Retroscoop - Kroniek van de Cie. Liebig in België: Deel 1: De fenomenale opmars van vleesextract RetroScoop
 
   Industrieel Patrimonium
    
 
 
De ´klik´ naar je gedroomde Klassiekers

Kroniek van de
Cie. Liebig in België

 
Deel 1: De fenomenale opmars van vleesextract

Benoit Vanhees
Versie 2 Maart 2013

     

Inleiding

Er was een tijd dat het voedingsmiddelenbedrijf Liebig in tal van landen een uiterst gerespecteerd en sterk merk was, dat kwaliteit zeer hoog in het vaandel schreef. Als firma had Liebig een heel aparte band met ons land. Het was immers in Antwerpen dat medio 1860´s de eerste fabriek op het Europese vasteland opgericht werd. Op zich in feite al redenen genoeg om een artikel aan de firma te wijden.

Het bedrijf produceerde of commercialiseerde doorheen zijn bestaan een uitgebreid gamma aan producten, gaande van Oxo bouillon tot erwtjes in blik, van soepen tot visconserven. Het hanteerde daarbij met succes de klassieke marketingstrategieën, met als bekendste hoekstenen de Liebig chromo´s voor kinderen en een uitgebreide reeks aan receptenboekjes.

Vandaag de dag bestaat de firmanaam Liebig nog steeds, maar de achterliggende bedrijfsstructuur werd in delen opgesplitst en apart verkocht aan een aantal grote multinationals. Een beetje zoals bij een geslacht rund ging daarbij de ene poot naar Campbell´s, de andere naar Unilever, en ook de Danone-groep schoof op gegeven moment mee aan de feestdis. De precieze opdeling verschilt overigens nog eens van land tot land. In ons land lijkt de Liebig-firmanaam beetje bij beetje van de winkelschappen te verdwijnen, waar ze systematisch (?) door merken als Campbell´s, Royco of Ducros vervangen wordt.

In deze artikelreeks wordt in het kort het ontstaan van Liebig als internationaal voedingsmiddelenbedrijf geschetst. Vervolgens zal meer specifiek worden stilgestaan bij de verschillende installaties die de ooit zo bloeiende multinational verspreid over het grondgebied van ons land bezat, het uitgebreide productengamma en de reclamevoorwerpen die de verkoop in ons land moesten aanzwengelen. De manier waarop de reclame gevoerd werd, werd inderdaad per land in meer of mindere mate anders ingevuld.

In deel 1 zullen we het hebben over wat allemaal vooraf ging aan het ontstaan van het voedingsmiddelenbedrijf. Om dit te kunnen vertellen, zullen drie losse verhaallijnen moeten worden ontward, eer ze weer in elkaar gevlochten kunnen worden. Het ontstaan van deze firma is een inderdaad een vrij complex en erg kosmopolitisch verhaal, waarbij mensen en plaatsen uit verschillende landen een rol speelden. Oordeel zelf: de eerste installaties van Liebig werden onder een andere naam in Uruguay opgetrokken, op aanwijzingen van een vermaarde chemicus uit het Groot Hertogdom Hessen in het toen nog niet ééngemaakte Duitsland met geld uit België en Engeland. Nieuwe aandelen van het ambitieuze bedrijf werden al snel op de Londense beurs verhandeld, terwijl de allereerste bedrijfsgebouwen op het Europees vasteland dan weer in België werden opgericht.

De kroniek van de firma begint bij de vermaarde professor Justus von Liebig. Over deze veelgeprezen en gelauwerde wetenschapper werden reeds tientallen en tientallen boeken geschreven. Het is hier dus uiteraard niet de bedoeling om dit nog eens helemaal over te doen, laat staan nieuw materiaal naar boven te spitten. Niettemin moet het personage wiens naam aan het behandelde bedrijf gekoppeld zou worden noodzakelijkerwijze in een aantal ruwe trekken geschetst worden. Wel belangrijk is dat de zeer schaarse gegevens over Georg Christian Giebert voor het eerst allemaal samengebracht werden, een deelaspect dat in de toekomst hopelijk nog verder uitgediept kan worden.

In deel 2 komen de installaties van Liebig in ons land, waaronder het historisch verdeelcentrum en de fabriek in hartje Antwerpen aan bod. Uit welke afdelingen bestonden ze, welk beeldmateriaal bestaat er van de buiten- en binnenkant van deze site, wat weten we over de machines die er stonden, hoe zagen de bedrijfsvoertuigen en “uniformen” van het personeel er uit en wat schiet daar vandaag de dag allemaal nog van over... Na WO 2 week de fabriek uit naar Schoten: hoe zag die fabriek eruit, en welke sporen herinneren nog aan dat Liebig verleden ? De firma had voorts nog op andere locaties kleinere, minder bekende afdelingen: ook over deze installaties zal het soms zeldzame materiaal zoveel mogelijk bijeen gebracht worden. In deze rubriek past ook een weinig bekende passage uit WO 2...

In de 19de eeuw, toen Liebig als firma begon door te breken, dienden zich nog een aantal andere spelers op dezelfde markt aan. Deze zullen in het kort in dit artikel voorgesteld worden, gewoon om duidelijk te maken dat Liebig het in de aanvangsjaren met heel wat concurrentie te maken heeft gehad. Een gegeven dat trouwens zo nu en dan ook een juridisch staartje heeft gekregen. Gaandeweg deed zich een concentratie voor, waarbij een aantal van die spelers weer verdwenen, of opgeslorpt werden door de grotere firma´s, waaronder Liebig. Deze aspecten kunnen helaas niet al te zeer in detail bestudeerd worden, omdat het verhaal anders te zeer zou uitdijen.

In deel 3 zal dan het productengamma zoveel mogelijk in kaart worden gebracht, inclusief afbeeldingen van de verpakkingen. Tevens zal er veel aandacht besteed worden aan de talrijke en uiteenlopende Liebig reclamevoorwerpen. Meteen toch erbij vertellen dat daarbij niet zal getracht worden om de wereldbekende “Liebig chromo´s” in detail te bespreken. Dit deelaspect is een hele “wetenschap” op zich, waaraan een aantal vermaarde binnen- en buitenlandse experts reeds tal van gespecialiseerde werken en catalogi besteed hebben. De chromo´s zullen dan ook louter als een onderdeel van de reclamestrategie van Liebig aan bod komen.

Tot slot ook even meegeven dat het Liebig-verhaal -zoals steeds op deze website- vanuit de retro-invalshoek werd opgevat. Het werd dan ook bewust in de tijd beperkt, meer bepaald tot de sluiting van de fabriek in Schoten. Hetgeen hierna met de firma in ons gebeurde is bijzonder complex, en vanuit de gevolgde invalshoek minder interessant. Uiteraard kan de Liebig-saga in ons land echter niet abrupt worden onderbroken zonder de recentere geschiedenis enigszins weer te geven. We zullen ons daarbij echter noodgedwongen tot enkele algemene conclusies beperken.

Zoals steeds op Retroscoop zal de oorspronkelijke tekst van deze artikelenreeks gaandeweg worden aangevuld, wanneer op nieuwe gegevens gestoten wordt. We formuleren dan ook heel uitdrukkelijk de hoop dat lezers die extra puzzelstukjes aan deze kroniek kunnen toevoegen ons zouden contacteren via info@retroscoop.com. Zo zullen er misschien tussen de lezers mensen zijn, die meer kunnen vertellen over de kleinere installaties van Liebig in Zandvliet, Walem, Meer of over de extra burelen die ooit in Brussel geopend werden.

We beginnen dit Deel 1 met in het kort Professor Justus von Liebig voor te stellen, trekken vervolgens naar Latijns-Amerika, waar een wat schimmige maar ondernemende spoorwegingenieur een zeer belangrijke bijdrage zou leveren tot het begin van de industrialisering van het continent. Vervolgens meren we weer eventjes aan in Antwerpen, als opstapje naar Deel 2, waar we dat verhaallijn weer met twee handen oppakken.

Structuur van het artikel

1) De kracht van vlees
2) Justus Liebig: van weetgrage autodidact tot gevierde hoogleraar
3) Liebig en het vleesextract
4) Georg Christian Giebert (1815-1874), een ondernemende spoorwegingenieur
5) Explosieve groei van een nieuwkomer
6) De industriële productie van vleesextract in het kort
7) Promotie
8) Bouillon, het vleesextract voor de lage klasse
9) Een stadje krijgt gestalte
10) Hoe Antwerpen in het verhaal opdook
11) Fray Bentos wordt Anglo


1) De kracht van vlees

Reeds ten tijde van de oermens stond vlees soms op het menu. Iedereen zal zich wel de wat naïeve chromo´s uit zijn of haar kindertijd herinneren, waarop woest uitziende “jagers-voedselverzamelaars” met primitieve wapens angstaanjagende mammoeten of andere wilde dieren in de val lokten en doodden. Later evolueerde de mens naar een meer sedentaire levenswijze. De voedselvoorziening gebeurde daarbij dank zij landbouw en veeteelt. De veestapel zorgde niet alleen voor trekkracht, melk, wol of leer, maar ook voor vleesconsumptie. De mens was dank zij de domesticatie van dieren minder afhankelijk van het succes van altijd wel riskante jachtpartijen.

Het is niet helemaal duidelijk vanaf wanneer mensen zich begonnen te interesseren voor wat er zich precies in vlees bevond, dat hen kracht en robuustheid leek te verschaffen. Minstens sedert de 17de eeuw, misschien wel ervoor probeerden genezers die kracht uit vlees te isoleren, en verschenen de eerste versies van wat men later “vleesextract” zou noemen. Ondanks lokale variaties draaide het principe altijd rond hetzelfde. Door het vlees te verwarmen in water, hoopte men dat deze kracht verschaffende bestanddelen in de vloeistof zou oplossen. Een aantal geneesheren maakten op deze wijze brouwsels waarmee ze zieken en verzwakte patiënten hoopten te genezen, met wisselend succes uiteraard. De precisie samenstelling van hun “vleesgelei” zoals het toen genoemd werd, verschilde niet alleen volgens de geografische regio maar ook volgens de sociale afkomst en geldbeurs van de patiënt. Niet alleen genezers raakten meer en meer geïnteresseerd in deze denkpiste. Ook de “chefs” ten dienste van vorsten en kasteelheren waren ook wel altijd op zoek naar nieuwigheden. In de 18de eeuw verscheen dan ook de term “glace de viande” in een aantal op kleine schaal gepubliceerde receptenboekjes. Een andere term voor min of meer hetzelfde product waarmee genezers experimenteerden. Deze voorlopers effenden het pad voor het vermaarde “vleesextract”, een product dat in de tweede helft van de 19de eeuw stormenderhand de keukens en apotheekkastjes van de rijkere consumenten zou inpalmen.

Vaak wordt Baron Justus von Liebig (1803-1883) gezien als de “uitvinder” van vleesextract of zelfs van de term. Dat laatste is aantoonbaar incorrect. Zo publiceerde Dr. von Velsen uit Cleve reeds in 1810 het artikel “Fleisch-Extract, ein sehr wirksames Nahrungsmittel, und dessen Bereitung” in de Neues Archiv für medizinische Erfahrung, uitgegeven in Berlijn. (1) Justus Liebig was op het moment dat dit werkje gepubliceerd werd een nieuwsgierige en weetgrage knaap van amper 7 jaar, die met verwonderde ogen in de drogisterij van zijn vader rondliep. Iets te jong dus om als bedenker van de term “vleesextract” door te kunnen gaan.

In zijn artikel van 1810 beschrijft von Velsen hoe hij een soort “Kraftbouillon” maakte, en daarmee verzwakte patiënten aan de beterhand hielp. De verwarring die soms heerst omtrent de precieze bijdrage van Justus Liebig is echter begrijpbaar. De beroemde chemicus mag dan al noch de term, noch het product zelf hebben uitgevonden, hij zou wel een uiterst cruciale rol gaan spelen bij het “populariseren” van vleesextract.

2) Justus Liebig: van weetgrage autodidact
tot gevierde hoogleraar
 

Justus Liebig (1803-1873) groeide op in Darmstadt (Hessen) als 2de kind in een gezin van 10. Zijn vader baatte er een drogisterij uit, waar o.a. verfstoffen en speciale eigenhandig vervaardigde preparaten verkocht werden. De kleine Justus bleek al snel gefascineerd door dit mysterieuze wereldje van kleurige poedertjes en zonderlinge flessen. Het prikkelde zodanig de nieuwsgierigheid van de opgroeiende jongeling, dat hij gaandeweg het ene chemieboek na het andere uit de lokale Hertogelijke bibliotheek begon te verslinden. Ook lokale leerlooiers, ververs en zeepzieders uit de buurt bleken een goudmijn aan informatie. Zij verklapten zo nu en dan wel eens enkele beroepsgeheimen aan de weetgrage knaap, die zo geboeid was door chemische processen en hun praktische toepassingen. (2)

Op 15 jarige leeftijd onderbrak Justus Liebig zijn middelbare studies. Hij werd daarop leerjongen bij een apotheker in de Bergstrasse in Heppenheim. Deze opleiding werd echter voortijdig afgebroken, nadat een streng “Verboten” chemisch experimentje op een zolderkamer een ontploffing had veroorzaakt. Een trial & error-periode die ook de geniale Thomas Edison later zou doorlopen. Waar de eerste een beschadigd dak op zijn geweten had, takelde Edison een spoorwegwagon goed toe met zijn experimentjes.

Dank zij de financiële steun van zijn vader kon de nog steeds erg enthousiaste Justus vanaf 1819 chemielessen in het stadje Bonn in Nordrhein Westfalen gaan volgen. Hij kreeg er ondermeer onderricht van een zekere Prof. Karl Wilhelm Gotlob Kastner (1783-1857) Toen deze in 1821 naar Erlangen afreisde, volgde Liebig hem mee naar het Beiers stadje, kwestie van nog meer ervaring op te doen. Na zijn deelname aan studentenprotesten aldaar werd hij echter door de Beierse politie gezocht. Het was voor Liebig dan ook veiliger om niet in Erlangen te blijven rondhangen. Gewapend met een lovende aanbevelingsbrief van Prof. Kastner trok Liebig vervolgens naar het paleis van Groothertog Ludwig in zijn geboortestreek Hessen.


Justus Liebig in zijn jonge jaren

Blijkbaar was de staf van de Groothertog erg onder de indruk van de leergierigheid en ambities van de jongeman. Er werd hem dan ook een studiebeurs ter beschikking gesteld, die Liebig in staat stelde om naar de Sorbonne in Parijs te trekken. In die periode was deze universiteit zowat het epicentrum voor wie zich in de ontluikende chemie wou verdiepen. Hoofd van het befaamde labo aan de Sorbonne was Louis Gay-Lussac (1778-1850), de man die als eerste de samenstelling van een aantal gassen wist te ontleden. Zijn rechterhand was de Duitse wetenschapper en ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt (1769-1859). Liebig kwam ook in contact met wetenschappers als Louis Jacques Thénard (1777-1857), de ontdekker van waterstofperoxide en de wiskundige Pierre-Simon Laplace (1749-1827)

Vooral zijn vriendschap met von Humboldt zou zo zijn belang hebben op zijn verdere carrière. Hij verschafte Liebig de nodige introducties om toegelaten te worden tot de Heilige Graal voor elke scheikundige toen, het labo van Guy-Lussac. Justus Liebig werd er gedurende twee jaar ingeschakeld bij een hele reeks baanbrekende en leerrijke experimenten. Zo onderzocht hij ondermeer springstoffen als knalzilver, een domein waarop hij eerder al “enige ervaring” had opgedaan, in een memorabele zolderkamer te Heppenheim.

Na deze intense leerperiode was het andermaal von Humboldt die hem verder op weg naar de eeuwige roem hielp. Dank zij deze illustere geleerde kon Liebig aan de slag als assistent aan de universiteit van Giessen, een stadje in het Groothertogdom Hessen. Liebig moest aldaar weliswaar opboksen tegen de vooroordelen van andere professoren, die erg achterdochtig stonden tegenover deze enthousiaste jonge man met zijn onorthodox studieparcours. Na een periode als autodidact was Liebig immers rechtstreeks tot een universiteit toegelaten geworden. Hij liet zich evenwel niet uit het lood slaan door de soms denigrerende opmerkingen en afwijzende houding van starre collega´s. Beetje bij beetje bouwde hij een voor die tijd best wel indrukwekkend labo uit, waar hij heel wat baanbrekend werk zou gaan verrichten. Het stelde hem ook in staat om de opleiding chemie op een voor die tijd hoog niveau op te tillen. In 1824 volgde Liebig´s benoeming tot gewoon hoogleraar, en twee jaar later zijn huwelijk met Henriette Moldenhauer.

Liebig was vooral gefascineerd door de overlapping van chemie en biologie. Hij ontpopte zich gaandeweg tot één van de grondleggers van de moderne chemie, en dan vooral van de organische chemie. Even belangrijk was dat hij niet in een soort ivoren toren leefde, en heel geïnteresseerd was in de mogelijke praktische toepassingen van zijn opgedane ervaringen en kennis in het dagelijkse leven. Hij dacht ook duidelijk na over hoe deze toepassingen voor zoveel mogelijk mensen financieel toegankelijk te maken. Dit laatste zou een uiterst belangrijke rol gaan spelen in het verhaal van het vleesextact.

    
Carl Sprengel, lang miskend

Liebig´s belangstellingsveld was zeer ruim. Zo speelde hij een belangrijke rol op het vlak van de promotie van kunstmeststoffen, een idee waartegen aanvankelijk heel wat scepticisme bestond in landbouwkringen, om niet te spreken van weerstand. Enkele jaren voor Liebig zich op dit nog weinig verkend terrein vastbeet, had de plantenkundige Carl Sprengel (1787-1859) reeds aangetoond dat mineralen zoals kaliumzouten in de grond een zeer belangrijke invloed hadden op de ontwikkeling van planten. Hij -en niet Liebig- was de eerste om de zogenaamde Minimum Theorie te formuleren. Deze stelling kwam erop neer dat een plant maar zover zou groeien, als het minst aanwezige essentiële element in de bodem het zou toelaten. Door mineralen aan verarmde grond toe te voegen, kon men volgens Sprengel deze groei dan ook op gunstige manier beïnvloeden.

Zijn onderzoek zou lang obscuur blijven, terwijl Liebig er wel in slaagde om deze toen controversiële kennis ingang te laten vinden. Mogelijk was Liebig flamboyanter, en beter in “PR” dan zijn streng ogende collega. Na aanvankelijke mislukkingen slaagde Liebig erin om op proefgronden dank zij de voorlopers van de moderne kunstmeststoffen een productie te bereiken, die vier maal hoger lag dan op niet bewerkte grond. Beetje bij beetje maakte het aanvankelijke scepticisme plaats voor al dan niet voorzichtig enthousiasme...

Pas sedert 1995 werd de belangrijke bijdrage van voorloper Sprengel erkend. Vandaag de dag worden hij en Liebig samen gezien als de grondleggers van de Groene Revolutie, de eerste als de pionier, de tweede als diegene die het concept verder uitwerkte, proefondervindelijk onderbouwde en onder de aandacht wist te brengen. Belangrijk toch: geen enkele geraadpleegde bron suggereert dat Liebig zichzelf onterecht heeft laten bewieroken, door Sprengel bewust of onbewust onvermeld te laten. (3)

Liebig hield zich verder ook bezig met onderzoek naar de stof chloroform, het samenstellen van poedermelk voor zuigelingen, het recept van een voedzamer volkorenbrood, het proces van het aanbrengen van een zilverlaag voor spiegels...


Het lijkt op het eerste zicht wat op een alledaags cafétafereel
maar dit was één van de wiegjes van de organische scheikunde !

Omdat hij als lesgever aangesteld was, kon hij zich niet volledig toeleggen op experimenten. Zijn contacten met veelbelovende studenten zal dit euvel echter grotendeels gecompenseerd hebben. Net zoals Gay-Lussac tal van talentvolle wetenschappers wist aan te trekken, zouden ook verschillende studenten die de lessen bij Liebig in Giessen kwamen volgen het zeer ver schoppen in de wereld der exacte wetenschappen. Onder zijn belangrijkste leerlingen bevonden zich ondermeer:


E. Frankland
 

Edward Frankland (1825-1899)

Charles Fréderic Gerhardt (1816-1856) 

August Wilhelm von Hoffmann (1818-1892)

Friedrich August Kékulé (1829-1896), de ontdekker van de benzeenring

Alexander Williamson (1824-1904)

Charles-Adolphe Wurtz (1817-1884) (4)

Liebig werd op gegeven moment door de Groothertog van Hessen tot de adelstand verheven, eerst tot ridder, later tot baron (Freiherr). Voortaan kon de geleerde zijn familienaam vooraf laten gaan door het prestigieuze “von”.

 

3) Liebig en het vleesextract

Blijkbaar raakte Justus Liebig vooral dank zij één van zijn leerlingen, Max Joseph (von) Pettenkofer (1818-1901) geïnteresseerd in vleesextract.


Max von Pettenkofer

In de 1840´s volgden tal van experimenten om de samenstelling van vlees te achterhalen, en om het proces om eiwitrijk vleesextract op laboratoriumschaal te maken te perfectioneren. Welk vlees was het meest aangewezen, hoe moest men het snijden eer het op te warmen, op welke temperatuur kon men het vlees het beste opwarmen, in hoeveel delen vloeistof, hoe lang precies, dat waren de soort vragen waarover von Liebig en (von) Pettenkofer zich het hoofd braken. Op geregelde tijdstippen publiceerde von Liebig zijn onderzoeksresultaten in zijn “Chemische Briefe”. Deze ´papers´ werden sedert 1841 op regelmatige tijdstippen als gratis bijlage bij de Augsburgse "Allgemeine Zeitung" gepubliceerd. Op deze manier kon de geletterde bevolking kennis maken met zijn onderzoekingen, ondermeer inzake vleesextract.

Hoewel Max (von) Pettenkofer geboren werd in een boerengezin, was hijaan het harde boerenbestaan ontsnapt dank zij zijn kinderloze oom Franz Xaver (1783–1850), het hoofd van de Koninklijke Apotheek van Beieren. Na succesvolle studies als apotheker en geneesheer in München werd de zoon in 1843 één van de assistenten van Liebig in Giessen.


een aantal sfeerbeelden van het oude Giessen
nog steeds een beetje zoals Liebig het heeft gekend

Twee jaar later verliet hij het kleine universiteitsstadje, tot grote spijt van Liebig. (von) Pettekofer zag natuurlijk meer ontplooiingsmogelijkheden in Beieren, met of zonder de hulp van zijn voogd, waarmee hij niet altijd op goede voet stond. Liebig legde alleszins zijn gewicht in de schaal om zijn talentvolle assistent zo veel mogelijk verder te helpen, net zoas von Humboldt dat voor hem had gedaan.

Na een korte, interessante academische carrière nam Max (von) Pettenkofer in 1850 de functie van zijn oom en voogd als hoofd van de Koninklijk Apotheek over. Wellicht hield deze functie veel meer in dan de titel op het eerste zicht suggereert. Afgaande op de acties van de wetenschapper in Beieren was hij tegelijkertijd een soort Minister van Gezondheid en Leefmilieu en hoofd van het nog niet erg uitgebouwde koninklijk laboratorium en onderzoekscentrum. (Von) Pettenkofer was dus alleszins met meer bezig dan brouwsels te bedenken voor zieke prinsesjes of onhandelbare prinsen.

Ondanks een aantal voor die tijd begrijpbare wetenschappelijke misvattingen speelde hij een belangrijke rol bij de sanering van de Beierse hoofdstad. Net als tal van andere steden had München geregeld te maken met dodelijke epidemies van cholera en tyfus. Hij onderzocht met name wat er verbeterd kon worden aan het systeem van rioleringen. In 1879 richtte hij ook ´s werelds eerste Instituut voor Hygiëne op, die zijn naam zou dragen.Net als von Liebig werd hij voor zijn inzet tot de adelstand verheven.

Maar (von) Pettenkofer was dus ook geboeid gebleven door de mogelijkheden die er verbonden waren aan vleesextract. Ook in Beieren waren een aantal hooggeplaatse zieken er weer bovenop geraakt dank zij het brouwsel, en von Pettenkofer begon te dromen van grotere hoeveelheden van het product te maken, en waarom niet onder de naam Liebig Fleischextract ? Zolang hij echter geen toestemming van zijn voormalige docent had, commercialiseerde hij het product op kleine schaal als Extractum Carnis. En het dure wondermiddeltje leek erg goed aan te slaan bij de lokale elite. Het product kon zich dan ook verheugen in heel wat flatterende mondelinge reclame van invloedrijke personen.

In 1852 werd ook Liebig uitgenodigd door de Beierse koning Maximiliaan. Deze stelde hem voor om met het vermoeiend lesgeven te stoppen, en zich volledig toe te leggen op wetenschappelijk onderzoek, zoals naar de invloed van levensmiddelen op menselijk organisme. Naar alle waarschijnlijkheid speelde von Pettenkofer een rol in de demarches van de Beierse vorst. Dat Liebig al snel erg hoog aangeschreven werd in Beieren, blijkt wel uit het feit dat hij er uiteindelijk tot voorzitter van de Koninklijke Academie van Wetenschappen van Beieren benoemd zou worden. (Dit ondanks het feit dat hij als student nog keet was komen schoppen in Beieren, en ondanks het feit dat Liebig in 1853 nog maar eens een explosie veroorzaakt had tijdens chemielessen aan het paleis van de Beierse vorst ! Koningin Therese, haar broer Luitpold en Liebig zelf kregen daarbij glasscherven in het gezicht.) Liebig bleef ondertussen wel ook verbonden aan de universiteit van Giessen.


James Muspratt

Liebig was iemand die in heel Europa hooggeplaatste of invloedrijke vrienden had. Eén daarvan was de Britse industrieel James Muspratt (1793-1876), die in Liverpool fabrieken bezat waar o.a. potas en soda gemaakt werd. Ergens in 1853-54 bezocht diens dochter Emma de Liebigs in Beieren, ondermeer om haar Duits te perfectioneren. Ze raakte er zeer bevriend met Agnes, de lievelingsdochter van Justus Liebig. Gedurende dat bezoek geraakte Emma Muspratt ernstig ziek. Oorspronkelijk dacht de behandelende geneesheer aan roodvonk. Feit was dat de verzwakte Emma weldra geen vast voedsel meer tot zich kon nemen. Liebig kreeg haar er echter weer bovenop, door middel van een zelfgemaakt extract van hoenderbouillon, waaraan hij een zeer kleine hoeveelheid zoutzuur toegevoegd had. Al snel herwon de patiënte aan kracht, en kon ze weer vast voedsel innemen. Pas toen bleek dat ze helemaal geen roodvonk maar tyfus had gehad ! Het versterkte Liebig´s idee dat vleesextract niet enkel als voedingsmiddel interessant was, maar ook voor medische toepassingen. (5)

In de volgende jaren verscheen een ware stroom van artikels van zeer uiteenlopende auteurs over vleesextract, vloeibaar vlees en andere benamingen die voor het product in kwestie bedacht werden. Heel wat chemici waren duidelijk geïntrigeerd door het product. De reden waarom we ervoor kozen om de zeer uitgebreide maar ongetwijfeld nog onvolledige lijst van publicaties over het onderwerp volledig weer te geven, is dat men er diverse interessante conclusies aan kan koppelen, namelijk dat het onderwerp 

  • - duidelijk erg “kosmopolitischwas, met publicaties in zeer uiteenlopende talen

  • - lang populair was bij wetenschappers, die er gedurende decennia artikels aan bleven wijden

  • controversieel was, met heel wat sceptici, die er alles behalve van overtuigd waren dat Liebig het bij het rechte eind had: volgens tal van onderzoekers was een belangrijk deel van de voedingswaarde van het rundvlees niet terug te vinden in het extract. De precieze voedingswaarden van het extract werd sterk in twijfel getrokken, al werd wel vastgesteld dat tal van zieken bv. er wel degelijk iets aan hadden. Niettemin was de betrokken wetenschappelijke wereld in de 19de eeuw opgedeeld in een groep pro-Liebig en één die fel gekant bleef tegen het idee van vleesextract als medicijn. (Belangrijke tegenstanders waren o.a. Carl Voit en Dr. J. Milner Fothergill. Deze ging erg ver in zijn kritiek, en haalde zowaar Napoleon erbij om zijn standpunt te verduidelijken; "All the bloodshed caused by the warlike ambition of Napoleon is as nothing compared to the myriad of persons who have sunk into their graves from a misplaced confidence in beef tea."  (6) Oorspronkelijk reageerde Liebig zeer giftig op alle kritiek, maar geleidelijk aan zou hij zelf wel wat terugkomen op zijn verklaringen omtrent de waarde van vleesextract als medicijn.

  • - dat er concurrenten opdoken, en dat de methode van Liebig niet de enige was om vleesextract te maken (bv. Methode Kemmerich), en dat andere, hieraan gerelateerde producten op de markt werden gegooid, zoals Beef Tea, Essence de Viande enz.

Oordeel zelf maar:

1850´s

– Borden, G. jr. Letter to Dr. Ashbel Smith, setting forth an important invention in the preparation of a new article of food, termed meat biscuit; and the reply of Dr. Smith thereto. 1850.
– Beneke, W. On extractum carnis. 1851
– Gumprecht. Ueber den Nutzen der, nach Liebig´s Vorschrift bereiteten Fleischbrühe bei Verdauungsbeschwerden. 1851.
– Lechler. Bemerkungen über das Extractum sanguinis bovini. 1851
– Hoering. Note sur l´emploi avantageux de l´extrait de sang de bœuf de Mauthner. 1854
– Bettinotti, E. Su la creaplasmina. 1855
– Christison, R. On preserved meat-juice. 1855
– Hanlo, J. G. M. *De extracti carnis frigide parati virtute nutriente. 1855
– (?) Het koud bereide aftreksel van vleesch, als voedingsmiddel beschouwd. 1855.

1860´s

– Murray, J. J. Remarks on beef-fibre juice. 1861
– Nichols, J. R. Extract of flesh for army uses. 1861–2
– Tosi, A. Sull´ osmazoma ittiologico puro, sopra uno sciroppo antidissenterico pei bambini, e sopra cinque essenze febbrifughe. 1861
– Girtler, J. Ueber Extractum Carnis. 1862
– Löwe, J. Chemische Analyse des Fleischextrakt-Syrups von A. Meyer-Berck, Kaufmanns in Frankfurt a. M. 1862
– Horn, W. Ueber ein Fleischextract aus der Liebig´schen Bouillon von 1854. 1864
– Geerts, A. J. C. Het vleeschnat-extract als genees-voedingsmiddel op schepen en bij troepen te velde. 1865–6
– Hassall, A. H. On the nutritive value of Liebig´s extract of beef, beef-tea, and of wine. 1865
– von Liebig, J. Ueber ein neues Fleischextrakt. 1865
– Squire, W. S. Leibig´s extract of beef and food for infants. 1865
– Vosper, T. Liebig´s extract of beef and food for infants. 1865
– His. Ueber das Liebig´sche Fleischextract. 1866
– Plagge, T. Die Ernährungsfähigkeit des Fleischextraktes. 1866.
– Seilern, K. M. Graf. Ueber den Fleischextrakt. 1867
– Almén, A. Om det Liebigska köttextractes och buljongens ringa näringsvärde. 1867–8
– Arond, J. Sur les préparations à l´extrait de viande. 1868
– de Beaumont, C. De la viande crue et des extraits de viande en hygiène et en thérapeutique. 1868
– de Beaumont, C. Réponse aux lettres de MM. Joffroy et Arond sur la valeur de l´extrait Liebig. 1868
– Bleasdale, J. J. On the essence of meat and other methods of preserving flesh-meat. 1868
– Fontaine. De l´extrait de viande de Liebig. Est-ce un aliment? Est-ce un remède? 1868
– Joffroy, A. Mode de préparation et composition de l´extrait de viande. 1868
– Kemmerich, E. Untersuchungen über die physiologische Wirkung der Fleischbrühe. Vorläufige Mittheilung. 1868
– Poggiale. Sur l´extrait de viande. 1868
– Golst. Miasnoi ekstrakte Liebigha. 1869
– Kemmerich, E. Untersuchungen über die physiologische Wirkung der Fleischbrühe, des Fleischextracts und der Kalisalze des Fleisches. Vorläufige Mittheilung. 1869
– Levier, E. Valore terapeutico del brodo. 1869
– Notizie sull´ estratto di carne. 1869
– Thudichum, J. S. W. On the origin, nature, and uses of Liebig´s extract of meat; with an analytical comparison of other essences and preparations of meat. 1869.

1870´s

– Biljavski, A. *Znachenie mjasnago ekstrakta Leibigha, kake pitatelnago sredstva. 1870
– Kemmerich, E. De werking de voedingswaarde en het gebruik van vleeschextract. Vertaald uit Göschen´s Deutsche Klinik. 1870
– Hesselink, H. G. Iets omtrent de werkzame bestanddeelen van het vleeschextract. 1870
– Kemmerich, E. Ueber die Wirkungen, den Ernährungswerth und die Verwendung des Fleischextracts. 1870
– Mayer. De la valeur nutritive et médicale de l´extrait de viande. 1870
– Muller, P. Des extraits de viande au point de vue physiologique. 1871.
– Bogoslowsky, W. Ueber die Wirkung der Fleischbrühe, des Fleischextracts und der Kalisalze; vorläufige Mittheilung. 1871
– Bunge, G. Ueber die physiologische Wirkung der Fleischbrühe und der Kalisalze. 1871
– (?): Fluid meat, prepared by Stephen Darby. 1871
– Hare, H. B. On freezing beef-essence. 1871–2
– Joynes, L. S. Extracts of beef; their chemical character and nutritive value. 1871–2
– Rubtsa, A. *O vlijanii kalinich i natronnich solei na pitatelnoste vivarennago mjasa. 1872
– Artus. Ueber das Fleischextract im Allgemeinen und insbesondere über eine neue Wirkung desselben. 1872
– Bogoslowsky, W. Physiologische Studien über die Wirkung der Fleischbrühe, des Fleischextractes, der Kalisalze und des Kreatinins. 1872
– (?): Essence of mutton or meat juice. 1872
– Extract of meat (extractum carnis) prepared by the process of Baron Liebig from the best English beef. 1872
– (?): Extracts of beef. 1872
– (?): Fluid meat. 1872
– Goeschen, A. Das v. Leibig´sche Fleisch-Extract. 1872
– von Liebig, J. Extract of meat. 1872–3
– Ritti, A. Des extraits de viande. 1872
– von Pettenkofer, M. Ueber Nahrungsmittel im Allgemeinen und über den Werth des Fleischextracts als Bestandtheil der menschlichen Nahrung insbesondere. 1873
– De Renzi, E. Sul valore nutritivo del brodo. 1873
– Leube, W. O. Ueber eine neue Art von Fleischsolution, als Nahrungs- und Heilmittel bei Erkrankungen des Magens. 1873.
– Taylor, W. H. The chemical composition of Valentine´s preparation of meat juice. 1873–4
– Brodo (Il) e l´ estratto di carne Leibig. 1874.
– Caspari. Ueber eine neue Art von Fleischsolution. 1874
– Kleczkowski, W. OmiÄ™sil, bullionach i extraktach miÄ™snych. 1874
– Leared, A. Beef-tea. 1874
– Manayra. Risposta al quesito fattomi dal signor direttore generale dei servizi amministrativi “Se il brodo ottenuto coll´ estratto di carne di Liebig abbia igienicamente la stessa virtù del brodo ottenuto colla carne cruda”. 1874
– Mantegazza, P. L´ estratto di Liebig e i suoi avversari. 1874
– Duckworth, D. Does beef-tea cause or aggravate tendency to diarrhœa? 1875
– Herzen, A. La carne liquida di Darby e Gosden. 1875
– Volkmar, L. G. Glycerole of meat. 1875
– Werth (Ueber den) der Nahrungsmittel-Extracte, mit besonderer Rücksicht auf die Suppen-Extracte aus der Fabrik Ig. Eisler & Breden in Inzersdorf bei Wien. 1875
– Hare, H. B. A contribution to our knowledge of beef-tea. 1876
– Horton, J. Animal broth as an aliment in disease, with a series of analyses. 1877
– Lussana, F. Il brodo ed i peptogeni, la gelatina e gli estratti di carne. 1877
Meat-farina. 1877
– Martenson, J. Ueber Succus carnis. 1879.
– Rubner, M. Ueber den Nährwerth des Fluid Meat. 1879
– Selenkow, A. Ueber ein neues eiweisshaltiges Nahrungsmittel. 1879

1880´s

– Rahimoff, I. *Physiologische Prüfung des Fleischextractes auf Ermüdungsstoffe. 1880
– Darby, S. Ueber das Fluid Meat; Bemerkungen zu der Abhandlung von Dr. M. Rubner. 1880
– de Fournès. L´essence de viande. 1880
– Rubner, M. Bemerkung zur Notiz des Herrn St. Darby über Fluid Meat. 1880.
– Tompkins, L. D. Valentine´s meat juice; its use and results. 1880–81
– Estcourt, C. Analyses of Liebig´s extract of meat, and of an imitation of the extract. 1881
– Krukenberg, C. F. W. Untersuchung der Fleischextracte verschiedener Fische und Wirbellosen. 1881– Neale, R. Beef-tea; Liebig´s extract; extractum carnis and urine. 1881
– Ely, W. S. Note on beef juice. 1882
– Freire, D. Analyse qualitative e quantitativa do extracto de carne do Dr. Souler, de Buenos-Ayres, e comparação d´este producto com outros extractos de carne. 1882
– Martin, S. Jus de viande; un procédé pour l´obtenir. 1882
– Amanieux, P.-S. *De la poudre de viande; son administration directe. 1883.
– Baumgarten, G. Beef tea. 1883
– Hoffmann. Demonstration des Cibil’schen Fleischextractes. 1883
– Sendtner, R. Untersuchung des Liebig´schen Fleischextractes. 1883–4
– (?): Préparation de la poudre de viande; procédé de M. P.-G. Dannecy. 1884
– Rubner, M. Ueber den Einfluss der Extractivstoffe des Fleisches auf die Wärmebildung. 1884
– Towle, B. N. Raw food extracts. 1884
– Goldschmidt. L´extrait de viande Hepp. 1885
– Lehmann, K. B. Fleischextractwirkung und Fleischextractvergiftung. 1885
– Lehmann, K. B. Ueber die Wirkung des Liebig´schen Fleischextracts, mitbesonderer Berücksichtigung einer sogenannten Giftigkeit. 1885–6
– Nencki, L. & Rakowski, P. Ekstrakt miÄ™sny w pÅ‚ynie (Cibils). 1885
– Fabian, A. Rozbiór chemiczny cybilsu statego. 1886.
– James, F. L. Meat juice in the treatment of typhoid fever and wasting disease. 1886.
– Mays, T. J. On the nutritive value of some beef extracts; an experimental inquiry. 1886
– Palm, R. O nov. miasn. prep. dlja puteshest., gosp., armii i flota. 1886
– Port. Ueber Fleischconservirung im Felde. 1886

(7)

Maar wat is nu precies vleesextract ? Het spreekt dus voor zich, dat we in dit artikel noodzakelijkerwijze zullen moeten simplificeren. Temeer daar bv. wetenschappers niet noodzakelijkerwijze op dezelfde manier als wetgevers of commerçanten naar hetzelfde product kijken, en dat soms andere termen gebruikt worden om éénzelfde product aan te duiden.

Tot de kern herleid: reeds eeuwen weet men dat vlees van bv. (gezond) vee heel wat uiterst voedzame bestanddelen bevatten, die een heilzaam effect op het menselijk organisme hebben. Liebig en een aantal tijdsgenoten waren de eersten om deze voedende bestanddelen te identificeren en een naam te geven. (De Zweed Jöns Berzelius ontdekte o.a proteïnes: albumine, caseïne, collageen, fibrine). Andere onderzoekers vonden mineralen en ijzer, terwijl de Fransman Eugène Chevreul ontdekte dat het jus van vlees azootverbindingen als gelatine bevatte.

Zoals reeds eerder aangehaald was vleesextract geen uitvinding van Liebig. Verschillende andere mensen hadden reeds praktisch onderzoek op dit terrein verricht, waaronder de eerder vermelde von Velsen. Liebig verwees zelf uitdrukkelijk naar Joseph Louis Proust en Antoine Parmentier in zijn 32ste “Chemische Brief”. Andere belangrijke namen op het vlak van vleesextract zijn o.a. Claude-Joseph Geoffroy en Charles-Louis Cadet. (8)

Na heel wat experimenteren had Liebig met hulp van zijn ploeg volgende productiemethode op punt gesteld: fijngesneden stukken rundvlees of gevogelte werden in 8 à 10 delen water gedompeld. Dit werd vervolgens langdurig verwarmd tot een temperatuur van 70-80° C. Volgens de opvattingen van die tijd kwamen daardoor alle voedzame bestanddelen uit het vlees los, en in het water terecht.Wanneer men het van voedzame bestanddelen ontdane vlees vervolgens verwijderde, en de bruine vloeistof indampte tot ongeveer 1/6de van het volume en nog wat ingrediënten als zout toevoegde, bekwam men een donkerbruine, smeuïge massa, net als honing of chocopasta ergens halfweg tussen vaste stof en vloeistof. Een deel van deze operaties gebeurde in een vacuümruimte, bij een lagere druk. Het eindproduct diende eveneens vacuüm verpakt te worden.

In dit product -zo dacht men- zat de “essentie” van het vlees. In feite zou men later ontdekken dat maar een deel van de proteïnes zich in het water oplossen, en niet eens de meest voedzame. Vleesextract bleek dan ook geen alternatief voor vlees, wel als aroma, als smaakversterker om soepen pittiger te maken, als “fond” voor sauzen. Een deel van de voedzame bestanddelen bleek inderdaad niet in water, maar wel in bv. alcohol op te lossen.

Niettemin, het zeer voedzame product was veel minder volumineus dan vlees, gemakkelijk te transporteren en lang houdbaar. Dit maakte het interessant voor legers, expedities van ontdekkingsreizigers enz.

Zoals de behandeling van ondermeer Emma Muspratt had aangetoond was het ook ideaal voor zieken die te verzwakt waren om vast voedsel in te nemen. Het liet hen toe omeen hoge dosis voedzame bestanddelen in te nemen in de vorm van een krachtig bouillon. (Pas later werd ontdekt dat het vleesextract heel wat vit. B bevatte) Al snel verwierf het product een uitstekende reputatie. Florence Nightingale (1820-1910) , één van de grondleggers van de moderne verpleegkunde bijvoorbeeld gebruikte het versterkend goedje volop tijdens de bloedige Krimoorlog (1853-1856). Ze was bijzonder enthousiast over het gunstige effect ervan op haar patiënten. Het Britse leger nam het product ook mee op oorlogspad tijdens de strafexpeditie tegen Koning Theodoor in Abessinië (1867-´68).

Maar hola... wie legers zegt, zegt grote hoeveelheden... Om zo´n hoeveelheden te kunnen produceren was het nodig geweest om de productie van vleesextract van laboratoriumschaal op industriële schaal te brengen. Hoe was dat dan in zijn werk gegaan ? Hoog tijd om een nieuw hoofdpersonage in dit verhaal voor te stellen...

 

4) Georg Christian Giebert (1815-1874), een ondernemende spoorwegingenieur

Er was weliswaar een groot nadeel aan vleesextract verbonden. Om 1 kg. Van het geleiachtig goedje te produceren, was maar liefst 30 kg. vlees nodig. Wou men dus het product betaalbaar houden, dan moest men aan zo goedkoop mogelijk gezond vlees zien te raken. De vleesprijzen in Europa waren toen reeds te hoog om voor de middenklasse vleesextract te kunnen maken. Justus Liebig had echter expliciet de hoop uitgesproken dat vleesextract goedkoop genoeg geproduceerd zou kunnen worden om zelfs de armste lagen van de bevolking te kunnen voeden. In die tijd verdienden de armsten in de maatschappij echter hongerlonen, en van vakbonden en overleg met de patroons was er absoluut nog geen sprake. De armsten in de maatschappij aten heel eenzijdig, vooral aardappelen, en waren dus erg onderhevig aan honger, wanneer een aardappeloogst tegenviel. Met de trein van de Industriële Revolutie die op kruissnelheid aan het komen was in het achterhoofd, geen goede zaak...

In zijn Chemische Brief nr. 32 uit 1841 had Liebig al geopperd dat de industriële productie van vleesextract het best in Latijns-Amerika en Australië on gebeuren, omdat er daar enorme veestapels op prima graasvelden. Zo´n 20 jaar lang gebeurde er niets concreet met zijn suggesties. Er werd weliswaar vleesextract geproduceerd, maar niet op industriële schaal, en niet op zo´n manier dat de armere lagen van de bevolking er ook wat aan hadden. Toen verscheen plots een spoorwegingenieur uit Hamburg ten tonele.

Over Georg Christian Giebert (1815-1874) is niet zo veel informatie terug te vinden. Ook een afbeelding van de ondernemende man werd vooralsnog niet gevonden, wat hem iets ongrijpbaars als de Scarlet Pimpernel geeft. Wat wel geweten is, is dat zijn functie als spoorwegbouwer hem naar Latijns-Amerika bracht,o.a. naar Brazilië. Daar had hij met eigen ogen gezien, hoe op uitgestrekte landerijen van duizenden en duizenden hectaren enorme veestapels leefden. De dieren werden voornamelijk geslacht voor hun huid (lederindustrie) en dierlijke vetten (talg). Hun belang voor de lokale voedselconsumptie daarentegen bleek uiterst miniem te zijn. Enkel de tong en een beperkte hoeveelheid van het vlees werd daarvoor gebruikt.

Gezien de beperkte omvang van de lokale markt, de beperkte houdbaarheid van het vlees, het ontbreken van koeltechnieken die transporteren naar de VS of Europa mogelijk maakten enerzijds, en de enorme grootte van de betrokken veestapels anderzijds belandde het overgrote deel van het vlees dan ook gewoon op stortplaatsen of in rivieren...

Tijdens een vakantie in Europa kreeg Giebert een exemplaar van Liebig´s in boekvorm gebundelde Chemische Briefe in handen. Wat Giebert daarin over vleesextract las koppelde hij meteen met zijn persoonlijke ervaringen in Latijns Amerika op het vlak van de ongelofelijke verspilling van vlees. Meteen zag hij die twee stukken van het verhaal mooi in elkaar schuiven, als twee met een figuurzaag vervaardigde puzzelstukjes. Meteen besloot hij om de beroemde professor te contacteren.

De eerste ontmoeting tussen de professor en de ingenieur vond wellicht omstreeks 1861 plaats. Liebig was erg enthousiast over het feit dat er eindelijk iemand opdook, die de door hem 2 decennia eerder voorgestelde piste wilde exploiteren. Hij verschafte Giebert heel wat praktische informatie over wat hij zoal nodig zou hebben aan machines, wou hij het vleesextract op industriële schaal maken, en over nodige aanpassingen aan de formule. Daar waar in labo-situatie 8 à 10 delen water voor één deel vlees wordt gebruikt, blijkt al snel dat voor de productie op industriële schaal een verhouding van 1/1 volstaat. Anderzijds had de geleerde natuurlijk een reputatie hoog te houden, en kon hij zich niet permitteren om met een charlatan in zee te gaan. Omstreeks 1862 werden dan ook een aantal concrete afspraken gemaakt, waaraan voldaan moest worden. Liebig wou dat ter plaatse enkel het beste vee geselecteerd werd en dat één van zijn assistenten daarop toezicht kon houden. Ook wou hij zekerheid dat het geproduceerde vleesextract van constante kwaliteit zou zijn, en dat stalen van alle ladingen naar Europa door zijn medewerker von Pettenkofer geanalyseerd zouden kunnen worden. Wou Giebert hiermee instemmen, dan wou hij hem wel inwijden in zijn werkmethode en zijn ervaringen met het voedzame product. Liebig beloofde verder om inspanningen te blijven verrichten om het productieproces indien mogelijk te verbeteren. Hij zou zijn verbeteringen niet wereldkundig maken, om eventuele concurrenten deze wetenschappelijke voorsprong te ontnemen. Nadat Giebert zich bereid verklaarde de controles door Liebig en von Pettenkofer te aanvaarden, leerden deze hem aan hoe men vleesextract kon maken. Dit gebeurde wellicht omstreeks 1862.

Eens de nodige kennis opgedaan moest Giebert op zoek gaan naar een geschikte plek in Latijns-Amerika. Het moest gaan om een havenstad in de nabijheid van een rivier, omdat grote hoeveelheden water nodig zouden zijn. Hij moest landerijen zien aan te kopen, vee, en natuurlijk ook machines. Hij zou personeel nodig hebben om het vee te verzorgen en te slachten. Wanneer de lijst gemaakt werd van alles wat hij nodig zou hebben, kwam men aan investeringen die ver boven wat Giebert zelf in zijn project kon steken, en dus dienden een aantal kapitaalkrachtige lieden gevonden worden. Giebert vond uiteindelijk een aantal mensen bereid om geld in het potentieel zeer lucratieve project te pompen: het ging om de Londense investeerdersgroep rond Cornelle David en de broers Otto en Georges Gunther uit Antwerpen.

In 1861 kwam Giebert in Uruguay aan, waar hij bij een zekere Wilhelm Hoffmann verbleef op diens Estancia Nuevo Mehlem in de provincie Rio Negro. Hoffmann had samen met de Ierse investeerder Charles Lowry (°1816, Belfast) de gronden rond de natuurlijke haven van het stadje Villa Independencia gekocht. Deze toen nog primitieve plek was pas sedert 1850 beetje bij beetje de vorm van een stadje gaan aannemen. Een aantal avontuurlijk aangelegde Europeanen uit diverse landen waren zich er in die periode komen vestigen. Naast de naam Independencia werd het plaatsje ook wel Fray Bentos genoemd, wat verwees naar een groep religieuzen, die in de 1620´s vanuit Argentinië waren afgezakt om de “inboorlingen” te christenen en te onderrichten.


Archief Conrad Hughes-Alvarez
Bron: Blog J F Mazel (zie voetnoten)

De natuurlijke haven bood heel wat perspectieven voor de aanvoer van steenkolen en machines, en voor de latere uitvoer van vleesextract. Een andere belangrijke grondbezitter in de buurt was de Brit Richard Bannister Hughes (°1810, Liverpool). Deze bezat uitgestrekte landerijen rond de rivier de Rio Plata. En de aanwezigheid van grote hoeveelheden zuiver water was nu net essentieel voor de oprichting van een fabriek van vleesextract.

In november 1862 produceerde Giebert een eerste kleine hoeveelheid vleesextract gemaakt van Uruguayaanse runderen. Deze lading werd naar de haven van Antwerpen gezonden, en van daaruit naar München. Liebig en von Pettenkofer analyseerden vervolgens het product op de kwaliteit van het vlees, het gehalte aan zout en pepton. De twee geleerden waren bijzonder verheugd over het resultaat. Het vleesextract was van prima kwaliteit, hetgeen een enthousiaste Liebig toeschreef aan het feit dat de gezondheid van de runderen in Latijns-Amerika. De veestapels hadden daar ruimte genoeg om bijna als vrije, wilde dieren rond te lopen en te grazen. Wat hem betrof stond het licht op groen om met de productie op industriële schaal te beginnen.

In 1863 werd een akkoord bereikt tussen Giebert, Hoffmann, Lowry en Hughes: de Societe de Fray Bentos Giebert & Cie werd geboren in een kleine garage die aan Hughes toebehoorde. De bouw van een fabriek kon een aanvang nemen. Villa Independencia bezat ongetwijfeld heel wat troeven, maar er dienden ook een heleboel obstakels te worden aangepakt. Zo waren er in Uruguay onvoldoende gespecialiseerde arbeidskrachten die een fabriek konden optrekken. Dan waren er nog de nodige machines, die allemaal geïmporteerd zouden moeten worden. Het was de Britse firma McClelland & Millwall uit Glasgow die het belangrijke contract uiteindelijk binnen rijfde. De machines werden in 1866 afgewerkt en verscheept. De hele installaties waren vanaf 1867 operationeel.


De ingang van de fabriek. Wie chromo´s bezit van deze reeks (zie verder
andere exemplaren) mag zich gelukkig prijzen: voor exemplaren in prima
staat betalen verzamelaars al vlug bedragen van 25-70 Euro / stuk


De fabriek nam maar steeds uitbreiding...

In 1865 waren de werken blijkbaar voldoende opgeschoten om de productie van kleine ladingen vleesextract toe te laten. Een eerste lading van 800 kg. werd naar Europa gezonden. Tijdens de eerste maanden van de site bleef die 800 kg overeenstemmen met hetgeen er maandelijks geproduceerd werd. Vanaf 1867 kon nu echt met de productie op industriële schaal begonnen worden.

Om die machines en de ploeg die ze was komen installeren te kunnen betalen werd de Fray Bentos Giebert & Cie. vervangen door een nieuwe structuur, met meer financiële middelen. De nieuwe structuur was een Belgisch-Britse “joint stock company” die 165 000 £. vers kapitaal aanbracht. Die “Belgische” inbreng moet enigszins genuanceerd worden: het lijken vooral Duitsers woonachtig in Antwerpen te zijn geweest die de drijvende kracht waren, waaronder de familie Grisar en Gunther. (zie voor meer informatie over de Duitse “kolonie” in Antwerpen het Retroscoop-artikel over Huize Herbosch)

De aandelen van de nieuwe Liebig Co. werden oorspronkelijk op de Antwerpse beurs verhandeld. Amper 1 jaar later, vanaf 4 december 1865 werden ze echter naar de Londense beurs overgebracht, toen hèt commerciële hart van de wereld. In GB werd de naam van de firma omgezet in Liebig Extract of Meat Co. of kortweg Lemco. (Vleesextract uit Uruguay werd later blijkbaar zowel onder de naam Liebig als Lemco in GB verkocht, afgaande op oude reclames en chromo´s) In andere landen werd gewoon de naam Liebig Co. gebruikt. Zoals hierboven te zien is, had de firma in GB met een aantal concurrenten te maken, die zonder toestemming de naam Liebig gebruikten, hetgeen heel wat verwarring schepte. 


C.E. Günther

In The Sketch van 13 mei 1896 (pp. 121-122) kwam in het artikel “The world´s soup kitchen” C.E. Gunther aan het woord, de toenmalige ondervoorzitter van Lemco. Zoals eerder gezien speelden de gebroeders Otto en George Gunther een cruciale rol bij het bijeen brengen van het nodige kapitaal voor de installaties die in Uruguay opgetrokken werden. Blijkbaar werd de zoon van één van beiden klaargestoomd om het bedrijf later over te nemen.

Deze financiële herschikkingen hadden echter geen invloed op de positie van Giebert in Uruguay. De man had per slot van rekening al de nodige kennis rechtstreeks van von Liebig en von Petterkofer ontvangen, en had een stevige vertrouwensrelatie met de Duitse geleerden opgebouwd. Hij bleef dus gewoon op post, dit tot aan zijn dood in 1874. Hij overleed in zijn huis op de Fray Bentos-site, de Casa Grande, dat hij in 1868 had laten bouwen. (Het werd overgenomen door de vice-consul van Pruisen)

   
Liebig op latere leeftijd Russisch kiekje

Interessant weetje: net zoals Leopold II nooit “zijn” kolonie in Afrika heeft bezocht, is Professor von Liebig nooit eens op werkbezoek in Uruguay geweest. De opkomende fotografie zal hem echter zeker in staat hebben gesteld om de groei van de installaties aldaar met belangstelling te volgen. In 1873 -één jaar voor Giebert dus- stierf de wereldvermaarde geleerde in het thans eengemaakte Duitsland. Hij bleef decennia na zijn dood erg populair. Zijn afbeelding verscheen op een geldbiljet (100 mark), op postzegels, honderden straten zijn naar hem genoemd, net als tal van scholen (Berlijn, Göppingen, Aalen, Heufeld...) Er werden tal van standbeelden van hem opgericht, waaronder uiteraard in Giessen en München. Vele jaren later werd er voorts een Justus von Liebig-prijs in het leven geroepen. De tweejaarlijkse prijs van € 15 000 wordt uitgereikt aan iemand die zich verdienstelijk heeft gemaakt op het vlak van de Europese landbouw.

Zoals iedereen had de grote man ook zo zijn mindere kanten. Hij nam kritiek bijzonder slecht op en reageerde vaak zeer giftig met (bijna) persoonlijke aanvallen. Dit gebeurde helaas vaak op een manier die niet altijd geapprecieerd werd in de wetenschappelijke wereld, waar heel wat collega´s hem als arrogant en soms te kortzichtig zagen. Rond 1870 waren er meer tegenstanders dan voorstanders van de visie dat vleesextract enige geneeskrachtige werking zou hebben. Tegen dan was het product echter al zo´n commercieel succes, dat zelfs die gefundeerde kritieken niet meer volstonden om deze trein te stoppen... 


Liebig Monument in München
Foto Poca à Poco / Wiki Commons

    

 

5) Explosieve groei van een nieuwkomer

De nieuwe business zou een explosieve start kennen. Mensen die eenmaal vleesextract hadden genuttigd wilden zo snel als mogelijk weer een nieuwe reserve. Het hielp natuurlijk ook dat twee beroemde geleerden, Liebig en von Pettenkofer zich persoonlijk garant stelden voor de topkwaliteit van het product. Zo lang de labo´s in Giessen en vooral München vaststelden dat die kwaliteit constant bleef, mochten de potjes met vleesextract die bij apothekers begonnen op te duiken de fac simile handtekening van de vermaarde professor Liebig dragen. Het was de eerste maal dat een voedingsmiddel zo´n kwaliteitsgarantie meekreeg. In de reclame werd het doelpubliek ook steevast aangemaand om producten zonder deze kwaliteitsgarantie met opgeheven hoofd links te laten liggen. (9)

In de beginfase van de nieuwe fabriek bleek het moeilijk om aan de enorme vraag te voldoen. De productiecijfers lieten jaar na jaar een mooie groei optekenen: (maandelijkse productie)

voor 1864: 10 ton
1864: 25 ton
1865: 28 ton
1871: 421 ton
1878: 500 ton
1908: Absoluut hoogtepunt van de productie van vleesextract

In die periode werden jaarlijks zo´n 200 000 runderen geslacht, en 10 000 ton steenkool gebruikt ! Rond die periode kwamen goedkopere alternatieven op de markt, zoals men verder zal zien. Deze hadden natuurlijk zo hun invloed op de verkoop van het dure vleesextract. Niettemin verschenen tot op het einde van de 1920´s steevast afbeeldingen van potjes vleesextract op de steeds maar populairdere Liebig-chromo´s.

Ook de North Otago Times van 26 april 1867 berichtte over de ambities van Fray Bentos. Voor het jaar 1867 hoopte de firma 600 000 pond vleesextract te produceren, het jaar daarop tussen de 600 000 à 1 000 000 pond... Omdat dit misschien niet zo heel veel zegt, laten we dit even omzetten in de daarvoor benodigde veestapel. Eén geslacht rund brengt ongeveer 8 à 9 pond vleesextract op, wat dus betekende dat men reeds in 1868 zo´n 175 000 stuks vee zou moeten slachten ! Een enorm aantal, maar nog maar een fractie van de 3,5 à 4 miljoen runderen die jaarlijks in die periode in heel Latijns Amerika gedood werden ! (10)

 
Gaucho´s en oormerken van Fray Bentos (33 mm, pre 1924)

Om die groeiende productie te kunnen blijven garanderen werd maar in beperkte mate beroep gedaan op lokale werkkrachten. Deze werkten vooral als gaucho´s, de legendarische veehoeders van Latijns-Amerika.

Rond WO 1 werkten zo´n 4000 mensen op de site in Uruguay, een aantal dat de daaropvolgende decennia nog bleef stijgen tot ongeveer 5000 mensen. Naar verluidt kwamen de werklieden uit meer dan 50 verschillende landen, zelfs uit het verre Mongolië. Het slachten van het vee, het verwerken van het vlees en de productie van vleesextract echter werd grotendeels door Europeanen, Russen en Aziaten voor hun rekening genomen. Zo werden er heel wat Basken aangeworven, die ervaring hadden met de speciale technieken van het zouten van geslacht vee. Opmerkelijk wel : de aanwezige Britten beperkten zich blijkbaar louter tot administratief en commercieel werk...


Runderen van de Liebig Meat Extract Co. in The Graphic van 8 maart 1900
Hereford, Highland, Longhorn en logischerwijze ... Shorthorn...

Het duurde niet lang, of ook de landerijen en veestapels in Uruguay waren niet langer toereikend. Daarop richtte de firma Liebig zich op andere Zuid-Amerikaanse landen, ondermeer Argentinië. Zo werd in 1903 de Estancia Duarte Cué aan de Rio Apa aangekocht, goed voor 18 750 ha ! Hiervoor betaalde de Liebig Cie. 1500 goudpesos. Er werd ook de Fabrica Colon geopend, waar eveneens vleesextract gemaakt werd. Op haar hoogtepunt werkten 3200 mensen in deze vestiging. In 1924 zou ook nog een fabriek in Paraguay van start gaan.

Liebig Cie. was echter niet de enige buitenlandse firma die zijn oog op Zuid-Amerika had laten vallen. Al snel waren zowat alle beste graasvlaktes er in handen van grootgrondbezitters en buitenlandse firma´s. Noodgedwongen moesten dus ook elders naar mogelijkheden uitgekeken worden.

Omstreeks 1907- 911 begon de firma ook in het huidige Namibië graasvelden en veestapels te exploiteren, meer bepaald te Neu Heusis, Windhoek. (Men kan er nog steeds een thans leegstaande villa van de toenmalige manager zien, simpelweg Liebig Haus genoemd). De Liebig Cie. Bezat op haar hoogtepunt een totaal areaal dat ongeveer overeen kwam met de oppervlakte van België...

 

6) De industriële productie van vleesextract
in het kort

6.a) Strenge selectie van het slachtvee

– bij de productie van vleesextract werden ossen gebruikt, gecastreerde stieren, die niet alleen meer vlees opbrachten dan stieren, maar ook minder agressief waren. Er werden geen kalveren, vaarzen of ossen van minder dan 4 jaar gebruikt.

Enkel dieren van topkwaliteit werden geselecteerd door dierenartsen, die verantwoording moesten afleggen aan Liebig en von Pettenkofer. Veel problemen schiep dat niet: gezien de enorme omvang van de veestapels was er toch keuze genoeg. Er werd ook volop aan veredeling gedaan, door de lokale dieren te kruisen met topdieren uit Europa. In de 1890´s werden dagelijks 1500 à 2500 runderen voor Liebig geslacht, en dit gedurende een ´seizoen´ dat 7 maanden per jaar duurde.

– de slachthuizen bevonden zich op een zekere afstand van de fabriek van vleesextract. Een spoorweg verbond beide onderdelen van de site.

– de nabijheid van een rivier was niet alleen belangrijk voor aanvoer van vee, van (Britse) steenkolen en uitvoer van vleesextract, maar ook voor de hygiëne in de slachtplaatsen. Bij het slachten en het uitkappen van de dieren is inderdaad overvloedig spoelen van groot belang. Daartoe werd een groot waterreservoir op geregelde tijdstippen door een pompinstallatie met rivierwater gevuld. Op gegeven moment ging het om een metalen reservoir dat 30 000 hectoliter kon bevatten.

– De geslachte dieren ontdaan van hun huid werden in een installatie die bekend stond als de "saladero" onder dikke lagen zout op elkaar gestapeld. De dag nadien werden de onderste dieren helemaal bovenaan gelegd en vice versa, andermaal afgewisseld met dikke lagen zout

6.b) Transport van het geslachte vee naar de fabriek van vleesextract

– de fabriek van vleesextract stond door middel van een spoorweg in verbinding met de slachtplaatsen. In 1880 bedroeg de oppervlakte van de Fray Bentos installaties 3000 m² . Er stond ondermeer een gebouw met 8 enorme verwarmingsketels.

 

6.c) De productie van vleesextract

– het vlees werd in de fabriek uitgeladen in een goed verluchte plaats, en werd er meteen door vier snijmachines in stukken gesneden. Dit fijngesneden vlees wordt vervolgens in gietijzeren ketels gegoten, recipiënten die tot 5000 kg. vlees konden bevatten.

– het vlees wordt blootgesteld aan stoom onder hoge druk, totdat het bijna een vloeibare toestand bereikt. Deze emulsie wordt vervolgens door buizen naar speciale machines gepompt, waarin de vetstoffen en het vlees van elkaar gescheiden worden. Deze machines werden uitgevonden en op punt gesteld door von Pettenkofer.

– vervolgens gaat het van vet ontdane vlees naar machines die men in het Frans “clarificateurs” noemt. Deze ontdoen het vlees van albumine, fibrine en magnesiumfosfaat. Hetgeen overblijft is een bruinachtige vloeistof, die vervolgens ingedampt wordt en doorheen verschillende filters wordt gejaagd.

– de alzo bekomen stof neemt steeds minder en minder volume in. Uiteindelijk wordt het afgekoeld, tot het “kristalliseert”. In feite ontstaat een geleiachtige, zeer eiwitrijke massa, die vervolgens vacuüm ingepakt wordt in grote metalen trommels. Deze werden in een op de site opgetrokken blikslagerij vervaardigd.

– Justus von Liebig´s plaatselijke vertegenwoordiger in Uruguay was Dr. Leecamp (Andere bronnen spreken van Seecamp): hij was verantwoordelijk voor het chemisch deel van het productieproces in Fray Bentos

6.d) Ontstaan van nevenactiviteiten

Gaandeweg ontstonden allerhande nevenactiviteiten in en rond Fray Bentos, waarbij in tegenstelling tot in het verleden zo goed als niets verloren gaat van de geslachte runderen:

– vleesextract: getrokken uit vlees
vlees zonder “jus” : stoofvlees, soepvlees
beenderen en hoeven werden gebruikt bij de productie van gelatine dat gebruikt werd om lijm te maken, maar ook toepassingen in het huishouden en de fotografie had (zie Retroscoop artikel Gelatinefabriek Hasselt)
het restant (bloed, ingewanden en zelfs excrementen) werd fijngemalen tot organische meststoffen in een nabij gelegen nieuwe productiehal. Zulke meststoffen werden in Europa vooral gebruikt bij het telen van suikerbieten.
uit het rundvet werd talg gewonnen voor gebruik in de parfumindustrie (bile stones). Ossenvet kon ook gebruikt worden om te "frituren", en werd als zodanig op gegeven moment door de Cie. Liebig op de markt gebracht
de dikke haartjes van de vacht rond de oren van de ossen werden gebruikt voor de productie van penselen
– wellicht rond 1878 werd ook begonnen met de productie van Corned Beef. Dit goedkope vlees werd verpakt in zeer karakteristieke trapeziumvormige conservenblikjes.


De situatie in 1881


De "saladero"


De stookketels


Installaties voor het "indampen" van het ossenvlees


De afdeling talgproductie


Organische m
eststoffenproductie

Zeer belangrijk om in dit verband te vermelden zijn de technische doorbraken die de Fransman Louis Tellier in de 1870´s bereikte op het vlak van koeltechnieken. Deze waren zo spectaculair, dat hij terecht gezien wordt als de “vader van de koeltechnieken”. In 1877 verschenen de eerste succesvolle koelschepen of reefers, de S/S Frigorifique en de S/S Paraguay. Opmerkelijk: bij hun maidenvaarten hadden ze aan boord ondermeer een lading bestemd voor.... de firma Liebig. (11)

Men kan in feite gerust stellen dat de industrialisering van Latijns Amerika in zeer belangrijke mate door Fray Bentos in gang gezet is geworden. De voortdurend uitbreidende site en het steeds maar groter aantal producten dat men er vervaardigde, maakte dat men Fray Bentos al snel de bijnaam “Kitchen of the world” begon te geven.

 

7) Promotie

Deelname aan wereldtentoonstellingen was reeds in die tijd een interessante manier om aan internationale promotie te doen. De Liebig Cie. blijkt niet lang te hebben getalmd om deze piste te bewandelen. Reeds in 1867 nam het deel aan een “universele tentoonstelling”, die dat jaar op de Champs de Mars in Parijs doorging. Of zo´n deelname kostelijk was voor een firma zou zeker interessant zijn om te achterhalen. Ook de toekenning van medailles en onderscheidingen zou ongetwijfeld heel wat kunnen leren. De Britse delegatie was alleszins ontstemd over hoe weinig medailles er aan Britse bedrijven toegekend werden, hetgeen overigens niet toevallig lijkt geweest te zijn. Napoleon III, de Franse gastheer heeft naar verluidt “zekere druk” uitgevoerd opdat zoveel mogelijk Franse bedrijven in de prijzen zouden vallen... Tiens tiens... De firma Liebig daarentegen -een “Belgisch”-Brits joint stock bedrijf- liet de jury en het publiek kennis maken met hun vleesextract, en... behaalde prompt 2 gouden medailles ! (De chef kok van Napoleon III maakte enkele jaren later reclame voor het vleesextract van Liebig)

In 1885 bleek het niet langer voor de Liebig Cie. nodig te zijn om nog medailles op wereldtentoonstellingen te behalen. De verkoop van vleesextract liep immers als op wieltjes.

Opdat niemand zich zou afvragen waarom Liebig niet langer in de prijzen viel op zo´n wereldtentoonstellingen werd op tal van chromo´s op die tijd uitdrukkelijk vermeld dat de firma vanaf dan “hors concours” was, een praktijk die andere firma´s in een gelijkaardige situatie ook nooit nalieten om te doen. Het liet de firma wel toe om eventueel in de jury te zetelen die aan andere voedingsbedrijven medailles of erediploma´s kon uitreiken. En de firma bleef dan ook paviljoentjes optrekken op de achtereen-volgende wereldtentoonstellingen, zoals bij wijze van voorbeeld:

1885: Antwerpen
1893: Chicago
1900: Parijs
1910: Brussel...

Het was uiteraard niet iedere maal dat de Antwerpen afdeling voor een paviljoen en de organisatie instond. Ondertussen waren immers ook in andere landen al fabrieken van Liebig opgericht, zodat een internationale taakverdeling op het vlak van deelname aan wereldtentoonstellingen afgesproken kon worden.


Expo 1910, Brussel

Wat eveneens heeft bijgedragen tot de naam en faam van vleesextract is dat een aantal beroemde expedities het zeer geconcentreerde en dus gemakkelijk te transporteren voedingsmiddel in hun bagage meenamen. Ontdekkingsreiziger Stanley bijvoorbeeld maakte in verschillende passages van zijn 2 boek In darkest Africa (1890, 2 volumes) uitdrukkelijk reclame voor het product.

Deze passages werden uiteraard gretig in reclame van de Liebig Cie. zelf aangehaald, wat dan weer reclame voor Stanley´s publicatie was. Marketing is duidelijk van alle tijden, net als “win win” schema´s. Het belette overigens concurrent Cibils niet om ook uit te pakken met chromo´s van de beroemde ontdekkingsreiziger...

   
Zulke kookboeken in goede staat zijn ondertussen erg zeldzaam
geworden, 
er worden dan ook aardige sommen voor neergeteld

De firma begon ook in de 1870´s met het uitgeven van de thans wereldberoemde chromo´s. Ronnd 1896 waren er volgens C.E. Gunther, de toenmalige nr. 2 van het bedrijf reeds meer dan 300 setjes uitgegeven. Door de oplages van elke serie te beperken, werden het reeds in de 19de eeuw felgegeerde collector´s items, waarvoor veel geld gegeven werd. Ruilbeurzen waren dan ook de volgende logische stap. De firma startte ook vroeg in haar bestaan met het uitgeven van bv. receptenboekjes.


Deze chromo toont goed hoe de potjes vleesextract
op de markt werden gebracht, steeds met de waarbog
van de ondertussen overleden Liebig


Chromo uit de 1890´s
Alle details tellen: op dit exemplaar staat een
ander,
kleiner potje afgebeeld. Uitvergroten

leert dat het om een versie met peptone (?) ging

Een andere manier om aan naambekendheid te winnen, en zo de verkoop te stimuleren was via muurreclames. Ook de firma Liebig deed hieraan mee, al werd vooralsnog slechts 1 postkaart gevonden om dit te illustreren. Maar als de firma al in Coo muurreclames liet aanbrengen, mogen we aannemen dat dit eveneens het geval was in steden als Brussel, Antwerpen of Gent.


Muurreclame in het landelijke Coo

Uiteraard hielpen ook mooie reclameaffiches, bestemd voor in apotheken en al snel meer en meer voor kruidenierszaken om het product extra bekend te maken, en de verkoop nog aan te zwengelen. Op deze aspecten wordt in Deel 3 van deze reeks artikels meer in detail teruggekomen.

Moeilijker te beantwoorden is de vraag of regeringsbestellingen nu wel promotie of niet betekenden. Vooral dan omdat er in de 19de eeuw in Europa nog heel wat oorlogen losbraken tussen landen. Toen in 1870 het zich eenmakende Duitsland ten oorlog trok tegen Frankrijk, waren de troepen van de invallers voorzien van vleesextract. Geen nood: concurrent La Plata Extract of Beef Co. Ltd. was blij genoeg om de Fransen te kunnen bevoorraden. In haar reclames onderstreepte dit bedrijf dan ook duidelijk, dat het leveringscontracten in de wacht had kunnen slepen via de Association des Secours aux Militaires Blessés “Croix Rouge”... Zoals gewoonlijk viel er dus geld te verdienen aan oorlogen... 


Achterkant van een La Plata chromo

Het was dus bang afwachten of zoiets de verkoop in Frankrijk niet negatief ging beïnvloeden. Iets gelijkaardigs gebeurden tijdens de afschuwelijke Boerenoorlog in Zuid-Afrika. De Britse troepen waren reeds enkele decennia klant bij de Liebig Cie. Het was nu de vraag of men in Nederland niet negatief hierop ging reageren. Liebig leverde verder o.a. ook aan de Britse admiraliteit en aan het bezette Indië.
 

8

) Bouillon, het vleesextract voor de lage klasse

 

Justus von Liebig had van meet af aan gehoopt dat de industriële productie van vleesextract de prijs ervan in voldoende mate zou kunnen drukken om het voor alle lagen van de bevolking betaalbaar te maken. Einde 19de eeuw was dit nog steeds niet het geval voor wat betreft de armste lagen van de bevolking.

In 1899 werd het merk OXO door de Liebig Meat Extract Co. geregistreerd en op de markt gelanceerd. De meest voor de hand liggende verklaring voor de haast mythische naam is dat het afgeleid werd van « ox ». (Liebig zou later ook bv. het merk Tomox lanceren)

De eerste OXO was een vloeibare en dus enigszins aangelengd versie van vleesextract (in GB als « fluid beef » omschreven). Het goedkopere product werd in flessen van bruin glas op de markt gebracht. En de ambities waren hooggespannen. In 1908 werd OXO zowaar de eerste sponsor van de Olympische Spelen, die in Londen doorgingen. (De claim van Coca Cola in dit verband is dus niet correct)

De flesjes met "fluid beef" waren al iets toegankelijker voor de lage klasse, maar nog te duur voor de allerarmste gezinnen. Omstreeks 1910 werden dan de befaamde OXO-blokjes op de markt gebracht. Deze waren gemakkelijk in een doosje te vervoeren, en vooral, ze waren nog goedkoper dan de gezinsflessen. Het idee om gedehydrateerde bouillon een handige kubusvorm met een zijde van ongeveer 15 mm mee te geven kan in feite aan Nicolas Appert toegeschreven worden. De man kwam al eerder op Retroscoop ter sprake als de uitvinder van het langdurig conserveren van voedingsmiddelen. (Zie Industrieel Patrimonium / Marie Thumas Deel 1) Appert bouwde echter zelf ook verder op het werk van voorgangers om tot zijn « draagbare soepen » te komen. In 1908 was ook de Zwitser Julius Maggi (1846-1915) met zo´n blokjes afgekomen, maar deze waren niet gebaseerd op vleesextract.

De OXO kubusjes van Liebig / Lemco kon men per 6, per 12, per 50 of per 100 kopen. Voor de allerarmste gezinnen was de optie van 6 blokjes wel een haalbare kaart. Naast de OXO-bouillonblokjes kwam Liebig op gegeven moment ook af met bouillonblokjes die onder de naam Liebig verhandeld werden. (zie Deel 3: productengamma)

De eerlijkheid gebiedt echter duidelijk te onderstrepen dat de voedingswaarde van de bouillonblokjes zeer beperkt was. Men gebruikte in feite rundsvlees van slechtere kwaliteit. Het aanlengen van het vleesextract gebeurde bv. selder, met eiwitrijke sojascheuten en vooral met (te) veel zout zoals we nu weten. (tot 60-70% !) Men kon het als een warme drank innemen of het product gebruiken om bv. soepen meer pit te geven. Het product werd erg populair bij de verkleumde soldaten in Flanders Fields, where death is just a heartbeat away...

De OXO producten komen verder ter sprake in Deel 3 van deze artikelenreeks.

 

9) Een stadje krijgt gestalte

 

Die snel groeiende hoeveelheid werkkrachten moest natuurlijk ook wel gehuisvest en gevoed worden. Het was de Fray Bentos-fabriek die dit alles zelf in goede banen zou leiden. Er verrezen huisjes voor arbeiders en bedienden, schooltjes voor de kinderen, er werden waterleidingen gelegd, een ophaaldienst voor vuilnis georganiseerd, de eerste elektrische verlichting op het continent ontstoken... Rond 1870 kwam er ook een geneeskundige dienst, die onder leiding stond van Dr. Kemmerich. (Mogelijk gaat het om E. Kemmerich, dezelfde man die eveneens vleesextract onder zijn eigen naam op de markt bracht, totdat zijn firma (omstreeks 1900?) door Liebig werd overgekocht (zie Deel 3 van deze artikelenreeks)

Andere belangrijke investeringen hadden betrekking op

- 1887: bijkomende huizenwijk rond fabriek voor groeiend aantal arbeiders
- 1890: bijkomende huizenwijk voor arbeiders
De wijken waar de arbeiders van Fray Bentos woonden werden gezamenlijk aangeduid met de term “Ranchada”. De levensstandaard was er gemiddeld veel beter dan in de rest van Uruguay. De aanpak was wat vergelijkbaar met die in Port Sunlight, de tuinwijken opgericht door de zeepziederijen van de gebroeders Lever.
- 1895: bouw van een ziekenhuis
- 1902: een fraaie kiosk wordt vanuit Cardiff naar Independencia/Fray Bentos overgebracht, een geschenk van de directie van de Liebig fabrieken.
-
1906: bouw van een 43 m hoge schouw voor de fabriek.

Deze laatste nam zowaar een beetje de rol over die ook kerktorens speelden. De constructie was uitgerust met een stoomfluit, die om 7 h, 11 h en 17 h het uur kenbaar maakte...

Wat de arbeidsvoorwaarden in Fray Bentos betreft, verschilden deze niet zo heel veel van die in Europa. De werkdagen waren vaak zeer lang, sommige bronnen hebben het over 16 u (al was er misschien een lange pauze tijdens de middag, of was er een ploegensysteem ?) De lonen lagen echter relatief hoog, niet alleen binnen Uruguay zelf, maar ook ten opzichte van de rest van Latijns-Amerika. Jongeren konden vanaf hun 14de in de fabriek beginnen werken, maar daar waren een aantal voorwaarden aan verbonden. Zo moesten ze minstens 1 jaar middelbare studies hebben gevolgd in de school, opgericht door het Liebig-bedrijf. Ze moesten ook de uitdrukkelijke toestemming van hun ouders hebben. Of er echter veel alternatieven in de directe omgeving waren is een andere vraag. Al moesten er natuurlijk ook wel winkels opgericht worden, net als uitgaansgelegenheden, horecazaken. Er waren ook politiemensen en brandweerlui nodig, en al de andere functies die men in een kleine stad nodig heeft.

Er werd ook wel aandacht besteed aan de vrijetijdsbesteding van het personeel. Waar er in die tijd ook maar Engelsen opdoken, ontstonden al snel golfterreinen en tennis courts. Dit was niet anders voor de Fray Bentos-site. Er werd ook een voetbalploeg opgericht, en er was een orkest (of fanfare ?) voor de arbeiders en hun kinderen. De firma Liebig zorgde daarbij voor de instrumenten, de uniformen en de muziekleraars. Er werd een bibliotheek voor het personeel opgericht, net als een klein cultureel centrum dat La Estrella heette, wat zoveel betekent als “Ster”. (12) Vrij gelijklopende initiatieven met de Belgische firma Remy bv. (zie Industrieel Patrimonium) 


10) Hoe Antwerpen in het verhaal opdook

We hebben nu al heel wat omzwervingen op twee continenten gemaakt, maar hoe past Antwerpen nu in die kroniek ?

Met de oprichting van de installaties in Latijns-Amerika was alvast het probleem van de aanbodzijde van zo goedkoop mogelijk rundvlees opgelost. Omdat er in de 1860´s nog geen koelschepen of “reefers” bestonden, was het verder nodig dat het vleesextract bestemd voor de Europese en gaandeweg ook Noord-Amerikaanse markt ter plaatse werd geproduceerd. Een aantal vertegenwoordigers lieten Liebig en von Pettenkofer toe om vanop afstand een oogje in het zeil te houden op de selectie van het gebruikte vee en op de hygiëne tijdens de productie van het vleesextract.

Restte de vraag waar men de ladingen geproduceerd vleesextract het beste in Europa aan land kon brengen. In de 1860´s was Duitsland nog geen eengemaakt land, maar een lappendeken van vorstendommen, hertogdommen enz. Bremen en Hannover, die pas later zouden uitgroeien tot zeer grote havens waren in die periode vrijsteden, zogenaamde hanzesteden. Wie vele grenzen zegt, zegt wellicht ook vele malen tol betalen.

Uiteindelijk viel de keuze op Antwerpen om als “centraal depot” voor het Europese vasteland en o.a. Azië te fungeren. ´Popote, le fameux cordon bleu de Liebig vous conseille", een Liebig reclamedocumentje uit 1935 verklaart als volgt deze keuze van Antwerpen:

"Le choix d´Anvers comme centre de distribution pour l´Europe Continentale s´explique non seulement de la situation tout à fait exceptionnelle de ce port, tant au point de vu des importations des matières premières venant d´Amerique du Sud que de la réexportation des produits empaquetés vers les divers pays d´Europe, mais encore, parce que parmi les promoteurs de l´affaire figurent en bonne place quelques noms qui déjà alors illustraient le commerce d´Anvers"   

Een zekere Joseph Bennet werd er de algemene vertegenwoordiger voor Europa, en dus verantwoordelijk voor het op te richten depot. Liebig zond ook een wetenschappelijke vertegenwoordiger naar de Scheldestad. Diens taak zou erin bestaan om de ladingen vleesextract -reeds een eerste maal Uruguay gecontroleerd- andermaal aan (externe ?) controle te onderwerpen, vooraleer ze naar München door te sturen. De naam van deze persoon wordt nu eens als Fink, dan weer als Finck opgegeven. Hij moest eigenlijk vooral aan Liebig en von Pettenkofer verantwoording afleggen, en stond vrij onafhankelijk van het commerciële bedrijf. Dit waarborgde een neutrale controle. Vanaf 1865 kwamen de eerste grote ladingen vleesextract in Antwerpen aan.

In Antwerpen werd eerst een "centraal depot" van de Liebig Cie. opgericht. Aan een stockeerplaats en kantoren alleen had men echter niet genoeg. Omstreeks 1865 werd dan ook een kleine fabriek opgericht. Hierin werden de grote vaten van vleesextract vanuit Uruguay verzonden geledigd, hun inhoud lichtjes opgewarmd en vervolgens herverpakt in kleinere stenen potjes. Vanuit Antwerpen werden ze dan naar alle continenten van de wereld verstuurd. Uit een Liebig-reclame uit 1881 in l´Univers Illustré blijkt dat er reeds in die periode zo´n 100 mensen werkzaam waren in dat fabriekje in Antwerpen. Deze installaties en hun groei zullen in detail aan bod komen in Deel 2 van deze artikelenreeks.


Duitse Liebig-reclame uit 1896 

Feit is wel, dat Antwerpen alleen al snel de enorme vraag niet aankon. Ook elders in Europa ontstonden kleine ateliers waar men het vleesextract van de grote vaten naar kleinere potjes kon overhevelen. Omdat dit artikel zich concentreert op de vestiging in Antwerpen werd hier verder geen onderzoek naar verricht. Wel is geweten dat Liebig in 1965 in totaal 37 fabrieken bezat, verspreid in Europa, de VS en Afrika.) Antwerpen bleef evenmin het enige verdeelcentrum voor heel de wereld. Er werden gaandeweg op tal van andere plaatsen centrale depots opgericht, ondermeer in Londen, Rotterdam, Parijs, Milaan, Keulen, Bazel, Kopenhagen.... In Parijs was dit depot gevestigd in de Rue Bergère nr. 28 (later Rue Dieu 8). Wat de Britse vestigingen betreft werd in reclames gesproken van Fenchurch 9 en van het Thames House, beide in Londen.

 

11) Fray Bentos wordt Anglo

In 1913 werkten ongeveer 4000 mensen op de Fray Bentos site, in de 1940´s werd het maximum bereikt met ongeveer 5000 personeelsleden. De zakelijke transacties werden vanuit een gebouw van 5 verdiepingen geleid. Op gegeven moment werden meer dan 200 verschillende soorten voedingsmiddelen op de site geproduceerd, zowel vlees- als groenteconserven, confitures en zelfs snoepgoed.

Tijdens WO 1 zorgde de Fray Bentos fabriek in belangrijke mate mee voor de dagelijkse voeding van heel wat families in Europa. Dit ondanks het feit dat onderzeeërs van de Kriegsmarine de verbinding met het Oude Continent met wisselend succes in de war stuurden.

De populariteit van de firma blijkt ondermeer ook uit het feit dat soldaten tijdens WO 1 vaak “Fray Bentos” zeiden, als ze iets “OK” vonden. De Britten noemden ook één van de eerste gevechtstanks Fray Bentos, maar dat was dan weer eerder omdat de soldaten er als corned beef in een blikje inzaten, niet omdat die tank zo´n technologisch « OK » wonder bleek.


Fray Bentos werd Anglo (mogelijk een oormerk ?)

Met de firma Liebig Cie. (Lemco) in Europa lagen de zaken moeilijker. De firma leverde weliswaar volop vleesextract en bouillonblokjes aan de Geallieerden, maar de naam en de geldschieters waren niettemin Duitsers. Dit gegeven heeft heel zeker voor allerhande onderhuidse spanningen gezorgd. Misschien hebben deze spanningen zelfs een rol gespeeld bij het feit dat Fray Bentos in 1924 werd overgekocht door de Vestey Group Ltd uit Liverppol. Zij veranderden de naam van de site in Frigorifico Anglo del Uruguay of kortweg Anglo. Ook de naam Anglo Meat Packing co. dook opeens op. Fray Bentos bleef echter als merknaam behouden. Door de keuze van de naam Anglo lijkt de nieuwe eigenaar precies een duidelijke boodschap de wereld te hebben willen insturen : dit is geen Duits bedrijf, maar wel degelijk een Britse bezitting.


Lord William Vestey, een handige
zakenman en pionier op het vlak van... tax evasion

Helaas kan hier niet dieper ingegaan worden op het interessante zakenimperium van 1st Lord William Vestey (1859-1940) en zijn broer Edmund. De Vestey broers waren pioniers op het vlak van koelschepen. Met hun Blue Star Line voerden ze enorme hoeveelheden vlees in via de haven van Liverpool.

Omdat deze artikelenreeks zich concentreert op de Liebig vestiging in Antwerpen hebben we (vooralsnog) niet onderzocht of de Vestey Group ook Lemco of heel de Liebig Cie. deels of geheel overnam, en of er na WO 1 nog Duits geld in de Liebig-firma zat. Dit is een puntje dat in de toekomst nog verder uitgeklaard zou moeten worden.

In 1964 werd een belangrijk deel van de veestapel in Uruguay getroffen door buiktyfus. Uit onderzoek bleek dat het koelwater van de Anglo-fabriek gebruikte niet steeds ontsmet was geworden met een kleine hoeveelheid chloor. Een slordigheidje die ten tijde van Liebig niet zou zijn gebeurd. De corned beef van de firma diende daarop preventief uit de handel te worden genomen, een zware klap voor het bedrijf. In 1968 werd de Ango-site opgenomen in de firma Brooke Bond Tea Co. Dit bleek echter geen soelaas te brengen. Het bedrijf, dat vroeger kwaliteit zo hoog in het vaandel had geschreven, kwam er maar niet bovenop. In 1971 werd het overgenomen door de Uruguayaanse overheid.

In 1979 -net voor de toetreding van GB tot de Europese Gemeenschap- volgde de sluiting van de verouderde fabriek in Uruguay. De firma had op dat moment ook zeer uitgestrekte landerijen en enorme veestapels in Argentinië, Paraguay, Kenya en Zuid-Afrika. De installaties in Uruguay werden overgekocht door het Braziliaanse Mafrig. Een deel van de site werd na broodnodige investeringen opnieuw in gebruik genomen. Het historisch deel van de site werd echter een zeer interessant museum, een belangrijke toeristische attractie voor Uruguay.

Voetnoten

Dankbetuiging

We zijn voor het schrijven van dit Deel 1 erg veel waardering verschuldigd aan Jean François Mazel, die heel wat interessante gegevens over Fray Bentos in zijn blog bij elkaar gebracht heeft. (zie voetnoot 12) Un grand merci !

(1) Von Velsen Dr.: Fleisch Extract: ein sehr wirksames Nahrungsmittel und dessen Bereitung in: Horn, Ernest Dr. (red): Neues Archiv für medizinische Erfahrung Berlin 1810 Uitg. Julius Hitzig

(2)  Het leven en werk van Professor Liebig in: Liebig Echo Maandblad van Liebig´s Chromo Club Bijzondere uitgave uit 1958. Dit hoofdstuk van het artikel is in belangrijke mate op dit artikel gebaseerd. Veder wordt op de achterste bladzijde van dit interessante document het volledige en ruime gamma van producten die de firma toen commercialiseerde opgesomd.

(3)  Schils René: How James Watt invented the copier Springer, New York Dordrecht Heidelberg Londen 2012 p. 65

(4) Idem (2)

(5)  Beck, C.H.: Denker, Forscher und Entdecker: Eine Geschichte der Bayerischen Akademie der Wissenschaften in Historischen Portraits p. 99 München, C.H. Beck Verlag, 2009

(6) Fothergill schreef deze niet mis te verstane aanval in zijn "Manual of Dietetics". Het interessante citaat komt uit: Gratzer, Walter: Terrors of the table: the curious history of nutrition (Oxford, Oxford University Press, 2005)

(7) National Library of Medicine / Meat-extracts, beef-tea, etc In plaats van de lijst in alfabetische volgorde te gebruiken, werd het voor dit artikel in chronologische volgorde herwerkt. De soms onvolledige referenties werden gewoon uit de oorspronkelijke tekst overgenomen

(8) Idem (2) en het Franse Wiki artikel over Extrait de viande

(9) Ongedateerde reclame-advertentie uit de Journal de Vienne en Voedselscheikunde in de 19de eeuw SIWE Cahier nr. 2

(10) Liebig´s Meat Extract in: North Otago Times 26 april 1867

(11) Geschiedenis van de S/S Frigorifique

(12) Voor deze passage ondermeer werd in belangrijke mate gebruik gemaakt van het zeer interessant opzoekingswerk van J F Mazel.

Blog: Au gré des jours en Uruguay: l´Uruguay fait l´histoire de Liebig

Wie is J F Mazel Chasseur de Mouches 

 

 

 
 
database afsluiten