Retroscoop - Het Palais d┤Ete / Pole Nord in Brussel / Bruxelles: gebouw met drie levens RetroScoop
 
   Maatschappij
    
 
 
De ┬┤klik┬┤ naar je gedroomde Klassiekers

Gebouw met 3 levens

Het Palais d’Eté en de
Pôle Nord in Brussel

Benoit Vanhees

    


Structuur

Inleiding: een verrassende levensloop

1) "Ventre de Bruxelles"

2) Mondaine uitgaansgelegenheid: van Centrale Hallen naar Pôle Nord / Palais d’Eté
          2.a) Het Palais d´Eté
          2.b) De Pôle Nord
          2.c) Shoppen in de buurt, en een avondje uit
3) Hondenrenbaan
4) Volledig spoorloos ?

 

Inleiding: een verrassende levensloop

In dit artikel willen we het hebben over de wat zonderlinge levensloop van een thans verdwenen architecturaal pareltje in het hartje van Brussel. Het fraaie bouwwerk was oorspronkelijk een deel van de Halles Centrales, waar wild en gevogelte werd geveild. Vervolgens werd het omgetoverd tot een mondaine ijspiste (winter) en music hall / spektakelzaal (zomer). Daarna werd het roer nog eens volledig omgegooid, en eindigde het Paleisje zijn bestaan als een wat sjofele renbaan voor windhonden. Weinig gebouwen kunnen zo’n palmares aan metamorfoses voorleggen !


1.) “Ventre de Bruxelles”

Om de bevoorrading van haar steeds groeiende bevolking in goede banen te leiden, bezat Brussel sinds eeuwen verschillende gespecialiseerde markten. De meeste daarvan waren in open lucht, maar er waren er ook een aantal die in overdekte hallen plaatsvonden. In de 19de eeuw kwamen daar nog eens een aantal nieuwe overdekte markten bij. Zo werden in 1881 de St Gorikshallen in het centrum van Brussel in gebruik genomen. Hier verhandelde men vlees en landbouwproducten, waaronder melk, boter, kaas en eieren. Een andere belangrijke speler in de bevoorrading van de hoofdstad was de overdekte veemarkt van Anderlecht, die uit 1890 dateert, en tot december 2008 zou blijven functioneren. Misschien wat minder bekend zijn de “Halles Centrales”, die ook wel “Halles de l’Alimentation” genoemd werden.

Het was de Brusselse Burgemeester Jules Anspach die het debat rond het nut van zo’n centrale hallen in 1866 in gang trok. In vlammende bewoordingen bepleitte hij de zaak dat jaar in het Brusselse Stadhuis:

-“Ne serait-ce pas commettre une faute irréparable que de négliger l´occasion unique qui nous est donnée aujourd´hui de créer de vastes halles centrales capables d´assurer, pour des siècles peut-être, un service de première nécessité ?” (1)

Door de bouw van de overdekte en afgekoelde markt voor voedingswaren hoopte Anspach de soms povere hygiëne van openluchtmarkten op een hoger peil te brengen. De bouw van grootse publieke gebouwen zoals de Beurs en de Centrale Hallen moest bovendien ook bouwpromotoren en investeerders aantrekken.

De hoge kostprijs ervan schrok het stadsbestuur echt wat af. Het zou uiteindelijk toch nog enkele jaren duren eer Brussel die “occassion unique” greep. Maar in 1872 was de kogel door het Stadhuis… In dat jaar werd met de bouw gestart, werkzaamheden die tot 1874 zouden duren. 

Het complex bestond uit twee rechthoekige hallen op een rij, met elkaar verbonden door een metalen “passage”. De noordelijke hal was bestemd voor groothandelaars in gevogelte en wild, de zuidelijke was bestemd voor publieke veilingen (“criée”). Tegen deze twee hallen waren er verder kleine winkelruimtes aangebouwd, die per opbod door de Stad verhuurd werden. Ze werden toegekend voor de duur van 1 jaar aan verkopers van groente, fruit, wild enz.


De hallen van Parijs n.o.v. Victor Baltard

De Brusselse hallen waren duidelijk geïnspireerd door die van Parijs, ontworpen door Victor Baltard. (2) Deze had in 1848 een wedstrijd gewonnen, uitgeschreven door het stadsbestuur van de Franse hoofdstad. Toch bleef hij aan zijn ontwerp sleutelen, en pas in 1854 leek hij tevreden met de plannen. Het zou nog eens 16 jaren duren, eer 10 van de 12 hallen die hij had voorzien afgewerkt werden. Pas in 1936 werden de 2 mankerende hallen uit zijn ontwerp toegevoegd.

Het ontwerp voor de Brusselse hallen leek zo sterk op dat van Baltard, dat we hier eventjes twee hallen uit zijn oorspronkelijke plannen hebben gebruikt, om de situatie in Brussel te illustreren:


Louter ter illustratie a.d.h.v. twee hallen
van Baltard, de situatie in Brussel

Doorheen de passage tussen de twee hallen liep in de 19de eeuw de Grétrystraat door tot aan de Zwarte Lievevrouwstraat. De straatnaam was een eerbetoon aan André Grétry (1741-1813), een Luikse componist van opera’s. Zoals het plannetje laat zien, lagen de Halles Centrales halfweg tussen de oude Brusselse Vismarkt, de groentemarkt op de St Kathelijneplaats en de Grands Magasins de la Bourse (1872).

   

Zoals gebruikelijk in die tijd was dit gebouw met een nochtans zeer functionele bedoeling zeer fraai versierd. Men zag verschillende allegorische beelden en een grote variatie aan tierlantijntjes allerhande. Geen wonder dan ook, dat de best wel indrukwekkende Halles Centrales het niet onaanzienlijke bedrag van maar liefst 2,8 miljoen BF kostten, een behoorlijke investering in die tijd.

Naast Jules Anspach zat ook diens vriend Dubois, een rijke rentenier achter het project. Dubois was ook goed bevriend geweest met de in 1863 overleden voorganger van Anspach, burgemeester André Napoleon Fontainas (1807-1863) burgemeester. Een man met interessante connecties dus. (3) In welke mate de kosten voor de Centrale Hallen eventueel gedeeld werden door de Stad Brussel en Dubois werd geen informatie gevonden.

De ingebruikname van de Centrale Hallen in 1874 ging zeker niet onopgemerkt voorbij. Het jaar daarvoor had de Franse schrijver Emile Zola zijn bekende werk “Le ventre de Paris” geschreven, waarin de Halles de Paris een centrale rol speelden. Tal van journalisten kwamen dan ook kijken naar de Brusselse kleinere variant. Zelfs de internationale pers, tenminste de Franse besteedde er aandacht aan. Voor het tijdschrift Illustration Européenne was het zelfs voorpaginanieuws…

  


2) Mondaine uitgaansgelegenheid: van Centrale Hallen naar Pôle Nord / Palais d’Eté

Het einde van de 19de eeuw werd in Europa gekenmerkt door grootse veranderingen in de consumptiepatronen en de distributiesector. Deze hadden ook zo hun gevolgen voor de Centrale Hallen van Brussel. Anspach’s voorspelling of hoop dat de Centrale Hallen misschien wel “pour des siècles”  een grote rol zou spelen, kreeg reeds in 1890 een flinke knauw. De vrij recente hallen bleken toen al wat te groot te zijn geworden.

Daarom werd besloten om de noordelijke hal een volkomen nieuwe en wel erg mondaine bestemming te geven. Omdat er een speciale koelinstallatie was ondergebracht, leek het geen slecht idee te zijn, om er een ijspiste in onder te brengen. Temeer daar de hallen best wel fraai versierd waren, en in iets heel moois veranderd konden worden. In de 1870’s waren de allereerste ijspistes in Engeland verschenen, doch deze waren niet veel groter dan een grote woonkamer. Ongeveer twintig jaar later was de techniek blijkbaar voldoende geëvolueerd, om veel grotere pistes van een voldoende dikke ijslaag te voorzien. (4)

    
Reclame voor de Palais de Glace en de Pôle Nord in Parijs

Brussel, dat is genoegzaam bekend, keek voortdurend met bewonderende ogen naar wat haar grote zus Parijs allemaal organiseerde. Et voilà... Het was in de Lichtstad dat in het begin van de 1890’s een nieuwe “grande sensation” zijn triomfantelijke intrede had gedaan: grote, fraai versierde en overdekte ijspistes. In 1892 opende de Pôle Nord haar deuren, twee jaar later gevolgd door het Palais de la Glace (Champs Elysée). Per slot van rekening waren de populaire vijvers van het Bois de Boulogne niet elk jaar dichtgevroren. Al snel waren deze feeërieke ijspaleizen zeer en vogue bij de bourgeoisie

Als het regent of beter vriest in Parijs… Brussel kopieerde niet alleen het initiatief zelf. Het verzekerde zich ook van wat gratis reclame, door meteen ook maar de naam Pôle Nord over te nemen ! Gezien de fascinatie van de Brusselse bourgeoisie voor alles wat uit Parijs kwam, geen slechte PR-zet…

 

2. a) Het Palais d’Eté 

  
Collectie van de Stad Brussel (Rechts affiche 1900/51)

De Brusselse Pôle Nord opende haar deuren met Kerstmis 1893, en bleef gedurende de hele winterperiode open. Voor het zomerseizoen van 1894 werd een heel ander programma uitgedokterd. De zaal zou geduurde die enkele maanden veranderen in “Palais d’Eté”, een spektakelzaal die de burgerij een aantal vermakelijke optredens zou bezorgen. Daartoe werd de voormalige markthal onder handen genomen door architect Rieck  en de kunstenaars Crespin en Duboscq. Deze bedachten een mooie interieurinrichting. In juni ging het eerste zomerseizoen dan van start. De pret was echter van zeer korte duur. Tijdens de soirée van 11 juli 1894 liep er blijkbaar iets grondig mis… Een achteloos weggegooide peuk ? De gasverlichting ? Een snel uitslaande brand vernielde een flink deel van de nog glimmende inboedel, een incident dat in de tijd dat de hal als overdekte markt had gefungeerd niet was voorgekomen.

 

De organisatoren lieten zich niet ontmoedigen door deze tegenslag. De gebeurtenis werd zoals zo vaak juist aangegrepen om belangrijke investeringen te doen. Zo werd er reeds in 1896 elektrisch licht geïnstalleerd. Er werd ditmaal een grote meneer aangetrokken om voor een somptueuze inrichting te zorgen: Alban Chambon, de man die ook voor de interieurdecoratie van het Hotel Metropole zorgde, en het sprookjesachtige decor binnen in het Kursaal van Oostende ontwierp. De Fransman gold als iemand die de toenmalige smaak van de rijke bourgeoisie feilloos aanvoelde, en daar meesterlijk mee kon omspringen.



In de daaropvolgende jaren groeide de Palais d’Ete / Pôle Nord uit tot één van de chicste uitgaansgelegenheden van Brussel. In de zomermaanden werd er een tropische tuin aangelegd, en werden er concerten, ballet- en toneelvoorstellingen en galabals georganiseerd. Andere activiteiten leken zo uit een circusprogramma geplukt, zoals een chimpansee-dirigent. In latere jaren zouden er ook sportwedstrijden plaatsvinden.

  

  


Mejuffer Ameta bracht in 1910 een "Danse des miroirs" naar Brussel
Daarboven: de indeling van de zetels volgens prijs,
gaande van 4 fr. voor de loges tot 1 fr. voor het simpelste ticket

Erg populair waren de muzikale revues of “music hall”. Eind 19de eeuw was dit een nieuwigheid op het vlak van ontspanning. Ook deze sensatie kwam uit Parijs overgewaaid. Omdat het hier zo’n “nouveauté” was, waren er nog geen publiekstrekkers van eigen bodem. Daarom werden ook deze in eerste instantie van de Parijse scène uitgeleend. De Palais d’Eté kwam weldra af met een programma, zoals ook de Follies Bergère aanbood. Hierbij wisselden debutanten en gevestigde waarden elkaar af.

    

Onder de grote namen die het Palais d’Eté aandeden bevonden zich ondermeer de Amerikaanse danseres Loïe Fuller (1862-1928). Deze ontwierp zelf haar sprookjesachtige kledij, alsook haar choreografie. Hierboven rechts zijn scènes uit haar beroemde slangendans afgebeeld (1892).

Dan was er ook nog de Franse café-concert zangeres Yvette Guilbert (1867-1944). Guilbert opende trouwens een zangschool in Brussel. Ook de toen erg populaire zangeres Lucette De Verly kwam optredens in de Palais d’Eté verzorgen. Als rasechte Française omvatte haar repertoire naast titels als “Bonsoir Madame la lune” ook menig zeemzoete liefdesliedjes zoals “M’aimez vous”, “La marche des amants”, “Patrouille dramour” etc. etc… Haar carrière was in nogal risqué outfits begonnen, iets waarop de 19de eeuwe bourgeoisie, ten minste de liberale erg tuk op was... (5)

    
Lucette de Verly

Eén van de eerste Belgische artiesten die regelmatig optredens zou komen verzorgen was (toneel)actrice Esther Deltenre (1877-1958). (6) Verder was de muzikale revue “Le Flirt” een groot succes bij de Brusselse bourgeoisie. Behalve zangeressen en danseressen stonden er ondermeer ook goochelaars, buiksprekers, acrobaten en clowns (zoals de beroemde Grock) op de affiche. Wanneer er galabals georganiseerd werden, probeerde iedereen die iets of wat naam in Brussel had en van dansen hield aanwezig te zijn.

   
Links: het "excentric" duo Frankie & Lady ondernam in 1923 een wereldreis.
Behalve Antwerpen stond in ons land ook het 
Palais d´Eté in Brussel op het programma. Daarnaast waren ook Frankrijk en bv. Zwitserland geboekt


Programma uit de 1930´s dat reclame maakte voor de Gelman Girls
Howard Nicholls, MM H. Henry, Mauville, Langlois, de Renny,
Mme Primerose, Mme Dora Lambert, M. Peters, M. Valtrys,
Fred & Perry, de Skating Hamiltons, Maria Lorch en Fransky


Collectie Christ & Kobe Van Herwegen
Ook goochelaar Suzy Wandas (1896-1986) was vaak te gast in het Palais d´Eté

Om nog meer mensen aan te trekken, werd met nog een andere nieuwigheid geëxperimenteerd: filmvertoningen. Het medium film stond nog volop in zijn kinderschoenen, maar de rijke burgerij was verzot op zo’n nieuwigheden. Een belangrijke naam in dat verband was Luc Malpertuis (1865-1933). Deze veelzijdige man hield er een boeiend leventje op na. De man was naast journalist tevens auteur van parodieën en komische opera’s. Zijn scheppend vermogen stopte hier echter niet: hij bedacht ook een aantal balletten en muzikale shows. Hij moet dat blijkbaar erg goed hebben gedaan, want hij werd niet alleen artistiek directeur van de toneelzaal l´Alcazar in de Arenbergstraat (van 1890 tot 1897), maar ook van de Palais d’Eté. In beide spektakelzalen experimenteerde hij met een “cinetograaf”. Cinema stond nog helemaal in zijn kinderschoenen, en het succes was al snel overweldigend. Malpertuis wist zijn publiek te vermaken met amusante kinderachtigheden als de beelden achterste voren te draaien. Beelden van zwemmers die weer vanuit het zwembad op een springplank belandden zorgden voor veel hilariteit. De bezoekers waren verslingerd op zo’n koddigheden. Hij probeerde ook allerlei grappige effecten uit met de verlichting. De toenmalige pers rapporteerde verheugd over al die nieuwigheden, wat de bezoekersaantallen nog eens extra ten goede kwam. (7)

Behalve de filmvoorstellingen werde er ook op geregelde tijdstippen tentoonstellingen georganiseerd in de vrij grote zaal. Zo vond er in 1902 zowaar een klein autosalon plaats. In 1905 hield de Union Syndicale des Hoteliers, Restaurateurs & Cafetiers er een tentoonstelling van "Art Culinaire, d´Alimentation et de l´Industrie des Hotels, Restaurants et Cafés." Het archief van de Stad van Brussel bewaart een affiche van dit gebeuren. (affiche 1900/77)

Dank zij bovenstaande reclame uit het begin van de 20ste eeuw weten we ook hoeveel de entreetickets kostten. Dit was nog een tijdperk waarin vakbonden bikkelden om een opslag van enkele centiemen per uur.... !

Blijkbaar waren er ook amusementsspelen in de Palais d’Eté ondergebracht. Deze bevonden zich naar verluidt in de galerijen op het verdieping. Deze galerijen liepen helemaal rond de zaal, een beetje zoals de balkons van een toneel- of operagebouw. De Palais d’Eté groeide snel uit tot één van de belangrijkste uitgaansaangelegenheden.

2.b) De Pôle Nord

       
Collectie Stad Brussel (rechts affiche 1900/49)

  
Rechts: Collectie Laurie Fierstein (met toestemming)

Jaarlijks wijzigde de bestemming van de Palais d’Eté ´s winters in die van ijspiste. Ook van dit schaatsplezier werd een zeer mondain gebeuren gemaakt. Een goed orkest zorgde voor een aangenaam muzikaal kader. De schaatspiste betreden werd een uitgelezen manier om er te paraderen en koketteren. In een tijdperk waarin rolpatronen nog strikt gescheiden waren, gaf de ijspiste mannen de gelegenheid om acrobatische en halsbrekende toeren uit te halen of om zich eerder de perfecte gentleman te tonen, compleet met buishoed en monocle. Zo was een helpende hand bij het vastmaken van ijsschaatsen of bij een val natuurlijk altijd welkom. Van de vrouwen werd gewoon verwacht dat ze zich van hun elegantste zijde toonden. Dat betekende in die tijd echter nog niet dat van de élégantes verwacht werd dat ze hun “beste beentje" zouden voorzetten. De (stilzwijgende) dressing code was zeer strikt, en schreef lange kledij voor, die de benen (zo goed als) volledig bedekte. Geen Holiday on ice-toestanden dus.

    
Uiterst links: naaipatronen uit 1898

     
links en rechts: twee populaire attributen: een bonten stola en een "moffel",
waarin
de twee handen "weggemoffeld" kunnen worden

 

De dames pronkten er met dure jassen, pochten er met zwierige hoeden en kostbare stola’s. Vermoedelijk maakte zo’n outfit al te enthousiaste pirouettes of zelfs maar een voorzichtige enkelvoudige Lutz (°1913) een hachelijke onderneming.


Barney & Berry schaatsen uit omstreeks 1896
Ze werden met een soort sleuteltje vastgeklikt
aan de schoenen of laarsjes

Temeer daar de schaatsen uit die tijd niet vergelijkbaar waren met die van vandaag de dag. Vaak werden de metalen stukken gewoon omheen hoge schoenen vastgebonden. In mondaine publicaties van de eerste helft van de 20ste eeuw verschijnen in het winterseizoen meer en meer reclames voor schaatsen, zoals bijvoorbeeld voor het Franse Mer de glace, het Amerikaanse Barney & Berry of het Duitse Polar.

    
Je vous aime... (Skating flirt, 1911) en een snoezige "diecut"
(let op het model van schaatsen in de hand van het meisje)

Heel dat schaatsgebeuren had wellicht veel minder met sporten en fitheid te maken dan met romantiek en flirten. Er werd dan ook een heel aura rond zo’n avondje uit op een feeërieke schaatsbaan geweven door middel van liedjes, postkaarten of tekeningen over het thema. Door middel van somptueuze decors, ronkende namen (“Palais de Glace”) enz. werd er iets sprookjesachtig van gemaakt, met een snuifje Parijs, een scheutje Wenen en een paar koffielepels St. Petersburg als extraatje. De chicste ijspistes maakten er bijna een soort hofbal van, soms met verkleedpartijen of andere vermakelijkheden.

 

2.c) Shoppen in de buurt en een avondje uit

De toenemende populariteit van deze uitgaansgelegenheid had ook zo zijn invloed op de buurt. De zuidelijk deel van de Centrale Hallen bleef gewoon verder bestaan. Vanaf de vroege morgen ontplooide het zijn marktactiviteiten, en bracht het een apart wereldje van marktkramers, kruiers, leveranciers, inkopers en nieuwsgierigen op de been. Maar van zodra de avond begon te vallen, maakte dit bont en schreeuwerig wereldje plaats voor een heel ander publiek. Een publiek met veel duiten, op zoek naar amusement en vertier.

Zo’n avondje uit in de Pôle Nord of de Palais d’Eté werd dan ook vaak gecombineerd met een etentje of wat glaasjes, misschien wel wat patisserie, wafels of een Dame Blanche…De grote boulevards met hun talrijke restaurants, tavernen, cafeetjes, herbergen lagen dan ook vlakbij. Maar ook in de directe nabijheid van de Palais d’Eté / Pôle Nord vestigden zich een aantal horeca-zaken, die elk hoopten zoveel mogelijk graantjes mee te pikken van deze publiekstrekker van formaat.

 

 

 

Op de hoek van de Rue des Halles en de Rue Grétry, vlak aan de in/uitgang van de Palais d’Ete bijvoorbeeld bevond zich de Filet de Sole, destijds een zeer gekend visrestaurant uitgebaat door Paul Bouillard. De zaak maakte reeds in 1910 reclame in de programmaboekjes van het Palais d´Eté.

Het hoekgebouw werd later het Hotel Ruche-Bourse, uitgebaat door het echtpaar C. Coomans-Vanderelst.

Het gebouw bestaat nog steeds, maar onderging wel een aantal beperkte transformaties, onder andere aan de vensters.

   


Om de één of andere reden werd op de illustratie die eerder werd
afgebeeld een tweede rondboog links van het raam in de Grétrystraat
toegevoegd. Wellicht was het de bedoeling de zaak wat groter voor te
stellen dat ze eigenlijk was...

In de Grétrystraat had men ook nog een Ancien Munich (nr. 45). Later vestigde ook de Florentin (nr. 42) zich in deze drukke uitgaansbuurt.

 
Chromo van de Vièrge Noire, die vermoedelijk in
het huidig Aziatisch grootwarenhuis gevestigd was 

 

Behalve horeca-zaken was er ook grote modewinkels, kleinere handelszaken en een aantal bedrijven in de buurt. Naast de Grands Magasins de la Bourse op de Anspachlaan waren er ook "A la Vièrge Noire", "Au dôme des Halles" (1890´s) en "Esders" in de Zwarte Lievevrouwstraat. De reclamekaartjes van de Vièrge Noire plaatsen de winkel op de hoek van de St Kathelijnestraat en de Zwarte Lievevrouwstraat, zodat het zeer waarschijnlijk ging om het pand waarin thans een Aziatisch grootwarenhuis gevestigd is. (foto hierboven). Uit de informatie op de achterzijde van een oud reclamekaartje blijkt deze zaak gespecialiseerd te zijn geweest in confectie voor mannen en kinderen.

Het ruime "fabrieksgebouw" van Esders lag dan weer vermoedelijk in het huizenblok waar thans het Novotel gelegen is. (Ook in de buurt, maar aan de andere kant van de Anspachlaan bevond zich nog het Grande Maison de Blanc, waarover meer in een volgend Retroscoop-artikel)

  

Onder de kleinere winkels was er de zaak van Maurice Frères, waar de broers stoffen bloemen, pluimen, zijde, fluweel en allerlei linten verkochten.  Deze zaak bevond zich op nr. 11 in de Grétrystraat. Behalve deze handelszaken die op een welstellend publiek mikten, waren er uiteraard ook winkels, waarvan de activiteit eerder samenhing met de nog functionerende Zuiderhal of de openluchtmarkten in de buurt. In de Kippenmarkt(straat) bevindt zich vandaag de dag een slagerij, die "Boucherie des Halles" heet. Navraag bij de uitbaters leerde ons dat dit oorspronkelijk de "Triperies de la Bourse" was, een zaak omstreeks 1883 gesticht door de familie Schueremans. (Zo nu en dan duikt er wel eens een receptenboekje van deze zaak op veilingssites op). De huidige eigenaars namen de zaak over in 1982, en veranderden toen de naam in Boucherie des Halles. De nieuwe naam verwees enerzijds naar de toen al lang verdwenen Hallen, en teglijkertijd naar het feit dat deze slagerij niet langer fijnkost van diereningewanden maakte.

Wat bedrijfjes in de buurt betreft was er bijvoorbeeld ASEA op het nr. 21 van de Grétrystraat. Wellicht was het frivole uitgaanspubliek echter niet zo meteen geïnteresseerd in hun elektromotoren.


Het Grand Hotel op de Anspachlaan
Een sierlijk bordje kondigt de nabijheid van de Palais d´Eté aan

Eind 19de eeuw veranderde het centrum van Brussel op een razendsnel tempo in een mooie stad, met brede, statige lanen en sierlijke gebouwen, die elkaar lustig beconcurreerden in elegantie. Uiteraard was er –net zoals in Nice bijvoorbeeld- ook een heel ander Brussel, het Brussel van slecht onderhouden volkswijken, van kroostrijke gezinnen, van arme blauwkielen. Ook de Belgische hoofdstad ontsnapte niet aan legertjes werklozen, dronkaards, krotwoningen en stinkende straatjes. Maar voor de rijke bourgeoisie moet de Belle Epoque één groot feest zijn geweest, met als orgelpunt de Wereldtentoonstelling in 1910. Dit waren dan ook de gouden jaren van de Palais d’Eté/Pôle Nord, en tal van andere uitgaansgelegenheden. (8)

De Eerste Wereldoorlog bracht hier op drastische wijze verandering in. Landen die in 1913 nog (redelijk) broederlijk naast elkaar mooie paviljoenen hadden neergepoot op de Wereldtentoonstelling van Gent vlogen elkaar naar de keel. Op vier jaar tijd werden flinke delen van ons landje in flarden geschoten, en de bevolkingsstatistieken maakten een diepe duik zoals die van een slechtvalk. De Pruisische bezetters palmden niet alleen de beste hotels in, maar legden bijvoorbeeld ook beslag op de Palais d’Eté.


Guten Apetit jawohl...

Na de oorlog werd de eens zo feeërieke zaal niet meteen weer een uitgaansgelegenheid. Tijdelijk werd ze namelijk gebruikt voor de organisatie van een soort "veldkeuken" en als verdeelplaats voor kledij door l’Oeuvre du Vêtement et de la Soupe Scolaire”. Deze liefdadigheidsorganisatie zich zich mee in om het leed na de oorlog zoveel mogelijk te verlichten. Ook het Britse leger organiseerde er tijdelijk een aantal activiteiten, kwestie van de overgebleven soldaten te entertainen.

In het interbellum hernam de Palais d’Ete / Pôle Nord haar activiteiten. Zo werden er bijvoorbeeld de Belgische kampioenschappen voor accordeon geörganiseerd. In 1921 behaalde de Luikenaar Michel Haling er bijvoorbeeld de eerste prijs. De numero uno in België liet het uiteraard niet na om dit feit trots te vermelden op zijn briefpapier. Haling was al meer dan 10 jaar actief in zijn branche toen hij Belgisch Kampioen werd. Zo nam hij deel aan de Wereldtentoonstelling van Brussel (1910) en was hij verbonden aan het Luna Park in de Belgische hoofdstad. (In de buurt van het Saincteletteplein)

 
Michel Haling omstreeks 1923

In 1936 installeerden Govaerts en Van Vaerenbergh een draaibaar podium in het gebouw. De concertzaal biedt dan plaats aan 1700 mensen. Een aantal grote namen uit de Chanson Française gaven er erg gesmaakte optredens, waaronder Lucienne Boyer, Maurice Chevalier en de knotgekke Ray Ventura et ses Collégiens. Deze laatste werd razend bekend met het nummer “Tout va très bien, Madame la Marquise.”

Op het eerste verdiep werd tevens een dancing geopend, naar verluidt "l´Heure Bleue" genaamd, in de kelderruimte een "Weinstube". Wat de Pôle Nord betreft, deze kreeg af te rekenen in de 1930’s met de opkomende wintersportvakanties. De organisatoren probeerden dan maar het tij te keren door bijvoorbeeld de absolute IJskoningin uit de 1930’s, de Noorse Sonja Henie uit te nodigen. Jarenlang was ze onverslaanbaar in de Europese en Wereldkampioenschappen. Ze won ook drie opeenvolgende gouden medailles tijdens de Olympische Winterspelen. Henie gaf in 1935 een memorabel optreden in de Pôle Nord. In de daaropvolgende jaren echter raakte de ambitieuze Noorse, net als piloot Charles Lindbergh iets te gecharmeerd door Adolf Hitler, om onbesproken te blijven.

3) Hondenrenbaan

In 1940 viel Duitsland een tweede maal ons land binnen. Opnieuw werden tal van Brusselse hotels, appartementen en schoolgebouwen opgeëist. In tegenstelling tot tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de Palais d’Ete / Pôle Nord niet aangeslagen. De verantwoordelijken hadden echter totaal geen zin om het normale programma te handhaven. Andermaal werd aan een carrièreswitch voor de noordelijke hal gedacht. In 1941 was het zover: nooit meer zou er in de zaal geschaatst of gezongen worden. In dat sombere oorlogsjaar werd besloten om de hal in een cynodroom of hondenrenbaan om te bouwen.


Reclame uit ca. 1944

De ronkende naam Palais des Lévriers kon niet verbergen dat de zaak hiermee definitief haar elitair karakter kwijtspeelde. De koersen met windhonden in een overdekte piste staan bekend als “racing”. De viervoeters moeten een afstand tussen de 280 en 700 meter afleggen, en spurtten daarbij achter een mechanische haas die op een railsysteem voort stuift. De elite keek wat neer op deze vermakelijk-heden, waarop ook flink op gewed werd. Het werd beschouwd als de “paardenrennen van de gewone man.” Een aankondiging gepubliceerd in Sport Elevage (26 nov.-1 dec. 1950) spreekt van dagelijkse koersen, die om 19 u begonnen. In hetzelfde nummer werd in een andere aankondiging melding gemaakt van de combinatie van hondenrennen en catch wedstrijden, waaronder de kampioenschappen van België voor medium gewichten. (zie hieronder)

Na de oorlog was de fut er snel uit. De hondenrenbaan zong het nog uit tot in 1953, waarna men definitief het gebouw afsloot. Foto’s uit die tijd tonen dat het vervolgens snel in een verwaarloosde toestand achter bleef. Ondertussen was Brussel en België in de ban van een nieuw evenement dat met rassé schreden naderbij kwam: de Wereldtentoonstelling van 1958. Deze zorgde voor een koortsachtige sfeer bij ondernemers, speculanten en investeerders. In een mum van tijd wou men Brussel een modernere aanblik geven. De tunnels in de Kleine Ring werden gegraven, en her en der verrezen hoge kantoorgebouwen. Er werd totaal ondoordacht, achteloos of zelfs compleet minachtend omgesprongen met waardevol cultureel erfgoed. Zonder pardon werden een aantal mooie gebouwen tegen de vlakte gekeild, een moderniseringsfeest dat in de volgende decennia lustig zou doorgaan. In de aanloop van de Wereldtentoonstelling moest ook worden gezorgd voor voldoende logeermogelijkheden en parkeerplaatsen in de hoofdstad. Dit laatste was ook een eis van de middenstand in Brussel.

Ook de ooit zo trotse Palais d’Eté / Pôle Nord zou één van de talrijke slachtoffers worden van deze frenesie. Investeerders lieten hun zakelijk oog op de verpauperde plek vallen, waarmee het lot van de vroegere noordelijke hal bezegeld was. In 1956 werd de noordelijke hal van het gebouw uit glas en sierlijk gietijzer zonder pardon afgebroken. Schepen Paul Vanden Boeynants –zo’n beetje de vertegenwoordiger van de middenstanders in het stadsbestuur- kreeg het stadsbestuur zo ver om de vrijgekomen grond voor 99 jaar voor een prikje te verhuren aan een groep bevriende investeerders.


Charly De Pauw kijkt de toekomst met een evidente gretigheid tegemoet
Zijn zakelijk succes betekende de doodsteek voor heel wat erfgoed

Deze groep werd geleid door projectontwikkelaar Charly De Pauw, tot dan toe een groothandelaar in brandblussers. Hij schaarde de broers De Clerq –twee garagisten- achter zich, en verzamelde de nodige fondsen om een grote parking neer te poten op de plek waar ooit élégantes en fiere meneertjes in stadskledij geschaatst hebben.

In 1957 werd met de bouw van de omstreden Parking ’58 begonnen. Het werd een modern, functioneel maar ter zelfde tijd ook compleet fantasieloos en eigenlijk simpelweg oerlelijk gebouw. Het was de allereerste parking in zijn genre in Europa. Het complex bezit een cirkelende oprijlaan, die aan in totaal 500 auto’s toelaat om op één van de 8 verdiepingen te stationeren. Gemiddeld 3000 auto’s per dag reden het gebouw binnen en eventueel weer buiten.

De “Consortium des Parking”, één van de talrijke bedrijfjes die De Pauw zou oprichten, liet het daar niet bij. Nog in 1958 openden het een tweede parking nabij de Albertina, het koosnaampje van de Nationale Bibliotheek op de Kunstberg. De Pauw zou in de jaren ’60 verschillende grote kantoorgebouwen laten optrekken, die natuurlijk een toenemend aantal auto’s naar de hoofdstad bracht. Vervolgens opende hij betalende parkings, zodat ook nog eens daaruit inkomsten gepuurd konden worden. Zijn “Consortium” opende na Brussel ook een aantal parkings in Antwerpen, Gent, Luik, Amsterdam… Jammer genoeg betekenden de projecten van De Pauw het einde van heel wat waardevolle gebouwen.

Hoewel de Palais des Lévriers dus reeds in 1956 afgebroken werd, bleef de zuidelijke hal dus nog enige tijd overeind. Op gegeven moment vestigde zich hier de eenheidsprijzenwinkel Priba Halles. Priba had in die periode een 8-tal vestigingen in Brussel. Uiteindelijk, wellicht rond 1958 verdween ook deze zuidelijke hal, en liet Charly De Pauw er een hoog kantoorgebouw optrekken.

De Grétrystraat liep vanaf dan ook niet langer door tot aan de Zwarte Lievevrouwstraat. Wel werd in een voetgangerspassage onder het kantoorcomplex voorzien. De Pauw liet vervolgens bulldozers los op tientallen huizen in de Noordwijk, waar hij een soort Manhattan wou zien verrijzen rond een Belgische WTC. Zoals aan bod kwam in het artikel over de helikopters van Sabena was het eventueel zelfs de bedoeling om hefschroefvliegtuigen op het dak van de hoge torengebouwen te laten opstijgen en dalen. De oliecrisis vertraagde heel het project echter aanzienlijk.

4) Volledig spoorloos ?

Van de vroegere Centrale Hallen blijft anno 2012 zo goed als niets over. Beide hallen en de centrale doorgang werden volledig vernield, en voor zover bekend werden de gietijzeren structuren of andere waardevolle onderdelen niet gerecupereerd. Het enige aandenken aan die ooit zo mondaine plek zijn twee wat verdekt opgestelde standbeelden op een pleintje voor het Centre Grétry, dat zelf in de plaats kwam van het prachtige Grand Hotel.

Het gaat om twee gegoten beelden van Louis Samain (1834-1901). Er is enerzijds een wulpse vrouw, die de Aarde voorstelt, en anderzijds een man met een lange baard, een allegorie voor het Water. Daarnaast moeten er ooit beelden hebben bestaan die de Landbouw en de Tuinbouw moesten voorstellen. Deze vier beelden werden op de buitenste hoeken van de twee vleugels geplaatst.

Volgens de website van de Archieven van Brussel werden op een gegeven moment 5 van deze bronzen beelden gestolen uit het magazijn van de dienst Architectuur in Haren. In het archief worden 61 foto´s van deze beelden bewaard, getrokken in 1981, 1992 en 1994. De diefstal lijkt dus uit dat jaartal te dateren.

Zoals gezegd staan het Water en de Aarde wat verdekt opgesteld op het pleintje voor het Centre Grétry. Sedert er daar een stevig metalen hek werd geplaatst, kan men ze niet zo gemakkelijk gaan fotograferen. Maar zoals de diefstal in het depot in Haren aantoont, deinzen dieven voor niets terug. Het hekwerk staat er echter niet zozeer voor de beelden, maar om er clochards en dronkaards weg te houden. AL werden op deze manier twee vliegen in één klap geslagen. Al blijft zelfs zo een diefstal niet 100 % uitgesloten. Op het kerkhof van Laken werden enkele bronzen beelden door dieven met een kraanwagen simpelweg over de muur rond het kerkhof opgetild, en op een vrachtwagen geplaatst. Al is zo´n spectaculaire actie in hartje Brussel wellicht iets minder voor de hand liggend. Maar, zoals James Bond ook al wist, never say never.

Om met Samain te eindigen, de kunstenaar ontwierp ook een soort vrijheidsstandbeeld dat tot 1901 op het dak van het Hotel Continental troonde. Dat jaar werd het dak van het hotel door een brand verwoest, waarbij ook het beeld verloren ging. (Zie Retroscoop Rubriek Vrije Tijd & Amusement, Prinselijk overnachten in Brussel Deel 2) We komen Samain ook op deze website tegen in het artikel gewijd aan het Brusselse Zuidstation. Hij was namelijk de man achter het fraaie standbeeld van een godin in een gevleugelde praalwagen dat de enorme triomfboog voor het station bekroonde. Dat beeldhouwwerk werd in 1947 verwoest. (Rubriek Architectuur, Het pareltje van Payen)

Naschrift

In maart 2018 werd begonnen met de (gedeeltelijke ?) afbraakwerken van de gebouwen die de plaats ingenomen hadden van de Palais d´Eté / Pôle Nord. En zo herhaalt de geschiedenis zich, illustrerend hoe een stad als een levend organisme cellen blijft afstoten en nieuwe aanmaken. Begin april deed de situatie wat denken aan het kapotgeschoten Syrië of Libanon.

 

Voetnoten en bedankingen

Onze dank aan lezer Walter Festraets, die ons wist te vedruidelijken waar het restaurant Filet de Sole zich vroeger bevonden heeft. Wie zelf nog aanvullingen aan dit artikel kan verschaffen, kan ons steeds via het bekende e-mail-adres info@retroscoop.com bereiken.

(1)  Geciteerd in: Vantroyen Jean: Bruxelles d’hier et d’aujourd’hui / Ce sont les autos qui valsent dans l’ancien Palais d’Eté. (Le Soir, 8 mars 1993)

(2)  Volgens Jean Vantroyen werd het gebouw ontworpen door de befaamde architect Jean-Pierre Cluysenaer, die ondermeer ook de Koninginnengalerij, het Muziekconservatorium en de kiosk in het Brusselse warandepark ontwierp. Voorlopig vonden we geen andere bron om dit te bevestigen of te weerleggen.

Zie: Vantroyen Jean: Bruxelles d’hier et d’aujourd’hui / Ce sont les autos qui valsent dans l’ancien Palais d’Eté. (Le Soir, 8 mars 1993)

(3)  Mahutte, Franz: Bruxelles vivant (Brussel, Bureaux de l´anthologie contemporaine des écrivains français et belges, 1891)

(4)  In Antwerpen bouwde men in 1893 een kleine overdekte markt of Criée op de Kunstlei, waar zich thans de Opera bevindt. Amper 11 jaar later werd ook deze weer afgebroken).

Over hoe men in Parijs en Brussel in die periode precies technisch te werk ging om zo’n grote piste van een ijslaag te voorzien, schijnt niet zo veel geweten te zien. http://fr.wikipedia.org/wiki/Patinoire

(5)  Uitgebreider overzicht van de Verly´s repertoire

(6)  Esther Deltenre speelde 6 verschillende rollen in film in Brussels dialect. Ze kreeg zeer veel lof voor haar toptredens in de Alhambra, de grootste speltakelzaal van Brussel (2000 zetels)

(7)  Vantroyen Jean: Bruxelles d’hier et d’aujourd’hui; Ce sont les autos qui valsent dans l’ancien Palais d’Eté. (Le Soir, 8 mars 1993)

Convents, Guido: Van kinetoscoop tot café-ciné: de eerste jaren van de film in België, 1894-1908  Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2000 

(8)  Voor een goed overzicht van de voornaamste uitgaansgelegenheden in die tijd in Brussel zie: (Collectief): Plaatsen om te feesten (Brussel, Brussels Hoofdstedelijk Gewest / Pierre Mardaga, 1998)

 

 
 
database afsluiten