen voor te stellen alsof hij arm en vergeten aan zijn einde kwam.

Hoewel hij als uitvinder van de margarine geldt, en een fabriek in fabriek oprichtte, stond de allereerste echte margarinefabriek van de wereld op Nederlands grondgebied. Daarvoor moeten we weer de draad weer oppakken bij de familie Jurgens uit Oss.


3.) De eerste margarinefabriek

Zoals we gezien hebben, liet Jan Jurgens zich op vraag van zijn vader door Mège-Mouriès demonstreren hoe hij zijn oleo-margarine maakte. Dit productieproces werd echter niet gewoon klakkeloos overgenomen. Het eindproduct bleek nog voor verbeteringen vatbaar, en de ondernemersfamilie bouwde een installatie uit, waar verder geëxperimenteerd werd.

In 1871 startten Anton Jurgens en zijn zonen Jan, Hendricus en Arnold met de productie van margarine in hun "Stoomboterfabriek" in Oss. Dit Noord-Brabants stadje ligt halverwege tussen ´s Hertogenbosch en Nijmegen. De fabriek werd de allereerste margarinefabriek ter wereld. De verwijzing naar "stoom" in de fabrieksnaam kwam omdat het productieproces met stoommachines gebeurde. Eerst werd een jaar geëxperimenteerd met een "locomobiel". In 1872 werd deze vervangen door een niet vast gemonteerde stoommachine. Jan Jurgens begon een eigen margarinefabriek, die echter in 1894 weer stopgezet werd.

Overigens probeerden de pioniers zoveel mogelijk te suggereren dat hun margarine een soort boter was, en zelf vermeden ze dus om het nog weinig bekende woord margarine te gebruiken.

In hetzelfde decennium werd ook besloten om de witte substantie te kleuren, zodat hij meer op echte roomboter zou lijken. De Venlose apotheker Lodewijk van der Grinten (1831-1895) was vanaf 1877 één van de talloze apothekers, die een eigen, goedbewaarde formule voor een "boterkleursel" bedacht. In de winter, wanneer de dieren op stal staan, is boter witter dan tijdens de zomermaanden. Al snel bleek dat kopers liever gele hadden, zodat producenten op zoek gingen naar leveranciers van kleurstoffen. De meeste apothekers baseerden hun kleurstof op caroteen, dat ook in wortels voorkomt. Van der Grinten bleek al snel in commercieel opzicht de meest succesvolle. Zijn "business" groeide gestadig, en in 1889 begon hij met een fabriekje, de Nederlandse Chemische Fabriek L van der Grinten N.V.

Deze firma breidde systematisch haar kleurstoffengamma uit, tot ondermeer ook het blauw dat gebruikt werd voor blauwdrukken. Uit deze eerste stappen in de drukkerijwereld groeide later -in 1972 om precies te zijn- de multinational Océ. (toners, kopieerapparaten, bedrukken van textiel...)

De productie van de Stoomboterfabriek was oorspronkelijk trouwens niet bestemd voor Nederland zelf. Jurgens richtte vooral zijn pijlen op de Britse markt. Het Britse parlement nam al snel wetten aan, die zich richtte tegen de margarine van Mège-Mouriés. In 1883 kwam het dan ook tot een proces tegen Jurgens, die echter kon aantonen dat zijn product nogal afweek van de oorspronkelijke formule. De verovering van de Britse markt kon beginnen.

Pas het jaar daarop, in 1884, maakte Jurgens ook werk van de Nederlandse markt. Dat was dus 13 jaar nadat hij met zijn fabriek in Oss begonnen was. Al snel stond de Nederlandse botermarkt in rep en roer, vanwege deze zeer achterdochtig nagekeken nieuwkomer, die men zoveel mogelijk op echte boter trachtte te doen lijken. Heel wat boterproducenten begonnen daarop te lobbyen voor een strengere wetgeving, en in 1889 werden de producenten van "kunstboter" in Nederland verplicht om hun product uitsluitend als margarine te commercialiseren. 

Jurgens ging tot een andere vernieuwing over: hij besloot zijn margarine in een herkenbaar inpakpapier te verkopen. Herkenbare verpakkingen waren in die tijd een nieuwigheid. Ook de Britse zeepfabrikant Lever Brothers -waarover verder meer- deed iets gelijkaardigs. Zij bedachten een merknaam voor hun zeep, wat ook een vernieuwing was, en besloten hun Sunlight zeep in een gemakkelijk herkenbare papieren verpakking te wikkelen.


De Margarinefabriek van Jurgens in het landelijke Oss


Dat Jurgens niet de formule of een octrooi van Mège-Mouriès had gekocht, werd in 1872 duidelijk. Het jaar nadat hij met zijn margarinefabriek was gestart, kwam een andere belangrijke boterhandelaar, Simon van den Bergh zich eveneens in Oss vestigen. Volgens zijn zoon Simon jr. hoorde zijn vader op de volgende manier over het bestaan van margarine:

‘Bij de firma Jurgens ging alles zeer geheimzinnig toe en wij wisten niet precies wat daar gebeurde totdat, wij herinneren het ons nog levendig, op een avond de heer Jan Jurgens bij onze Ouders binnenkwam met een schoteltje boter in de hand, waarvan hij Vader liet proeven, die op dit gebied als een groot fijnproever bekend stond. Op de vraag wat Vader van die boter dacht, antwoordde hij, dat zij naar vet smaakte, waarop Jurgens erkende dat zij inderdaad van vet was gemaakt; dat het een nieuw produkt was, een soort kunstboter, en dat niemand het kon namaken, omdat het artikel in alle landen gebreveteerd was." (6)

Of dit verhaal echter klopt, is niet zeker. In beide families werd er nogal wat aan mythevorming gedaan, en het is moeilijk nog te achterhalen wat waarheid is, en wat gefantaseerd. (De familie Jurgens van haar kant hield graag het beeld op van een berooide Mège-Mouriès, iets wat ook niet met de werkelijkheid schijnt te zijn overeen gekomen)

Wellicht nam van den Bergh gewoon een aantal ex-werklieden van bij zijn concurrent in dienst, en ontfrutselde hij zo de formule om margarine te maken. Net als Jurgens zou hij echter aan deze kennis blijven sleutelen, om uiteindelijk met een margarine af te komen, die kwalitatief beter was als die van Jurgens, maar ook duurder. De twee firma´s waren weldra in een bittere concurrentie-strijd gewikkeld. In 1878 volgde nog een derde fabriek, dat van Knoek en Cohen. (7)

De aantrekkingskracht die Oss uitoefende op deze verscheidene fabrikanten had te maken met de aanwezigheid sedert 1768 van een boterwaag in deze kleine stad. Dit zijn plaatsen waar de verkoop van boter onder toezicht stond, zowel qua kwaliteit als gewicht. Met beide aspecten van de dure boter werd op normale marktjes wel vaker gefoefeld. Oss ligt ook niet zo ver van Duitsland, een potentiële groeimarkt. Tot slot betekende de aanwezigheid van drie fabrieken, dat de ene werkgever beroep kon doen op gespecialiseerde arbeidskrachten, die er bij één van de twee andere de brui aan hadden gegeven. Toch waren er ook heel wat bezwaren die ingeroepen konden worden. Deze hielden vooral verband met de slecht uitgebouwde transportmogelijkheden. Oss kreeg pas in 1881 een station naast de spoorlijn die ´s Hertogenbosch met Nijmegen verbond. En wanneer van den Bergh luidop begint te dromen van een kanaalverbinding met de Maas, deed Jurgens al het mogelijke om dit plan te dwarsbomen. Met succes overigens. Die verbinding zou er pas in... 1963 komen. En een kleine haven in Oss kwam er pas nog eens vijf jaar later. 

In de 19de eeuw was er weliswaar in Lithoijen -een dorpje dat deel uitmaakte van Oss- een kleine haven. Maar dat betekende dat het vervoer vanuit de fabriek eerst een zekere afstand met paard en kar moest overbruggen. Niet erg efficiënt allemaal, zeker niet als een belangrijk deel van de export naar Engeland moet. 

Niettemin, Oss bleef verschillende jaren het wereldcentrum van de margarineproductie. Naast de drie reeds vermelde producten begonnen ook een heleboel mensen op zelfstandige basis margarine te produceren. Rond 1880 waren er maar liefst 70 producenten in Oss, een aantal dat vanaf dan begon terug te lopen. Sommigen gaven er de brui aan, anderen werden door de grotere spelers opgekocht. Nederland behield tot in 1891 de leiderspositie op het vlak van de margarineproductie, waarna het sedert 1871 ééngemaakte Duitsland die koppositie innam. Het zou ons veel te ver leiden om alle Duitse firma´s op te sommen, maar om met één voorbeeld te volstaan, in 1872 ontstond de firma Perplex" in Frankfurt. 

Over de Duitse markt gesproken... In 1888 richtte Jurgens een fabriek in het Duitse Goch, net over de Nederlands-Duitse grens. Deze firma heette Jurgens & Prinzen. Hij werd daarin meteen gevolgd door van den Bergh, die nog hetzelfde jaar iets gelijkaardigs deed in Cleve / Kleef. De reden voor deze expansie vlak over de grens was dat Duitsland hoge invoerrechten oplegde aan de geïmporteerde margarine, om zo hun eigen producenten te beschermen. Door fabrieken in Duitsland te openen, omzeilden de Nederlanders deze tolbarrières, een klassiek trucje.

  
Wie goed naar dit briefhoofd uit 1914 kijkt, ziet links een
margarinepakje
van het merk... Solo... Een gegeven dat in
Deel 2 van deze artikelenreeks  zo haar belang zal krijgen...

In hetzelfde jaar overleed Anton Jurgens, waarna het bedrijf door zijn 21-jarige zoon Anton (jr.), de oudste van 9 kinderen werd overgenomen.

In 1891 verliet Jurgens´ concurrent van den Bergh het stadje Oss, en verplaatste zijn bedrijf naar Rotterdam. Ook Jurgens speelde reeds in die tijd met het idee van een verhuis, meer bepaald naar Engeland, gezien het belang van de Britse markt voor de margarinefabrikant. In zijn geval zou het echter niet zo´n vaart lopen voor wat betreft een verhuis.


4) De bitsige strijd tussen natuurboter en margarine

De uitvinding van margarine zou tot een wereldwijde en soms zeer verregaande commerciële strijd leiden tussen de fabrikanten van natuurboter en margarineproducenten. In essentie kwam het er steeds op neer, dat boterproducenten er bij lokale en nationale politici op aandrongen, om allerlei maatregelen op te leggen om de doorbraak van margarine te vertragen of zelfs compleet te verbieden. Er ontstonden bendes, gespecialiseerd in de lucratieve smokkel van margarine, zoals groepen die vanuit Canada margarine in de VS binnensmokkelden.

 

Kleurrijk doosje van de Baltimore Butterine co. (1930´s)
In de VS werd minstens tot in de 1950´s de
term oleomargarine gebruikt
 
Omwille van het gevaar dat oplichters margarine voor de duurdere boter zouden laten doorgaan, werden in verschillende landen wetten gestemd, die garanties moesten bieden aan de boterhandel. In Frankrijk bijvoorbeeld, verschenen er al vanaf 1897 strenge wetten, die in 1925 nog eens verstrengd werden. De vertrouwde kubusvorm van de Solo-pakjes, was geen toeval. Zo schrijft de Larousse Ménager Illustré omtrent de Franse wetgeving uit 1925 (vrij vertaald):

"Volgens de wet van 25 december 1925 mag margarine enkel in dezelfde lokalen als boter te koop worden aangeboden, op voorwaarde dat dit in de vorm van kubussen van hoogstens 500 gr. gebeurt, in een verpakking die op ten minste 4 zijden het woord margarine vertoont, de naam en het adres van de fabrikant, alsmede de samenstelling van het product. Elke andere inscriptie, met uitzondering van een commerciële merknaam is uitgesloten. In de winkel moet een bord uithangen waarop het woord Margarine in letters van minstens 10 cm. hoog wordt vermeld." (8)

Ook in ons land werden er in België gelijkaardige regels goedgekeurd.

a) verplichting van de kubusvorm

b) de vermelding "margarine" moest in een speciaal, smal en hoog lettertype op de pakjes worden vermeld

c) boven de uitstalling van de pakjes moest een wit bord van 40 op 20 cm worden aangebracht, met in zwarte letters het woord "Margarine" op.

In ons land bestonden voorts ook controlekaarten voor boter en margarine, voorzien van gekleurde stroken. Inspecteurs van een voorlopig niet geïdentificeerd ministerie (Gezondheid ? Financiën ? Economie ?) moesten een sneetje in het midden van een pakje nemen, en de kleur vergelijken met de strookjes. We nemen aan dat deze controles nog in de fabriek zelf gebeurden.


Zoals verder zal blijken werd deze wetgeving in ons land pas rond 1985 versoepeld. We nemen aan dat dit gebeurde op aandringen van "Europa" (?).

In de VS werd deze wetgeving rond de kubusvorm blijkbaar niet overgenomen. In een aantal staten echter werd wetgeving aangenomen, die het verbood om margarine een boterkleur mee te geven, zoals Ledewijk van der Grinten dat in Nederland deed. Men hoopte op die manier, dat heel wat mensen hun rug zouden keren naar het minder appetijtelijk uitziend witte smeersel. Zo´n wetten kwamen er vooral in de VS, Canada en Australië. In dat laatste land bleef zulke wetgeving in een aantal staten zelfs nog tot in de 1960´s van kracht. In weer andere staten probeerde de boterlobby dan weer de margarineproducenten juist te verplichten om hun kunstboter te kleuren, maar dan bv. roze ! 

De inzet was big business, en de lobby van boterproducenten waren duidelijk niet van plan om zich zo maar te laten doen. In tijden van crisis echter, wanneer de prijs van de boter te hoog werd, waren heel wat gezinnen blij dat er een goedkoper alternatief voor handen was. Op deze manier won de margarine in heel wat Amerikaanse staten aan terrein.


Reclame uit 1919, die handig
inspeelt op de stijgende boterprijs

 

In een aantal landen bleek de opmars van margarine evenwel onstuitbaar, en vandaag de dag zijn er verschillende landen in de wereld, waar het margarineverbruik dat van roomboter overtreft.

Het feit dat heel wat verkopers van natuurboter vaak met de kwaliteit knoeiden is daar niet helemaal vreemd aan. Zuid-Nederland verwierf een zeer kwalijke reputatie in Engeland, omdat er vaak boter van uiteenlopende kwaliteit gemengd werden. Sommige handelaars lengden goede boter aan met goedkope ingrediënten. In Engeland was de vraag naar boter toch veel groter als het aanbod, en de handelaars permitteerden zich soms wel heel veel.

Wie echte goede boter wou, was aangewezen op de topkwaliteit die men in Friesland of Denemarken aanbood. Voor de mensen die zich dit niet konden veroorloven was het vaak kiezen tussen slechte boter of (goede) margarine...

In Deel 2 zullen we zien hoe de margarineproductie in ons land op gang kwam...

 

Voetnoten

(1) Pierre-André Mangolte: Controverses du XIXème siiècle sur la "propriété intellectuelle": Suppression des brevets d´inventions aux Pays-Bas en 1869, Bibliothèque Nationale de France

(2) Axa 1 maart 1896- 1921: 25ème Anniversaire de la Société Anonymr Union, Fabrique de Margarine Merxem-Anvers (intern document) en De Margarine blz. 3-4 (Merksem, UMB, ongedateerd)

(3) In 1855 toonde de Duitse chemicus Heintz aan dat de hypothese van het bestaan van margarinezuur een foutieve was. De pareltjes werden in feite door een variant van één van de 2 andere soorten vetzuren gevormd werd.

(4) Een rechtzetting die met brio in het artikel Anton Jurgens (1805-1880) Thuis in Brabant wordt doorgevoerd

(5) Axa 1 maart 1896- 1921: 25ème Anniversaire de la Société Anonymr Union, Fabrique de Margarine Merxem-Anvers (intern document)

(6) S. van den Bergh jr., Het leven van het echtpaar Simon van den Bergh en Elisabeth van der Wielen (Rotterdam 1907, herdruk 1952), 65. geciteerd in: Lintsen, H.W.(red.): Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel I. Techniek en modernisering. Landbouw en voeding. Walburg Pers, Zutphen 1992  

(7) Anton Jurgens´ Margarinefabriek

(8) E. Changrin & F. Faideau: Larousse Ménager Illustré -Dictionnaire de la vie domestique p 637 Parijs, Libraire Larousse, 1926 

 

 

 
 
database afsluiten