Retroscoop - Norbert Laude en de Koloniale Hogeschool van Antwerpen RetroScoop
 
   Maatschappij
    
 
 
De ´klik´ naar je gedroomde Klassiekers

Een opmerkelijke carrière
 
Norbert Laude en de Koloniale

Hogeschool van Antwerpen

 

Tekst: Benoit Vanhees
Beeldmateriaal: Frederik Janssens / Benoit Vanhees

Inleiding

Er zijn zo van die namen, die gedurende een heel tijdperk een prominente plaats innemen, om kort daarop vreemd genoeg weer in de anonimiteit op te lossen. De naam Norbert Laude is daar een mooi voorbeeld van.

Als directeur van de Koloniale Hogeschool te Antwerpen heeft de man drie decennia lang zijn stempel gedrukt op het koloniale avontuur van België. Toch is zijn naam vandaag de dag zo goed als vergeten, tenzij in de kringen van ex-kolonialen en enkele navorsers. Wie de proef op de som neemt, en de naam door de Google-zoekmachine haalt, zal maar enkele puzzelstukjes aan informatie weten te vergaren. Het leek Retroscoop dan ook interessant om eens over de Koloniale Hogeschool te Antwerpen te schrijven, via de invalshoek van de man die er 32 jaar directeur van was.

Het toeval bracht me op het spoor van een collega retro-liefhebber, die op een zeer interessante schat aan documenten van de man in kwestie was gestoten. Frederik Janssens, een amateurfotograaf gebeten door oude leegstaande gebouwen en door de geschiedenis van de scheepvaart stootte tijdens één van zijn speurtochten op enkele kartonnen dozen, achtergelaten voor een leegstaand gebouw, waarvan men het dak al aan het slopen was. In zeven haasten slaagde hij erin deze dozen nog in veiligheid te brengen. Het bleek een gouden greep ! Zijn oorlogsbuit die dag bestond uit een hoogst interessante collectie aan foto´s, zakboekjes en persoonlijke papieren van Norbert Laude. Een deel hiervan zal voor het eerst in dit artikel gepubliceerd worden.

Verder werd vooral gebruik gemaakt van archieven die door het SOMA, het Studie- en documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij bewaard worden. De referentienummers van de archiefmappen, die soms documenten zonder echte titel of datum bevatten, werden op het einde van dit artikel opgenomen. Tot slot werd de alzo bekomen tekst herlezen en becommentarieerd door een aantal voormalige studenten van de Koloniale School, die dank zij Prof. Dr. Werner Cornelis de oorspronkelijke tekst toegestuurd werden.

Dit biografisch artikel is slechts een eerste aanzet om de schaarse informatie over Laude op een rij te zetten, en pretendeert zeker geen volledigheid. Gezien zijn belang voor wat betreft België´s koloniaal verleden en zijn prominente rol in het Antwerps verzet mag het verbazingwekkend heten dat dit nog niet eerder op het internet gebeurd was.

 

1) Academische opleiding en eerste professionele stappen

Norbert Laude werd op 24 mei 1888 te Schaarbeek geboren. Hij studeerde aan de Universiteit van Parijs, waar hij de graad van Dokter in de Rechten behaalde. Daarnaast behaalde hij eveneens een Doctoraat in de Politieke Wetenschappen. Het SOMA-archief bevat ondermeer een dunne map met verschillende biografische documenten van of over Norbert Laude. In één van deze documenten wordt in de rubriek publicaties gesproken over een thesis over ´corporaties in de middeleeuwen´. Deze zou in 1914 als publicatie zijn verschenen. Dit onderwerp lijkt ons eerder een politiek dan een juridisch thema, we vermoeden dus dat dit het onderwerp was van zijn doctoraatsthesis Politiek Wetenschapper. Er is ook sprake van een handgeschreven thesis waarmee hij zijn Doktersgraad in de rechten behaalde. Dit document zou tijdens de oorlog verdwenen geraakt zijn.

Vooralsnog is het gissen in welk soort recht hij zich gespecialiseerd heeft, en is het ook onduidelijk wat het onderwerp van zijn juridische thesis was. Gezien zijn latere carrière, lijkt een grote belangstelling voor administratief of (vergelijkend) publiekrecht een mogelijkheid.

Op 1 januari 1913 begon de Inrichting voor Katholieke Belgische Informatie, beter bekend onder de Franstalige benaming Institut de Documentation Catholique (IDC) haar werkzaamheden. De zeer gelovige Norbert Laude werd er “algemeen schrijver” of secretaris. Dit Instituut stond onder leiding van Abbé Floris Prims (1882-1954), die later bekend zou worden door zijn zeer uitgebreide studie van de Antwerpse geschiedenis (verschenen in 1949) (1)

Het IDC was een poging vanuit katholieke hoek, om net als de arbeidersbeweging een documentatiedienst op te richten, die zich op politieke vraagstukken zou concentreren. Ook het IDC wou met andere woorden systematisch in kaart brengen welke organisaties zich per provincie met welke onderwerpen bezig hielden, welke hun publicaties waren enzovoort. (2)Laude bleef hier werkzaam tot 1914.

Hij ontpopte zich tot een vurig pleitbezorger van het Katholicisme. En dat de gemoederen tussen Katholieken en Vrijzinnigen in die onstuimige jaren voor WO 1 soms wel erg hoog konden oplopen, ondervond hij aan den lijve. Het incident vond plaats op een avond in 1914. Hij trok toen naar een politiek debat, georganiseerd door een groep van vrijzinnigen. Laude had er voortdurend de sprekers onderbroken, om zijn ongenoegen over hun meningen te uiten. Bij het verlaten van het gebouw loste een heethoofd een revolverschot op hem. Hoewel hij geraakt werd, overleefde Laude deze politieke aanslag. Het zou niet de laatste maal zijn dat hij met de dood zou flirten.

In hetzelfde jaar werd hij hoofdredacteur van de katholieke publicatie "Le Journal de Bruxelles". Hij volgde er de overleden Mr. Herk op. We vermoeden dat het gaat om de publicatie die zich tussen 1840 en 1926 (?) dagelijks boog over een scala aan politieke, literaire en commerciële onderwerpen. (3)In de SOMA documentatiemap die de curricula van Laude bevat, maakt één document zonder titel ook gewag van een publicatie getiteld “Patriote”, waarvoor hij in 1914 gewerkt zou hebben. We vermoeden dat hiermee de katholieke krant opgericht in 1894 door de broers Jourdain bedoeld wordt. Deze krant was de voorloper van La Libre Belgique en de zusterpublicatie van Le Patriote Illustré (1895). (4)

 

2) De Groote Oorlog

    

Op 4 augustus 1914 vallen de Duitse Keizerlijke troepen ons land binnen. Dezelfde dag werd Laude één van de 40 000 vrijwilligers, die naar het front trekt. Hij werd toegevoegd als onderluitenant aan het 22ste Linieregiment van Gent, een ontdubbeling van het 2° Linieregiment uit Namen. (5)Hij bood zich aan bij de 1° Compagnie de patrouilleurs-mitrailleurs, een eenheid die bijzonder gevaarlijkste missies voor haar rekening nam. Hij werd snel bevorderd tot Luitenant in de infanterie.

In augustus 1915 werd hij weggehaald van het Europees front, om toegevoegd te worden aan de staf van Generaal Charles Tombeur. Duitsland bezat in die tijd een aantal kolonies in Afrika. Droomde men er in Berlijn misschien van om de beperkte Duitse koloniale bezittingen aan de Westkust met die aan de Oostkust te verbinden ? In dat geval moet de Belgische aanwezigheid in Kongo de Duitse Keizer en de militaristische kliek rond hem behoorlijk dwars hebben gezeten. Sommige onderzoekers wijzen erop dat er geen bronnen bestaan, om die corridor-hypothese te bevestigen. 

Nochtans probeerde de Duitse diplomatie Groot-Brittannië en Frankrijk reeds voor de oorlog ervan te overtuigen, dat Leopold II onmogelijk alle kosten kon dragen van zo’n groot gebied. (Na Leopold´s overlijden in 1908 veranderde het statuut van de Onafhankelijke Kongostaat met Leopold II als staatshoofd in dat van een kolonie, die afhing van de Belgische staat.)

Het economisch en militair sterk opkomende Duitsland hoopte op een herziening van het Verdrag van Berlijn uit 1885. In dat jaar had Leopold II door handig manoeuvreren bekomen dat hij staatshoofd werd van de Onafhankelijke Kongostaat. Bijna dertig jaar waren sedertdien voorbijgegaan, en Duitsland -pas in 1871 ééngemaakt- was ondertussen een mogendheid geworden, waarmee rekening gehouden moest worden. Een mogendheid die vond dat het recht had op een veel groter gebied in Afrika. Daar het weinig waarschijnlijk was dat Frankrijk of Engeland een deel van hun Afrikaanse bezittingen aan Duitsland zouden schenken, was het oog van de Kaiser op Belgisch Kongo gevallen.

Het offensief van de Duitse diplomatie bracht echter niet de verhoopte resultaten met zich mee. De oorlogszucht van Duitsland werd hierdoor enkel maar aangewakkerd. Toen het land de Eerste Wereldoorlog ontketende, probeerde Duitsland niet alleen in Europa, maar ook vanuit haar Afrikaanse bezittingen haar geopolitieke ambities waar te maken. België voelde al snel de dreiging voor haar overzeese gebieden, en ook Groot-Brittannië bleef alert. Om het front in Europa niet al te zeer te verzwakken, werden maar beperkte troepenmachten naar Afrika gezonden. (6)Deze beperkte expeditielegers werden vervolgens aangevuld metlokaal aangeworven huurlingen, of in het geval van de Britten met ondermeer Indische soldaten.

      

Het zou ons te ver van ons centraal thema afleiden, om de verschillende Afrikaanse campagnes van België onder leiding van Generaal Tombeur en de Kolonels Molitor en Olsen in detail te bespreken.

Norbert Laude zou oorspronkelijk verbonden zijn geweest aan een afdeling die het XIVde bataljon heette. We vermoeden dat hij in deze periode verschillende malen gepromoveerd werd, eerst tot kapitein, dan tot commandant. Blijkbaar had hij de graad van adjunct majoor, toen hij aan het XIVde bataljon verbonden was. (7)

Nadat hij ziek was geworden, werd hij tijdelijk naar Oeganda gevoerd, waarna hij terugkeerde, en verbonden werd aan het 2° Bureau (militaire inlichtingendienst) van de staf van Generaal Tombeur. Diens “Force Publique” trok ten strijde tegen de Duitsers in Rwanda en Burundi. Ook de Britse Lake Force onder leiding van Generaal Smuts zette de aanval tegen de “Pruisen” in. In april 1916 werden de Duitse bezittingen Rwanda en Burundi bezet. Vijf maanden later, in september 1916 kwam het tot de beslissende Slag om Tabora, de hoofdstad van Duits Oost Afrika (thans Tanzanië). Uiteindelijk werden de Duitsers geleid door Gen. Von Lettow Vorbeck en hun huurlingen verslagen. Ook Laude was van de partij tijdens deze Oostcampagne.

Hij werd er zeer ernstig gewond, nadat een bajonet “lui ouvrit la tête du front jusqu’à la nuque”. Wonder boven wonder herstelde hij echter van deze blessures. Na de Duitse nederlaag was hij een tijd werkzaam als militair auditeur en rechter te Tabora. In 1921 publiceerde hij voorts een boek, onder de titel “Opérations militaires et prise de Tabora”. (1921)

In februari 1917 werd Laude zo zwaar ziek, dat verkozen werd om hem naar Europa te repatriëren. Hij werd naar Frankrijk gestuurd, waar ook de Belgische regering in ballingschap verbleef. Na zijn herstel vroeg en verkreeg Laude de zegen van Min. van Justitie Carton de Wiart om terug naar het front in Vlaanderen te kunnen keren. Hij kreeg de leiding over een groep “patrouilleurs”, die aanvallen uitvoerden tot in de vijandelijke linies. De officieren van deze eenheid werden verondersteld als eersten uit de bevriende stellingen te stormen, en ook als laatste er terug te keren. In 1918 werd hij tijdens een nachtelijke missie door een handgranaat in het gezicht getroffen. Hij kreeg een 60-tal stukjes schrapnel in het gezicht, waarvan er een 20-tal later niet verwijderd konden worden. Hij bleef gedurende 24 u voor dood achter in het no man’s land tussen de stellingen van de twee kampen. De dag erna brachten zijn soldaten hem naar de Belgische loopgraven, en ontdekten tot hun verbazing dat hij nog leefde. Hij bleef maanden volledig blind. Uiteindelijk kon slechts 1 oog gered worden, en werd het andere vervangen door een glazen exemplaar.

In Afrika stelden de Britten zich ondertussen enigszins dubbelzinnig op tegenover die Belgische aanwezigheid in de veroverde Duitse gebieden. In Londen vreesde men dat de Belgen na de oorlog claims zouden maken op deze gebieden, die de Britten zelf wel wilden toevoegen aan hun al uitgebreid Empire. Wanneer de Britten zich in 1917 echter andermaal verplicht zagen om beroep te doen op de Belgen, was het duidelijk dat zulke claims niet zouden uitblijven. Bovendien had België zo koppig stand gehouden tegen de Duitse pletwals, dat het kleine land wel op de één of andere manier een "beloning" verdiend had. Na veel palaveren en een aantal niet altijd even realistische voorstellen van België zelf, werd besloten om België twee mandaatgebieden toe te kennen, namelijk de voormalige Duitse bezittingen Rwanda en Burundi. Voor alle duidelijkheid: een mandaatgebied heeft niet hetzelfde statuut als een kolonie. Het zou ons echter te ver leiden, om het precieze verschil tussen beide diplomatieke statuten in dit artikel uit te leggen. 


3) De jaren na de Wapenstilstand

Op 11 november 1918 gaf Duitsland zich onvoorwaardelijk over. Laude’s inzet werd beloond met een aantal hoge militaire onderscheidingen, waaronder het Oorlogskruis en de Palmes de Chevalier.

Geen wonder dat tal van deuren na de oorlog voor hem open gingen. Hij werd in 1919 secretaris van de Belgische gevolmachtigde onderhandelaar in Den Haag, minister Henri Carton de Wiart. Deze katholieke politicus werd vervolgens, van 1920 tot 1921 Eerste Minister.


Laude in uniform met zijn vrouw
Wie de jongedame in de "geeft acht" houding is en de
man die de "ter plaatse rust" inoefent is echter onduidelijk
 

Luitenant Laude verhuisde in 1921 naar het Ministerie van Koloniën, toen onder leiding van Minister Jules Renkin. Hij werd er attaché, en volgde er Majoor Cayen op als directeur van de Dienst der Voordrachten en Inlichtingen (Service des Conférences et Informations).


Een publicatie van "Lt. N. Laude"
Brussel, Libraire Coloniale 1924

Hij begon al snel deze afdeling verder uit te bouwen tot een heuse propagandadienst. Het was hem namelijk opgevallen, hoe weinig aandacht er in het onderwijs besteed werd aan Belgisch Kongo. Door zijn deelname aan de Commission Coloniale Scolaire en door het organiseren van rondreizende tentoonstellingen, probeerde hij daar verandering in te brengen. Hij was ook de man achter scholenwedstrijden rond de kolonie, die gaandeweg veel bijdroegen tot de groeiende belangstelling voor Kongo. Het stimuleren van de belangstelling in lagere en middelbare scholen voor de kolonie bleef ook de daaropvolgende jaren één van zijn stokpaardjes.


Commissaris-Generaal van de
Belgische Katholieke Scouts
 

Zijn energieke inzet bleef niet onopgemerkt in katholieke kringen. Wanneer het in 1920 tot een afsplitsing kwam van de Belgian Catholic Scouts, die de moederorganisatie Baden Powell Belgian Boy-Scouts als onvoldoende katholiek ervoer, werd Luitenant Laude aangezocht om Commissaris-Generaal van deze Katholieke Scouts te worden. (8) Meteen schiet Laude in actie om aan zijn werk voor het Ministerie van Koloniën ook een scouts-luik toe te voegen. Wanneer hij in 1922 Carton de Wiart naar Belgisch Kongo vergezelt, maakt hij gebruik van die terugkeer naar Afrika om de allereerste Scouts-eenheden voor Afrikaanse kinderen op te richten.

De eerste afdeling kwam onder zijn impuls tot stand te Leopoldstad. Deze groep noemde trouwens Troupe St. Norbert, ter ere van de oprichter. Laude had hiervoor de nodige steun gekregen van de Scheutist Pater Raphaël de la Kethulle. In M’pala vormde Laude ook nog eens de kleine navigatieschool van Pater Tielemans om tot Sea Scouts. (9) Carton de Wiart schreef een gedetailleerd boek over zijn Kongo-reis, en het valt op dat hij dit werk opdraagt aan Luitenant Laude.

  

Laude bleef tot 1927 zijn topfunctie bij de Katholieke Scouts uitoefenen. In maart 1927 kwam het immers tot een hereniging van de Katholieke Scoutsbewegingen. 

In 1922 werd hij belast met een diplomatieke missie bij de befaamde Franse Generaal Lyautey te Marokko. Lyautey is een belangrijk figuur in de Franse koloniale geschiedenis, die zijn sporen in Madagascar en Marokko verdiende. Hij slaagde erin met zijn politiek van pacificatie een zekere rust te bewaren in het Franse protectoraat Marokko, waar hij lang resident-generaal was. Bovendien –een niet onbelangrijk gegeven- was Lyautey tevens de voorzitter van de Franse katholieke scoutsbeweging. (10)

Laude maakte van de gelegenheid gebruik om een aantal cursussen bij zijn Franse gasten in Marokko te volgen, al vonden we geen verdere informatie hierover. Dat de Franse generaal en later maarschalk een onuitwisbare indruk bij hem heeft nagelaten, blijkt wel uit het feit dat Laude in 1935 een boek schreef over "l´Action sociale du Maréchal Lyautey".

In hetzelfde jaar als deze diplomatieke missie bezocht Laude ook Kongo en Rhodesië, waar hij conferenties gaf over de Belgische acties in Afrika tijdens WO 1. Daarnaast verschenen in dat jaar drie boeken van hem (zie publicaties) 

Tussen 1924 en 1925 was Laude adjunct kabinetschef van Minister van Koloniën Henri Carton de Tournai. (11)Dit bleek achteraf een zeer interessante springplank. In deloop van 1926 kreeg hij immers opeens een gouden kans, die hij stevig, met beide handen zou vastnemen. Maar eerst moeten we even een stap terug in de tijd zetten...


4) De oprichting van de Hogere Koloniale School 

Sedert 1906 bestond er te Brussel een school voor Tropische Geneeskunde. (ze werd pas officieel erkend door een KB van 30 sept. 1910)  Deze bood aan geneesheren en veeartsen een bijkomende opleiding, die hen toeliet om met meer kennis van lokale toestanden in de toenmalige Kongo Vrijstaat aan de slag te gaan. (zie verder)

Voor functionarissen belast met bestuurlijke aangelegenheden bestond er echter geen degelijk uitgebouwde tegenhanger. Er was weliswaar de Koloniale School in Brussel. Deze school bood sinds 1894 een korte en vrij elementaire koloniale opleiding aan, en was toegankelijk voor mensen die reeds een universiteitsdiploma behaald hadden. Het aangeboden pakket cursussen was vrij beperkt. Zo was er een beknopte inleiding tot de bestuurskunde en boekhouding, wat elementaire kennis van de tropische hygiëne, een basis van één van de inlandse talen, zoals het Swahili en een rudimentaire voorstelling van de etnografische situatie ter plaatse. Deze school bleef echter de volgende decennia een niet te onderschatten rol spelen bij het vormen van de lagere echelons van de Gewestelijke Dienst (de zgn. "Territoriale Administratie" onder het niveau van Assistent-Gewestbeheerder (ATA). Deze groep werd ook wel aangeduid met de term "Agents Territoriaux".

In Frankrijk echter bestond er reeds sedert 1889 een Ecole Coloniale, ontstaan uit de twee jaar eerder opgerichte Ecole Cambodgienne. Ook hier ging het om een postuniversitaire opleiding. (In 1934 werd dit de Ecole Nationale de la France d´Outre Mer, die nog tot 1960 zou blijven bestaan)

Leopold II zag zelf heel goed in dat voor de hogere kaders in Belgisch Kongo een grondigere voorbereiding absoluut noodzakelijk was. Die vaststelling leidde tot een initiatief in die zin. De vorst gaf de eerste aanzet voor de oprichting van een "Ecole Mondiale" te Tervuren. Naast het aanbieden van een postuniversitaire opleiding, zag hij deze toekomstige wereldschool ook fundamenteel wetenschappelijk onderzoek uitvoeren. De toenmalige Belgische regering volgde hem echter niet in zijn gedachtegang. In 1905 kwam het nog wel tot een eerste steenlegging. Tussen 1905 en 1909, het jaar waarin Leopold II overleed, gebeurde er echter niets concreets meer. Bij de dood van de vorst stierven zowel zijn visionair project voor een Wereldschool als zijn plan voor de oprichting van een museum van het Verre Oosten een stille dood. (12)Besparingen zijn inderdaad van alle tijden…

Na WO 1 namen de investeringen in Belgisch Kongo sterk toe. De binnen- en buitenlandse kritiek op hoe België haar kolonie en de twee verworven mandaatgebieden Rwanda en Burundi beheerde, luwde echter niet. Een betere voorbereiding van de top van de koloniale administratie bleek dan ook een politieke en diplomatieke noodzaak. 

Dit leidde in 1920 -ondanks voortdurende tegenstribbelingen- tot de oprichting van de “Hoogere Koloniale School”. Het was een initiatief van Minister van Koloniën Louis Franck, die op 11 februari 1920 het nodige Koninklijk Besluit daartoe indiende. Het feit dat Franck Antwerpenaar was, en de nieuwe school in Antwerpen gevestigd zou worden, was zeker geen toeval. Het stadsbestuur van de havenstad had trouwens niet getalmd om toe te happen: meteen werd een mooi stuk grond ter beschikking hiervoor gesteld !


Een prachtige herinneringsmedaille
van de oprichting
van de Koloniale Hoogeschool

Franck was in 1918 de tweede Minister verantwoordelijk voor Belgisch Kongo geworden, en zou 6 jaar lang op deze post blijven. (In die hoedanigheid was hij ondermeer de auteur van een gezaghebbende  "Recueil dInstructions à l´Usage des Fonctionnaires et Agents du Service Territorial. Ministers bleven blijkbaar lang op hun post in die jaren: Franck´s voorganger Jules Renkin bijvoorbeeld leidde maar liefst 10 jaar lang dit departement !


Louis Franck´s voorganger Renkin (rechts)

Hoewel qua opzet minder ambitieus dan de Ecole Mondiale van Leopold II, lagen de verwachtingen voor de Hoogere Koloniale School van meet af aan toch zeer hoog. Vooral de Franse ervaringen op dit terrein -Frankrijk was toen een zeer belangrijke koloniale mogendheid- bleken een erg nuttige inspiratiebron.

De voornaamste financiële injectie voor de Hoogere Koloniale School kwam er dank zij de Amerikaanse Commission for Relief in Belgium. De CRB was opgericht tijdens WO 1 om het geteisterde België er weer bovenop te helpen. Minister van Staat Emile Franqui vond de voorzitter van de CRB Herbert Hoover bereid om 10 miljoen BF van de nog overblijvende geldreserves opzij te zetten voor nieuwe onderwijsinstellingen in België, waaronder de Hoogere Koloniale School. (13)Op de website van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (NFWO) wordt hierover het volgende verteld:

"De CRB was in oktober 1914 opgericht onder voorzitterschap van Herbert Hoover, later president van de VS en goede vriend van Francqui. Na de oorlog hebben Hoover en Francqui de beslissing genomen om de aanzienlijke financiële overschotten van de CRB grotendeels te besteden aan hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, maar bewust niet via regeringsinitiatieven. Naar Amerikaans voorbeeld werd in 1920 te Brussel de Universitaire Stichting opgericht en in New York de CRB Educational Foundation. Ook de universiteiten, de Ecole des Mines in Mons en de Koloniale Hogeschool te Antwerpen kregen hun deel." (14)

Franqui kende Hoover inderdaad al sinds 1896, toen hij de Belgische consul in China was. Beiden lobbyden toen voor het bekomen van belangrijke contracten voor de bouw van spoorwegen, en ontwikkelden daarbij een groot wederzijds respect.

Ondanks het geld van de CRB bleef het de daaropvolgende jaren een hele krachttoer voor de Hoogere Koloniale School om een budget in evenwicht in te kunnen dienen. Gelukkig voor de instelling werd er in het interbellum bij de volgende instanties extra financiële middelen gevonden:

- de Belgische Staat
- de Stad Antwerpen
- de Association des Planteurs de Caoutchou
- het Casteleyn-fonds
- de Fondation des Amis de l’Université Coloniale (Mr. Paul Gustin)
- de Fondation Bunge: Edouard Bunge (1851-1927) en later Willy Friling): de familie Bunge was één van de belangrijkste sponsors geweest van Leopold II´s Kongo-avontuur. Charles Gustave Bunge (1820-1899), de vader van Edouard was begonnen met een import-exportbedrijf van koloniale waren, dat uiteindelijk op 5 continenten handelsactiviteiten ontplooide. Ter ere van Bunge´s enthousiaste steun aan de Koloniale Hogeschool werd de 17de "promotie" naar hem vernoemd.

 

Er kwam ook heel wat hulp van binnen- en buitenland bij de uitbouw van een bibliotheek van:

- de Ecole Nationale de la France d’Outre Mer
- de Alliance Franco-Belge
- de consulaten van de VS, GB en Portugal
- de Ecole Belge d’Etudes et d’Expansion te Luik

De eerste lichting telde 14 studenten. Ze werden ondergebracht in een tijdelijke behuizing op de gronden van het huidige park Den Brandt. De plechtige inhuldiging van de Hoogere Koloniale School vond plaats in oktober 1920. Commandant Charles Lemaire (1863-1926) werd aangesteld als eerste directeur van de nieuwe instelling. (15)


Een nog jonge Luitenant Lemaire 

Lemaire kwam uit de Borinagestreek. Hij had de Koninklijke Militaire School doorlopen. Hij blonk uit in wiskunde en vooral als geograaf. Hij had naam gemaakt als ontdekkingsreiziger in de tijd dat het binnenland van Kongo nog grotendeels terra incognito was. Verder was hij betrokken in de gevechten tegen de beruchte Arabische slavenhandelaars, waarbij hij in 1893 zwaar gewond werd. Later werd hij één van de vurigste pleitbezorgers voor de oprichting van een hogeschool, die in de opleiding van de toekomstige kaders van de koloniale administratie kon voorzien.

Tijdens de eerste jaren van het bestaan van deze hogeschool duurde de opleiding 3 jaar. Tijdens de eerste twee academiejaren verbleven de studenten in het internaat. Ze bestudeerden ondermeer de geschiedenis van de Europese beschaving en van de vorming van koloniale rijken, filosofie, socio-economische politiek, koloniale landbouw, bantoe-linguïstiek en etnologie. Vervolgens werd de toen nog algemene en verplichte militaire dienstplicht vervuld, doorgaans in scholen voor reserve onderluitenanten. Na dit jaar werd dan het derde jaar van de opleiding aangevat, waarin men zich (verder) verdiepte in de geschiedenis van koloniale systemen, cultuur (zeden en gewoonten) en structuur (instellingen) van de lokale bevolking in Kongo. Voorts kreeg men onderricht in Lingala, inheems recht, koloniaal strafrecht, vergelijkend koloniaal publiekrecht, de economische en financiële structuur van de kolonie. (16)

De opleiding werd in de twee landstalen gedoceerd. Van de studenten werd dan ook geëist dat ze beide talen in voldoende mate machtig waren. (Het is ons evenwel onbekend of Lemaire Nederlands sprak. Wat wel geweten is, is dat hij bijzonder geïnteresseerd en bedreven was in Esperanto) Er werd ook aandacht besteed aan zekere politieke evenwichten, zowel in het professorenkorps als bij de studenten.

Net als het leger was de hogeschool een exclusief mannelijke aangelegenheid. Dit was uiteraard een gevolg was van de zware fysische eisen waarmee de toekomstige koloniale beheerders en administratieve kaders in Afrika te maken kregen. Kongolezen waren evenmin toegelaten, omdat ze geen Belg waren. In principe waren de afstammelingen van gemengde huwelijken wel toegelaten, al schijnen ze eerder een zeldzaamheid te zijn geweest. Nochtans merkt een Amerikaans artikel in dat verband op: “Nevertheless photographs from the 1927-28 and 1948-49 promotions show some students of very dark complexion.” (17) 

In zekere zin was de instelling doordrongen van ideeën uit het scoutisme. Men maakte tevens de brug tussen een normale academische  opleiding en de Koninklijke Militaire School. Zowel de directeur als een aantal docenten waren afkomstig uit de strijdkrachten. De studenten verbleven ook allemaal in een internaat (Angelsaksische invloed), en waren onderworpen aan een strenge discipline voor wat bijvoorbeeld opstaan en slapen gaan betrof. Zoals oude foto’s en briefkaarten tonen, droegen ze (bij gelegenheid) een soort uniform. Elke lichting werd genoemd naar een vooraanstaande figuur uit de koloniale (Dhanis, Lemaire, Kol. Van Gele...) of militaire geschiedenis (Gabrielle Petit...). Er was een wapenzaal, want de studenten leerden onder andere schermen en met vuurwapens omgaan. (zie virtuele rondleiding Koloniale Hogeschool Anwerpen)


De 2° promotie, de lichting voor 1921. De foto werd getrokken voor de
voorlopige gebouwen, die in afwachting van de afwerking van het
nieuwe hoofdgebouw gebruikt werden.


Studenten in hun donkerblauw uniform, aan de inkomhal van het nieuwe hoofdgebouw. Let op de koloniale ster boven de paneeldeuren links

Andere hoekstenen waren patriotisme, royalisme en de centrale rol van de Katholieke kerk in het "koloniale oeuvre". Verschillende lesgevers waren dan ook paters-missionarissen, waaronder bijvoorbeeld Abbé Hoffmans (docent psychologie en logica tussen 1920 en 1950).

Lemaire doceerde zelf twee vakken, namelijk cartografie, en het wellicht wat verrassende vak deontologie. (18)  Hij pleitte er ook voor dat zijn studenten veel met hun handen leerden werken. Hij zag dit niet alleen als een noodzakelijke voorbereiding op een tropisch land, waar improviseren dagelijkse kost was. Hij hoopte op die manier ook respect bij zijn studenten bij te brengen voor de handenarbeid in het algemeen. (19)Het werd van meet af als onvoldoende beschouwd om de studenten vol te proppen met theoretische kennis: karaktervorming en het creëren van een solide "esprit de corps" waren de hoekstenen van deze opleiding voor de toekomstige koloniale elite.

Het aantal toegelaten kandidaten was in de beginjaren zeer beperkt. Vanaf 1933 werd het strenge toelatingsexamen nog eens aangevuld met een bijkomende selectie na het 1° studiejaar. Het betrof het fameuze "contingent", waarvan de omvang jaarlijks bepaald werd door de Minister van Koloniën, in functie van de personeelsnoden ter plaatse. De Minister baseerde zich daarbij op informatie over de situatie in Belgisch Kongo, Rwanda en Burundi. Het contingent groepeerde de studenten met de beste resultaten. Zij werden vrijgesteld van een recruteringsproef bij het Vast Wervingssecretariaat, en kregen een koningskroontje op hun pet. Deze studenten moesten wel opletten dat ze zich ieder jaar tot bij de besten konden rangschikken, want ze konden dit statuut en het kroontje weer verliezen. De studenten die niet tot het contingent behoorden, moesten wel een selectieproef afleggen bij het Vast Wervingssecretariaat, en kwamen in concurrentie met de andere afgestudeerde universitairen die van een carrière in de koloniale administratie droomden.

Heel veel beschikbare plaatsen voor topambtenaren in Belgisch Kongo waren er dan ook niet. De aanwezige beheerders waren verantwoordelijk voor een gebied dat enkele malen groter was dan België. (het gebied was zo groot, dat men aan amper 1 militair van de Force Publique per 60 km² kwam, een gebied zo groot als de Brusselse agglomeratie. Bovendien waren er zo goed als geen telefoons enz. ...) Tussen 1920 en mei 1940 zouden er amper 216 afgestudeerden zo´n hoge administratieve functie in de kolonie hebben opgenomen.

Een zekere Delafosse, die in 1924 de Koloniale Hogeschool bezocht, schreef in dit verband: “Il est visible qu’on a voulu , en dehors et au-dessus d’une préparation strictement profesionnelle faire d’eux des hommes d’élite et d’initiative, tant dans l’ordre intellectuel que dans l’ordre matériel et surtout, semble-t-il dans l’ordre moral.” (20)

Vanaf 1921 werd er een studentenclub opgericht. Deze Association des Etudiants opteerde voor de kleuren oranje-wit-blauw, en zou tot 1962 blijven bestaan.

Voorts werd een architect aangezocht, om een passend schoolgebouw te ontwerpen. In een tweede fase zou er ook nog een internaat, een directeurswoning, een gebouw voor inspecteurs en een portiershuis worden toegevoegd. Deze constructies zouden op een site in het toen nog zeer landelijke Berchem worden opgetrokken. De opdracht werd toevertrouwd aan bouwmeester Walter Van Kuyck (1876-1934). (21)

Oorspronkelijk lag het in de bedoeling om aan drie afdelingen op de site onderdak te verschaffen:

- een afdeling Koloniale en Administratieve Wetenschappen (Noot: In 1960 werd de academische titel van "Licentiaat in de Koloniale en Administratieve Wetenschappen" omgevormd en geactualiseerd tot "Licentiaat in de Politieke en Administratieve Wetenschappen toegepast op de Ontwikkelingslanden". Deze naamswijziging moest ook toelaten om teruggekeerde koloniale ambtenaren beter toegang te verlenen tot de Belgische arbeidsmarkt). Wat dat laatste punt betreft, verschillende onder hen werden door de Kredietbank aangetrokken, waar een aantal tot de hoogste kaders wisten door te dringen.
- een School voor Tropische Geneeskunde (het latere Tropisch Geneeskundig Instituut
- een afdeling Natuurwetenschappen (laboratoria, verbonden aan het Museum van Belgisch Kongo te Tervuren 

De School voor Tropische Geneeskunde verzorgde sedert 1906 in Brussel bijkomende opleidingen voor geneesheren en veeartsen. Uiteindelijk bleef deze school tot 1932 in Brussel, jaar waarin het in haar nieuwe gebouw in Antwerpen trok. Dit gebouw werd echter niet op de campus van de Koloniale Hogeschool gebouwd, maar in de Nationalestraat.

Deze afscheiding werd enigszins gecompenseerd door de Fondation Bunge. Bunge was de man achter een reeks handelsakkoorden rond ivoor, rubber, koffie en cacao geweest. Zijn stichting zorgde vanaf 1925 voor de nodige financiële middelen om een Handelsafdeling op de campus van de Koloniale Hogeschool op te richten. De Bunge-opleiding was een voorbereidend cursuspakket bestemd voor mensen die door bedrijven naar Belgisch Kongo gezonden werden. Deze opleiding bleef tot 1949 bestaan. (22) 

Van Kuyck ontwierp een gebouw met een H-vormig grondplan, en bekroond door mansardedaken. Het internaat en de directeurswoning werden beide in een "koloniale stijl" gebouwd, met heel opvallende balkons, die de vier zijden van het gebouw omringden. Het gaat om zogenaamde “barza”s”. Op de Vlaamse inventaris van onroerend erfgoed wordt de stijl van het gebouw in detail beschreven. We hebben eveneens aan de hand van een reeks van postkaarten een virtuele rondleiding gemaakt, die een idee zal geven van hoe de gebouwen er toen uitzagen, en hoe ze in de tijd evolueerden. (23) 

Ga naar: virtuele rondleiding Koloniale Hogeschool 

De officiële inwijding van deze definitieve gebouwen vonden plaats op 22 november 1923 in aanwezigheid van Koning Albert I. De naam Hoogere Koloniale School werd in maart van datzelfde jaar per KB vervangen door de nieuwe benaming Koloniale Ho(o)geschool. (In het Frans werd de school echter Université –niet Haute Ecole- Coloniale genoemd, al werd vaak ook de afkorting "UC" gebruikt) 

 

5) Laude neemt de fakkel over van Commandant Lemaire

 

Begin 1926 overleed Commandant Lemaire. Het was Norbert Laude –toen adjunct kabinetschef bij Minister Carton de Tournai- die werd aangezocht om hem op te volgen. Hij zou de volgende 32 jaar met veel energie en inzetbereidheid leiding geven aan deze instelling, en ze geleidelijk aan steeds meer uitstraling en prestige bezorgen. 

Net als Commandant Lemaire was ook Laude docent. Hij  doceerde Economische Aardrijkskunde aan de 1° Kandidatuur en aan de studenten van de 1° en 2° Licentie. Net als zijn voorganger gaf hij eveneens Deontologie. Van Laude is wel geweten dat hij zo goed als ééntalig Frans was, wat een beetje in tegenspraak was met de tweetaligheid van deze hogeschool.

Laude zou de inspanningen van Lemaire om een elitekorps te vormen onverminderd voor. Zo verklaarde hij in zeer krachtige termen in 1931:

Il importe de décourager franchement, dans leur intérêt et dans celui de la colonie les êtres faibles, les enfants gâtés, les nonchalants, les partisans des théories du moindre effort, les désabusés, les désillusionnés, les révoltés et autres inutilités et nuissances sociales. Dans nos vieux pays, ils pourront végéter; dans la Colonie, ils seront inévitablement fauchés.” (24) 

Verder trok hij ook Pater Tielemans aan, met wie hij sedert het oprichten van scoutsafdelingen in Kongo het contact had bewaard. Tielemans zou van 1926 tot 1930 Swahili doceren. Laude liet in 1926 een garage op de site van de hogeschool toevoegen, een bakstenen constructie die nog bestaat. In 1928 liet hij voorts de gehele site omringen door een omheining, en twee toegangspoorten aanbrengen.

 Begin 1929 werd het hoofdgebouw zwaar geteisterd door een brand, waarbij ondermeer het complete dakverdieping verloren ging. Ook een groot deel van de collecties en een deel van de inboedel van de vier leslokalen raakte beschadigd of compleet verwoest, maar de bibliotheek met haar 15 000 boeken en een buste van Lemaire bleven wonderwel gespaard.

 

Als efficiënte coördinator slaagde Laude er in een oplossing te vinden, om de lessen amper 48 uur later weer door te laten gaan. Daartoe werden de ontspanningszalen in het internaat tot primitieve leslokalen omgetoverd.

Het zwaar gehavende hoofdgebouw diende grondig te worden gerestaureerd. Pas in mei 1931 kon het weer in gebruik genomen. De compleet vernielde Franse mansardedaken werden vervangen door platte daken. Ook het helmdak van de centrale toren verdween voorgoed. In de plaats kwam een natuurstenen art deco tussenstuk, bekroond met een koepel in brons. Deze architecturale afslanking kwam het algemeen uitzicht van het H-vormig hoofdgebouw eigenlijk ten goede. De platte daken gaven immers de centrale toren een prominentere rol. De nieuwe ingebruikname was een feestelijke gebeurtenis, maar het zou niet de laatste maal zijn dat het mooie gebouw zware schade zou oplopen.

Zoals eerder opgemerkt werd in 1933 de toelating tot de Koloniale Hogeschool strenger gemaakt. De formule van het contingent werd vanaf dan strikter toegepast. Het werd dus mogelijk om studenten, die op het einde van het 1° jaar geen gunstige beoordeling kregen, de toegang tot de volgende jaren te ontzeggen. De verstrenging kwam vanuit het Ministerie van Koloniën, dat bevoegd was voor deze onderwijsinstelling.


Een blijkbaar wat onwennige of bedeesde Laude (uiterst rechts) bij
Kardinaal Pacelli, de Staatssecretaris van het Vatikaan, belast met
diplomatieke relaties. Pacelli werd in 1939 Paus Piux XII


Ook hier staat Laude uiterst rechts, bescheiden
weggestopt tussen twee grotere gestaltes

In 1934 werd Norbert Laude op diplomatieke missie naar het Vatikaan gezonden. Vreemd genoeg vermeldt hij zelf (?) in één van de curriculae in de SOMA-map opgenomen het jaartal 1933 in zijn lijstje met "diplomatieke missies". Vreemd, omdat de eigenlijke aanleiding van de missie het overlijden van Albert I was, een jaartal dat zeker in het geheugen van elke WO 1-veteraan gegrift stond. De missie stond onder leiding van Baron Houtart, Minister van Staat.

 

6) De Duitse bezetter en de Koloniale Hogeschool 

In 1939, toen de “rumours of war” steeds dreigender begonnen door te klinken, werden de gebouwen van de Koloniale Hogeschool gedurende enkele weken door het Belgisch leger opgeëist. Zes professoren werden onder de wapens geroepen. Vervolgens werd het gebouw tijdelijk door het Rode Kruis gebruikt.

In mei 1940 vielen de Duitse troepen een tweede maal ons land binnen. Laude was op dat moment reservist met de graad van majoor. Gezien zijn zware verwondingen tijdens WO 1 opgelopen, kon hij onmogelijk nog de wapens opnemen. Na de evacuatie van Antwerpen werd hij echter heel korte tijd verantwoordelijk voor een instructiekamp voor Belgische soldaten in het zuiden van Frankrijk. Na de 18 daagse veldtocht en de overgave van België keerde Laude terug naar België.

Vrij snel na de capitulatie namen Duitse militairen hun intrek in ondermeer verschillende schoolgebouwen. De Duitse militairen die hun intrek in de Koloniale Hogeschool hadden genomen maakten blijkbaar deel uit van de Luftwaffe.

Laude zag zich verplicht om elders leslokalen te zoeken. Meteen kwamen er een aantal aanbiedingen binnen van een aantal andere academische instellingen. Laude verkoos echter niet te ver te verhuizen, en opteerde voor twee statige herenhuizen in de Antwerpse Elizabethlaan, met zicht op het Albertpark. Het ging om de nummers 10 (het huidige Notarishuis) en 18.

Een deel van de inboedel van de Koloniale Hogeschool werd op vrachtwagens gezet, en enkele kilometers verder een nieuw onderdak toegewezen. Deze verhuis zou echter maar van korte duur zijn. In februari 1941 beval de Duitse bevelhebber voor de zone België en Noord-Frankrijk de Duitse strijdkrachten die zich in de hogeschool bevonden, deze te ontruimen. De lessen zouden dus weer in de school zelf kunnen doorgaan, hetgeen een nieuwe verhuis in omgekeerde richting met zich mee bracht. Dit gebeurde tussen 26 feb. en medio maart 1941.

Zoals men wel had kunnen verwachten, hadden de Duitse militairen die in de hogeschool gevestigd waren niet kunnen nalaten om behoorlijk wat schade te veroorzaken. Laude trof er de gebouwen “complètement pillés” aan. Het zou niet de laatste keer zijn dat de Koloniale Hogeschool oorlogsschade zou oplopen. De Duitse bezetter benoemde ook de Hamburgse professor Ipsen tot Universitätskommissar, de controlerende ambtenaar belast met het opvolgen van wat er zich ondermeer aan de Koloniale Hogeschool en de ULB afspeelde. Er is eveneens sprake van een Feldwebel Gondezen, die belast was met een toezichtsopdracht.

Nog in 1941 maakte de Duitse bezetter de beslissing bekend, dat de studenten van het 1° jaar van de Koloniale Hogeschool 6 maanden verplicht tewerk gesteld zouden worden. (25)

Daar openlijk tegen ingaan, was weinig realistisch. Laude probeerde het over een andere boeg te gooien. Hij stelde voor om in Franc-Waret (12 km. van Namen) een werkkamp te organiseren, waar de eerstejaars taken konden aanleren, die hen achteraf nuttig zouden zijn, wanneer ze in (Belgisch) Kongo tewerk gesteld zouden zijn. Het ging om bosbouwwerkzaamheden en timmerwerk. De studenten zouden er leren bomen uit te kiezen die omgehakt moesten worden, het omhakken zelf, het bewerken van de omgehakte bomen. In een latere fase zouden ze dan in de schrijnwerkerij aanleren hoe vensters, tafels of dakwerk te vervaardigen. Het werkkamp zou onder toezicht staan van Prof. Collignon, die tevens ook burgemeester was van Franc-Waret en beheerder van het domein waar de werkkamp kon plaats vinden. De studenten zouden tussendoor ook lessen krijgen, en professoren zouden er één keer per week conferenties komen houden. (26)

Dit handige voorstel liet toe om zowaar drie vliegen in één klap te slaan. De studenten zouden niet in de bewapeningsindustrie tewerk gesteld worden, de impact op hun lessenrooster zou enigszins verkleind worden, en ze leerden taken aan, die hen later van nut zouden zijn. Voorwaarde was wel, dat de studenten in een homogene groep naar het werkkamp zouden kunnen gaan, omdat ook de lessen aan de Koloniale Universiteit in een homogene groep gebeurde.

Aanvankelijk leken de Duitsers voor het plan gewonnen, maar al snel begonnen ze bijkomende eisen te stellen. Zo wilden ze de studenten van de Koloniale Hogeschool opdelen in taalgroepen. Laude vreesde dat dit van sommige studenten een gemakkelijkere prooi zou maken van nazi-gezinde Vrijwillig Tewerkgestelden. Uiteindelijk werd het werkkamp opgeheven.

Laude probeerde nog op andere creatieve manieren de Duitsers te slim af te zijn, door bijvoorbeeld een 5de academiejaar in te lassen. Dit moest voorkomen dat afgestudeerden in Duitsland te werk gesteld zouden worden.

Laude moest ook zo nu en dan ingrijpen, toen een aantal studenten met insignes van de reactionaire en ultrakatholieke organisatie Dinaso (Dietse Nationaal Solidartisten) op de Campus verschenen. Dit had immers tot een aantal kleine incidenten geleid, zoals het "incident Birlouet" in juni 1941. Aangezien de Duitsers toegestaan hadden dat de lessen weer konden doorgaan, zo lang er maar een strikte politieke neutraliteit door de Koloniale Hogeschool werd nageleefd, werd het dragen van alle politieke insignes verboden. De organisatie gesticht door Joris Van Severen was in tegenstelling tot een aantal Vlaams Nationalistische rechtse organisaties niet anti-Waals. Ondermeer A A J Van Bilzen, die toen aan de Koloniale Hogeschool studeerde, en later een befaamd hoogleraar werd, was een tijd verbonden aan Dinaso. Volgens Volk en Staat was Birlouet uitgedaagd geworden door de "anglomanen onder de studenten".

Naast zo´n creatieve maar ook levensgevaarlijke administratieve buitelingen ging zijn rol in het verzet tegen de Duitse invasie echter veel verder. Aan de Koloniale Hogeschool (KH) werd immers de cel KH L 55 opgericht. Heel wat studenten, oud-studenten en docenten traden toe tot deze cel van het Geheim Leger. Laude werd Adjunct Commandant van de strategisch zeer belangrijke afdeling Antwerpen van het Geheim Lege (II C.A.), dat onder leiding stond van Lt-Gen. Michem.

Van oktober 1941 tot juni 1942 was er in Antwerpen een kleine maar efficiënte inlichtingencel van de Weerstand actief, die bij ingewijden als Inlichtingendienst Stockmans bekend stond. Het werd opgericht door Charles Stockmans (1879-1942), de beheerder van British American Tobacco (BAT). Deze ondernemer stond in contact met Gilbert Renault (1904-1984), beter bekend onder zijn beroemde alias: Kolonel Rémy.

Kolonel Rémy was de leider van de Confrérie de Notre-Dame ( C.N.D.), en werd één van de belangrijkste spionnen van het Franse Verzet. Rémy zorgde ervoor dat de inlichtingen verzameld door de Stockmans-dienst tot in Londen geraakten. In juni 1942 sloeg het noodlot voor de Stockmans-groep toe. Een personeelslid van BAT verklikte het bestaan van de cel, die daarop snel door de Geheime Feldpolizei werd opgerold. Acht leden, waaronder Stockmans  werden gefusilleerd. Twee andere kwamen om in concentratiekampen, twee anderen overleefden hun deportatie.

 Na deze zware tegenslag nam KH L 55 de taak van het vergaren van inlichtingen over. Laude werd in 1942 Voorzitter van het Clandestien Coördinatiecomité van Antwerpen. KH L 55 hield zich ondermeer bezig met:

  • Spionage: het verzamelen van inlichtingen over troepenbewegingen, militaire werken en bewapening (o.a. door studenten gerapporteerd). Er werd ook samengewerkt met agenten van de Staatsveiligheid, de hydrografische dienst van de Schelde, de Brandweer en van de Intelligence Service. De Koloniale Hogeschool bezat twee donkere kamers voor het ontwikkelen van foto´s. Deze fotolabo´s werden bediend door Prof. Verleyen, die Tropische Landbouw en Bodemkunde doceerde, en door M. Kemps, een bedrijfsdirecteur. Het tijdelijk stockeren van documenten gebeurde in grafkapellen in de aangrenzende begraafplaats van Berchem. (Elders in het land was een gelijkaardige cel werkzaam aan de ULB, de Franstalige universiteit van Brussel)
  • Sluikpers: het drukken van clandestiene publicaties (pamfletten, krantjes…)
  • Productie van valse papieren en het organiseren van ontsnappingsroutes voor bemanningsleden van afgeschoten Geallieerde vliegtuigen via Frankrijk, Spanje, Portugal of naar Zwitserland. Een groot familiegraf in het nabijgelegen kerkhof van Berchem werd omgebouwd tot schuilplaats voor Geallieerde piloten, in afwachting tot men ze via ontsnappingsroutes weer tot in Engeland probeerde te krijgen
  • Financiële hulp aan familieleden van mensen die door de Duitsers waren gearresteerd, gedeporteerd of terecht gesteld. Ook zorgde men voor het uitbetalen van de lonen van door de Duitsers ontslagen ambtenaren of van mensen die door de bezetter vervroegd op pensioen gestuurd waren. Deze hulp gebeurde via het Fonds Socrates.
  • In het oog houden van collaborateurs, en hen dreigbrieven schrijven dat de rekening na de oorlog vereffend zal worden. Na de bevrijding werd geholpen met hun identificatie en werden getuigenissen tegen hen verzameld
  • Verschaffen onderduikadressen, om op die manier o.a. Joodse kinderen in veiligheid te brengen
  • Taalcursussen voor officieren, opdat ze zouden kunnen communiceren met Geallieerde troepen, eens Antwerpen bevrijd zou zijn.
  • Clandestiene confectie Belgische vlaggen die –nog voor de laatste Duitsers Antwerpen hadden verlaten aan de toren van de Kathedraal en aan het Stadhuis van Antwerpen wapperden.
  • Na de bevrijding van Antwerpen: bewaken van de buitgemaakte stocks van levensmiddelen, door de Duitsers achtergelaten. Bedoeling was uiteraard diefstal en zwarte markt te voorkomen, en een eerlijke distributie te garanderen.

Vanaf 1944 werden de acties van verschillende Antwerpse verzetscellen vanuit de Koloniale Hogeschool gecoördineerd. In augustus 1944 werd het bestaan van deze coördinatiecel door een verrader aan de Duitsers meegedeeld. Op 25 augustus omsingelden deze daarop de Koloniale Hogeschool, en arresteerden Norbert Laude, zijn vrouw, secretaris Guffens en econoom Doumont. Ook de toevallig aanwezige Norbert junior, zijn zoon, die docent was aan het Institut Sainte Marie te Brussel, de portier en het huispersoneel werden aangehouden.

Daarop volgde een huiszoeking, waarbij allerlei collectiestukken werden beschadigd. Het parket werd met pikhouwelen vernield, het marmer van schouwen verwijderd, de kussens van meubels opengereten, de centrale verwarming uit elkaar gehaald, de kapel overhoop gehaald. De nauwgezette zoektocht leidde tot de vondst van belastende documenten. Daarop werd ook nog Prof. Van Deyck in zijn woning te Wilrijk gearresteerd. De Koloniale Hogeschool werd de volgende dagen scherp het oog gehouden. Iedereen die het terrein betrad werd meteen aangehouden.

De Duitsers waren zich er bewust van, dat ze een grote vis gevangen hadden. Norbert Laude werd dan ook zeer hardhandig ondervraagd en gefolterd. Omdat hij echter geen tekenen gaf van bereidheid tot te verraden wat hij allemaal wist, werd hij –drie maal zelfs- ter dood veroordeeld. Zijn executie was gepland op zondag 3 sept. Ondertussen naderden de Britse troepen tot op enkele kilometers van Antwerpen. Het Geheim Leger blokkeerde in afwachting de toegang tot de executieplaats. De Duitsers haastten zich hals over kop uit de havenstad, die dus zonder straatgevechten en dus quasi intact in handen van de Brittern viel. De Duitse ontruiming gebeurde zo snel, dat ze zelfs niet overgingen tot de executie van de gevangenen verzetsmensen, zoals op verschillende andere plaatsen helaas wel gebeurde.

Laude kroop nog maar eens door het oog van de naald, en niet eens voor de laatste maal. Op 4 september 1944 werd hij door zijn strijdmakkers van het Verzet gered. Hij was echter te verzwakt als gevolg van de folteringen om de diverse maatregelen die het Geheim Leger had besloten te nemen, eens de stad bevrijd te coördineren.

Laude bleef tot oktober 1944 in de gebouwen van de Koloniale Hogeschool. Twee V-wapens veroorzaakten schade aan de gebouwen. Wanneer hij in Antwerpen voor de Krijgsraad tegen een aantal collaborateurs komt getuigen, ontsnapt hij nog maar eens aan de dood. Een V-bom viel net op het gebouw op het moment dat hij het betrad. Hij werd ettelijke meters weggeslingerd, te samen met brokstukken en ledematen van slachtoffers. Laude had duidelijk een erg actieve beschermengel, want ook hij bleef zo goed als ongedeerd. (27) 

Tien jaar na het einde van de oorlog kwamen verschillende kopstukken van deze episode uit de geschiedenis van de weerstand weer bijeen in de Marmeren Zaal van de Koloniale Hogeschool. De groep poseerde welwillend onder het portret van Koning Albert. Laude vermeldde op de achterzijde de namen wan de aanwezigen, waaronder Lt. Gen. Michem. Laude bleef alleszins tot begin jaren ´70 een trouw lid van verschillende organisaties van oudstrijders (Vuurkruisenbond) en voormalige weerstanders.

 

7) De naoorlogse periode: eerbetoon en hervatting van de academische taken 

De naoorlogse periode was er weer één van heel wat erkentelijkheid voor Norbert Laude. Al zou hij ook zo nu en dan volgens sommige bronnen over het hoofd zijn gezien bij een aantal plechtigheden. (28) Zo zou de Franse regering sneller geweest zijn dan de Belgische, om hem een hoge onderscheiding toe te kennen. Mogelijk had dit te maken met het feit dat mensen die in het Geheim Leger actief waren geweest soms terughoudender waren omtrent hun ware rol dan meer in het oog lopende weerstanders.

    

De Belgische regering promoveerde Laude alleszins op 16 december 1946 tot ere-Luitenant-Kolonel in het Belgisch Leger. In zijn persoonlijke papieren zat ondermeer een attest uit 1952 van het Office de la Résistance van het Ministerie van Defensie, waarin bevestigd werd dat hij actief was in het Verzet vanaf 1 december 1940 tot 14 oktober 1944. We hebben verder in dit artikel, in een aparte rubriek de voornaamste onderscheidingen die hem te beurt vielen opgesomd.

Op 17 november 1945 had de stad Antwerpen hem reeds uitgenodigd voor een diner ter ere van Winston Churchill. Dit gebeurde naar aanleiding van het ereburgerschap van Antwerpen dat aan de Britse oorlogspremier werd toegekend voor zijn rol in de bevrijding van de stad. Laude’s persoonlijke papieren gevonden door Frederik Janssens bevatten een menukaart ondertekend door Churchill.

 
Laude´s uitnodiging voor het diner ter ere van W. Churchill
Blijkbaar bemachtigde hij bij die gelegenheid een
handtekening van de gevierde Britse politicus

In de kazerne van zijn vroegere eenheid, het 22ste Linieregiment in Gent werd een zaal naar hem vernoemd, terwijl de Antwerpse tak van de verbroedering van oorlogsveteranen van de 2° en de 22° naar hem vernoemd werd.

Wat de Koloniale Hogeschool betreft, de normalisering van de situatie kwam het les geven uiteraard ten goede. Tussen het jaar van oprichting -1920- en 1946 waren er ongeveer 1500 studenten aan de Koloniale Hogeschool afgestudeerd. (29)In Kongo zelf had de Bezetting van België voor gevolg gehad dat de administratieve krachten, die normaal gezien voor 3 jaar getekend hadden, niet vervangen waren geworden. Mensen die in 1937 naar Kongo waren getrokken, en in 1940 al dan niet hadden kunnen bijtekenen, bleven in feite tot het einde van de oorlog in dienst. Het gevolg was dat in 1946 een grote groep nieuwelingen naar Kongo werden gezonden, de zogenaamde “bleus”. (30)

In 1949 werd de naam van de Koloniale School omgevormd in Universitair Instituut voor Overzeese Gebieden (UNIVOG), in het Frans INUTOM. Laude had daarmee verkregen dat het einddiploma als een licentiaatsdiploma erkend werd. De vorming bestond niet langer uit 3 maar uit 4 jaren. De studenten waren tijdens de twee kandidatuursjaren in 2 taalgroepen opgesplitst. Gedurende de twee licentiejaren werden deze twee taalgroepen weer samengevoegd. In de licentiejaren werd een deel van de cursussen in het Nederlands gegeven, een deel in het Frans. Alle studenten werden dus verondersteld in voldoende mate tweetalig te zijn. De thesis werd wel in de moedertaal van de student ingediend en verdedigd.

Er werden eveneens speciale cursussen ingelegd voor de anciens, opdat ook zij deze universitaire graad konden behalen.

Ook in 1949 hield de handelsafdeling Bunge op te bestaan.


Van links naar rechts: een vertegenwoordiger van het Ministerie van Defensie, Minister Wigny, Van Cauwelaert en Koningin Elizabeth bij de inhuldiging
van het monument op de campus Middelheim in 1949

In oktober van datzelfde jaar werd ook een sober hardstenen oorlogsmonument onthuld in de tuin van de UNIVOG. Het thans groen uitgeslagen basreliëf in brons is een ontwerp van Diane Smeesters. Het monument somt de namen op van 3 docenten en 11 studenten van de Koloniale Hogeschool, die tijdens Wereldoorlog 2 omkwamen. De vijfpuntige ster in de linker bovenhoek verwijst naar de band met de Belgische kolonie die de 14 oorlogsslachtoffers hadden. De plechtigheid werd bijgewoond door Koningin Elizabeth, Kamervoorzitter Van Cauwelaert, Minister van Koloniën Pierre Wigny en een vertegenwoordiger van het Ministerie van Defensie.

Welke vakken werden nu onderwezen in de UNIVOG ? Dank zij oud-student H. Van Kerckhoven uit Edegem kunnen we een bijna compleet overzicht van het lessenpakket weergeven:

1° jaar of Mono

- Psychologie (Prof. E. De Bruyn)
- Geschiedenis (Prof. M. Sabbe) onderwerp: Belgische geschiedenis
- Historische kritiek (Prof. M. Sabbe)
- Mineralogie (Prof. "Popo" Polinaris)
- Etnografie (Prof. De Cleene)
- Etnologie (Prof. De Cleene)
- Natuurrecht (Prof. De Cleene)
- Inleiding tot de Rechtswetenschappen (Prof. Verstraete)
- Grondwettelijk recht (Prof. Verstraete)
- Plantkunde (Prof. Verleyen)
- Menselijke en dierlijke biologie (Prof. Dr. Brutsaert)
- Nederlandse literatuur (?)
- Bantoe linguistiek (Prof. Thange)
- Engelse taal (Prof. Thange)
- Franse taal (Prof. Ryckaert) (de Franstaligen kregen Nederlandse taal)
- Aardrijkskunde Belgisch Kongo (Prof. Anciaux)


2de jaar (Bi)

- Logica (Prof. E. De Bruyne)
- Europese literatuur (Prof. Van Dijck)
- Economie (Prof. Van Meerhaeghe)
- Administratief recht 1° Deel (Prof. Van der Haegen)
- Burgerlijk recht (Belgisch Kongo) (Prof. Verstraete)
- Bodemkunde (irrigatie) (Prof. Verleyen)
- Algemene technologie (?)
- Sociologie (Prof. Lamberty)
- Frans (Prof. Ryckaert)
- Bantoe linguistiek (?)
- Koloniale geschiedenis (Prof. Sabbe)

Heel wat minder vakken dus, maar ook lijvigere cursussen. Buiten deze opgelegde vakken werden de studenten ook de kans aangeboden om danslessen te gaan volgen. Aangezien de studenten werden opgeleid om naar de kolonie te trekken, was het belangrijk dat ze in contact zouden komen met meisjes, die ook wel bereid waren België voor lange tijd achter zich te laten. (Het zou interessant zijn om te weten welke meisjesscholen naar gepaste jonge dames zochten, om naar zo´n danslessen en het bal van de Koloniale Hogeschool / Univog te trekken. Waren dat bijvoorbeeld vooral katholieke scholen, gerund door nonnen ? Of was het een zeer representatieve staalkaart van meisjesscholen allerhande ?)


1° en 2° Licentie (tri en senior)
 

Zoals eerder aangegeven werd een deel van de cursussen in het Nederlands en een ander deel in het Frans gegeven. Uit deze lijst blijkt duidelijk dat de vakken van die aard waren, dat een zeer goede beheersing van de twee landstalen onontbeerlijk was. Goed om te onthouden in tijden waarin het blijkbaar moeilijk is om tweetalige rechters in het Brusselse te vinden.

- Gewoonterecht (Prof. Decleene)
- Droit coutumier (Prof. Sohier)
- Charter colonial F
- Code pénal (Prof. Mineur)
- Procédure pénale (Prof. Mineur)
- Internationaal recht (?)
- Grondrechten en concessies (Prof. Van Bilzen)
- Sociale wetgeving Belgisch Kongo (Prof. Van Bilzen)
- Institutions administratives (Prof. Walraet)
- Comptabilité administrative (?)
- Openbare financieën Belgisch Kongo (Prof. Kennis)
- Administratief recht (Prof. Vanderhaegen)
- Dierkunde (tropen) (?)
- Hygiëne / tropische geneeskunde (Prof. Dr. Brutsaert)
- Cultures tropicales (Prof. Van den Abeele)
- Histoire parlementaire (?)
- Politique économique (Prof. Van Offelen)
- Topografie (Prof. Anciaux)
- Poste et brousse (cursus over de aanleg van bruggen en wegen, bouwwerken, aanleg landingspistes, visserij...) (Prof. Collignon)
- Poste et brousse (cursus over de administratieve organisatie van een broussepost (Prof. Brausch)
- Transport (Prof. Ghislain)
- Statistieken / Internationale economische verdragen (Prof. Van Meerhaeghe)
- Vergelijkende koloniale systemen (?)
- Droit public comparé (?)
- Lingala (Prof. Thange)
- Kiswahili (Pater van den Broek)
- Tropische landbouw (Prof. Verleyen)

Onder de professoren die het minst geliefd waren bij de studenten behoorden o.a. de Professoren Verleyen en Vanderhagen, die vervelend of vitterig deden tijdens de examens. Deze laatste zou erom bekend hebben gestaan onbehoorlijk weinig punten te geven. (Elke richting zal wel een aantal van die exemplaren hebben ?) Het leerboek van Prof. Van Meerhaeghe was blijkbaar "moeilijk te lezen en te begrijpen, een drama voor de studenten." Hij beheerste door en door zijn materie, maar miste duidelijk de didactische kwaliteiten die nodig zijn, om een complexe materie aan een nog te vormen doelpubliek over te brengen. Ook hij deed blijkbaar erg vitterig tijdens de partiële examens, niet aarzelend om er voetnoten bij te slepen. 

Ging het nu ja dan nee om een eerder katholieke school ? De meningen van de ex-studenten lopen enigszins uiteeen wat betreft deze vraag. Eén van de ex-studenten die de eerste versie van dit artikel las, schreef ons in dit verband:

"Mijns insziens was UNIVOG / KH geen katholieke instelling: ikzelf heb nooit (van) het bestaan geweten van een kapel, de aanwezigheid van de Kardinaal duidt niet op een katholieke oriëntatie. De Kardinaal was (...) een belangrijke persoonlijkheid zowel in het Belgisch openbaar leven en (ten gevolge van) zijn band met het werk van de missies in Kongo."

Ex-student Van Kerckhoven volgt hem gedeeltelijk, maar nuanceert toch ook:

"Het Univog was een staatsinstelling en uiteraard (sic) neutraal. Dit werd grotendeels geëerbiedigd door het objectief aanbod van de onderwezen materies, wat niet uitsluit dat de christelijke overtuiging van de professoren kon aangevoeld worden. Vrijzinnige professoren waren gekend. Meestal onderrichtten zij materies waar geloofsovertuigingen geen rol speelden. Het grote aantal ex-collegestudenten was misschien ook de reden dat een bepaalde geest voortleefde. UNIVOG-studenten waren aanwezig in uniform op de 11-novemberdagen in de kathedraal in Antwerpen. (...) Sommige studenten maakten deel uit van de AUCAM, waren aanwezig op de jaarlijkse processie in de aanpalende parochie van Onze Lieve Vrouw Middelares. Men kon ook op retraite gaan, maar al deze zaken waren niet opgelegd.(...) Niemand werd in functie hiervan beoordeeld of veroordeeld."

Het aantal toegelaten studenten bleef laag, en de selectie erg streng. In het academiejaar 1952-53 boden 91 nieuwe kandidaten zich aan, waarvan er 77 werden toegelaten. Het ging om 36 Walen en 41 Vlamingen. Er werden geen toegevingen gedaan voor wat betreft de noodzaak om de twee landstalen machtig te zijn.

In 1950 werd de zeer gelovige Laude President van de officiële delegatie van Belgisch Kongo tijdens de Expositie van het Heilig Jaar in Vaticaanstad. Laude behield heel zijn leven een zeer nauwe band met de Katholieke kerk. We hadden het al eerder over zijn rol in de Katholieke pers en Scoutsbeweging. In zijn persoonlijke papieren troffen we nog andere aanwijzingen aan, zoals bijvoorbeeld een handgeschreven gebed dat Kardinaal Mercier hem had toegezonden.

   
Het ontwerp en de uitgewerkte herinneringsmedaille
 

In 1951 werd Laude in de bloemetjes gezet, naar aanleiding van zijn 25 jaar directeurschap. Het feestcomité dat naar aanleiding van deze verjaardag was opgericht, liet ondermeer  een bronzen herinneringsmedaille van 9 cm. doorsnede ontwerpen, met de beeltenis van Laude in profiel op. Het was een ontwerp van W. Kreitz.(Er zouden ook een aantal grotere exemplaren hebben bestaan, mogelijkerwijze voor Norbert Laude zelf)

Uit de curriculae aanwezig in het SOMA blijkt verder dat Laude in 1953 naar Kongo, Mozambique, Rhodesië, Z-Afrika reisde. In 1955 daverde de Koloniale Hogeschool op zijn grondvesten. Prof. A.A.J. Van Bilzen pleitte er immers voor om Belgisch Kongo onafhankelijk te laten worden. Om het land daarop voor te bereiden, stelde hij een overgangsfase van 30 jaar voor, gedurende dewelke België Kongolezen tot kaderleden enz. zou kunnen laten doorgroeien. Achteraf gezien lang geen slecht plan, maar het is altijd gevaarlijk om te vroeg gelijk te hebben. Het had geen haar gescheeld, of de prof. was wegens zijn "subversieve publicatie" ontslagen geworden. Net als de Fransen in Algerije bleef België koppig geloven dat het aan de dekolonisatiegolf zou kunnen ontsnappen.

Andere noemenswaardige gebeurtenis in zijn rijke carrière was het bezoek van een delegatie van 16 Kongolezen, bijna stuk voor stuk notabelen aan de Koloniale Hogeschool eind april 1956. Het ging om een zorgvuldig samengestelde groep van Afrikaanse mannen allemaal afkomstig uit de publieke sector. Er was geen enkele vrouw bij, noch iemand uit de privé sector. Tijdens de dag had de delegatie de scheepswerven van Hoboken bezocht, en in de avond werd ze door Laude ontvangen. Naast een gesmaakt diner werd ook een film vertoond over het leven aan de Koloniale Hogeschool, en de rol die deze gespeeld had tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er werden ook een aantal zeer lovende speeches gehouden, waaronder één door een jonge man, genaamd Patrice Lumumba. Hij was de vreemde eend in de bijt, want geen notabele. Hoe het komt dat hij zich in de delegatie bevond is niet geweten. Hij moet blijkbaar de steun genoten hebben van een minister of van kabinetsleden. Lumumba was toen nog werkzaam als klerk bij de Belgisch Kongolese posterijen… Het feit dat hij het woord nam gebeurde volledig op zijn eigen initiatief, tot grote verbazing en irritatie van de notabelen, die hem zeer neerbuigend behandelden. (getuigenis van ex-student Van Kerckhoven, die deel uitmaakte van het verwelkomingscomité) Enkele jaren later zou Lumumba nog eens zo´n stunt uithalen...  (31) 

Zoals algemeen bekend zou hij de Belgische overheid enkele jaren later heel wat kopbrekens bezorgen... Op enkele jaren tijd kan dan ook heel wat water vloeien doorheen de Kongostroom.

 

Uit de collectie van documenten gevonden door Frederik Janssens blijkt dat Laude in juni 1956 andermaal Belgisch Kongo bezocht, ditmaal op uitnodiging van Union Minière / Forminière (Reisvisum beperkt tot 3 maanden)

De sterke band tussen het Koningshuis en de Koloniale Hogeschool/UNIVOG kwam ondermeer tot uiting in geregelde bezoeken van de vorst of de kroonprins aan de instelling. Tussen de documenten die Frederik Janssens van een zekere vernietiging redde, bevindt zich ondermeer volgende foto van een bezoek door een nog zeer jonge Boudewijn:

 

7) Emeritaat - De Koloniale Hogeschool na Laude

1958 was in dubbel opzicht een interessant jaar voor iedereen, die van ver of dicht bij met het koloniaal avontuur van België te maken had. Ten eerste werd in dat jaar de 50ste verjaardag van de overheveling van Kongo Vrijstaat naar de Belgische overheid herdacht. Dit vormde de aanleiding voor tal van publicaties. Ten tweede stond heel België op een plezante manier in rep en roer, vanwege de Wereldtentoonstelling, die in dat jaar voor het eerst sedert het einde van WO 2 in Brussel zou worden gehouden. Ook Belgisch Kongo had er een eigen paviljoen. In de voorbije jaren had men ook al door middel van diverse en soms groots opgezette Koloniale Tentoonstellingen de bevolking warm proberen te maken voor de overzeese gebieden van België en voor een koloniale loopbaan.

 

Het was ten midden van al deze gebeurtenissen, dat ook een einde kwam aan het directeurschap van Norbert Laude aan de Koloniale Hogeschool / UNIVOG. Na 32 jaar aan het roer van deze instelling, was hij op de wettelijk vastgelegde leeftijd gekomen om de fakkel over te geven. Ook dit afscheid vormde de aanleiding voor tal van feestelijkheden.

De dozen met documenten die Frederik Janssens nog tijdig van een definitieve vernietiging kon redden bevatten ook een bonte verzameling van erkentelijke brieven van notabelen en oud-studenten. Al deze documenten brachten in soms eenvoudige, soms zeer lyrische termen hulde aan zijn stuurmanskunst als verantwoordelijke van de Koloniale Hogeschool. Zo waren er ondermeer felicitaties van hoogwaardigheidsbekleders uit de politieke wereld (Ministers Pholien, Wigny…), diplomatieke kringen (Ambassade Portugal, Présidence van de Comité National du Kivu L. Helbig de Balzac) en uit religieuze middens.

 

Ook René Friling van de stichting Bunge –dat jarenlang een handelsvorming aan de Koloniale Hogeschool had gefinancierd- en Franse collega’s van de Ecole Nationale de la France d’Outre Mer bewierookten zijn academische erfenis.

Toch nog even vermelden dat de studenten een minder vleiende bijnaam voor Laude hanteerden, namelijk "le bouc". De uitleg voor deze bijnaam blijft enigszins mysterieus. Eén van zijn oud-studenten schreef in dit verband:

"Mij werd verteld dat hij deze spotnaam kreeg (vanwege) de manier waarop hij door de gangen van het gebouw liep: een beetje gebogen maar toch vooruitziend, snelle passen, een beschadigd gezicht." Hij voegde daar nog aan toe: "Laude was een aangename en degelijke prof waarvan ik de beste herinneringen (aan) hebben waar ge ook bij te rade kon gaan. (...) Achteraf vind ik het spijtig dat wij zo weinig wisten over de achtergrond van onze professoren en we (er) ook geen enkel curriculum van kregen."

Ook ex-student Van Kerckhoven was lovend over de man:

"(hij) was een goede lesgever, die blijk gaf de onderwezen materie bijzonder goed te beheersen. Er was discipline. Hij was streng, maar het was aanvaardbaar. (...) Ik meen te weten dat tijdens de deliberaties zijn steun op bepaalde ogenblikken doorslaggevend was."

Laude´s opvolger was de Luxemburger Georges Schmit (°1908). In zijn afscheidsrede schrijft hij over deze: 

"Ancien étudiant de l´U.C., il appartint à la promotion Lemaire. Il connaît l´ambiance de la mission. Au cours d´une brillante carrière dans la territoriale, couronnée par l´élévation au rang de Gouverneurde Province, il a témoigné de sa compétence, de hautes qualités d´autorité et de sociabilité. Il a gagné l´affection de ses collaborateurs, de la population européenne et indigène." (32) 

Schmit was tijdens zijn middelbare studies steeds de beste leerling van het Koninklijk Atheneum van Aarlen. Aanvankelijk wou hij dan ook in Luik voor Burgerlijk Ingenieur gaan studeren. Dat toekomstplan veranderde hij echter, nadat Norbert Laude in zijn school een uiteenzetting was komen geven over de carrièremogelijkheden in de Belgische kolonie. Schmit deed mee aan het ingangsexamen van de Koloniale Hogeschool, hetgeen hij naar gewoonte op een glansrijke manier doorstond. Hij maakte deel uit van de promotie van 1926, die vernoemd werd naar de overleden eerste directeur, Commandant Lemaire. Laude begon dat jaar aan zijn eerste academiejaar als de nieuwe directeur. Schmit rondde in 1930 zijn briljante studies af, en bouwde een mooie topcarrière uit in Belgisch Kongo. Als student kon hij niettemin ook een speelvogel zijn, zoals blijkt uit getuigenissen die hem volle kracht rondfietsend op de barza´s van het internaat beschrijven. In 1958 werd hij de eerste en enige ex-student die het tot Directeur van de instelling bracht. In tegenstelling tot Laude was hij zeer goed tweetalig, iets waarvoor hij een grote inspanning voor geleverd had. Schmit doceerde enkel de lessen Deontologie.  (33)


Zakboekje van Laude, 30 juni 1960
Als puntje 2 wordt heel laconiek vermeld: "Independance Congo"...

8) De gevolgen van de Kongolese onafhankelijkheid

Uiteindelijk zou Schmit dan ook maar vier jaar directeur blijven. Kongo werd immers op 30 juni 1960 in niet al te ideale omstandigheden onafhankelijk. In zijn notaboekje van 1960 schreef Laude heel laconiek op 30 juni: “Indépendance Congo”, en niet eens als eerste punt. In deze twee woorden lag nochtans ook meteen het aangekondigde einde van “zijn” voormalige hogeschool verborgen.

Om de studenten die in 1958 nog aan hun licentiaat begonnen waren de kans te geven om hun studies te voltooien, bleef de UNIVOG nog tot 1962 verder bestaan. Vervolgens bleek men dit hoofdstuk zo snel mogelijk te willen afsluiten. Nog in 1963 werd de bibliotheek van de koloniale universiteit verkocht, en in 1965 werd de studentenclub Association des Etudiants uit 1921 opgedoekt.

De UNIVOG werd officiëel bij wet van 9 april 1965 samengevoegd met het departement “Internationale Samenwerking” van de Rijkshandelshogeschool. Ook het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken nam haar intrek op de Middelheim-site. Samen vormden deze instellingen het RUCA, het Rijks Universitair Centrum

Het doorleefde internaatgebouw met haar opvallende barza´s werd omstreeks 1954 of ´55 afgebroken. Op het vrijgekomen terrein werden nieuwe gebouwen opgetrokken.

 De onderwijsinstellingen die zich met de problematiek van ontwikkelingslanden op de RUCA-site bezig houden, ondergingen ondertussen een aantal nieuwe fusies en naamswijzigingen. Tot 2000 was er het College voor Ontwikkelingslanden, dat in dat jaar werd samengevoegd met het Centrum Derde Wereld van de UFSIA, waaruit dan weer het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer (IOB) ontstond. De band met Afrika is met andere woorden nog steeds niet volledig verdwenen…

In het hoofdgebouw –thans A-gebouw- van de voormalige Koloniale Hogeschool bevinden zich thans ondermeer de stafdiensten van de rector, de departementen Financiën, Onderwijs en Onderzoek, en vergaderzalen. Dank zij Vlaams Minister van Onroerend Erfgoed Geert Bourgeois is het fraaie hoofdgebouw sedert 2010 een beschermd monument.

De portierswoning en het gebouw van de inspecteurs werden in de tweede helft van de 1960’s echter afgebroken. Er werden in die periode ook een aantal nieuwe gebouwen toegevoegd, die thans worden aangeduid met de letters B,D,E en G. De voormalige directeurswoning huisvest thans de personeelsdienst. Op het huidige plattegrond staat de voormalige “Villa Laude” met de minder ronkende naam gebouw C aangegeven.

Ook het originele Art Deco-interieur in het A-gebouw bleef voor een stuk bewaard. Dit geldt voor ondermeer de inkom, de gangen en trapzalen alsook het interieur van de directielokalen op het 2° verdieping. Pronkstuk is echter het auditorium op het 1° verdieping, daterend uit de vroege 1930’s. Zo kan men er nog het originele spreekgestoelte van de docenten zien. Her en der in het gebouw bevinden zich nog de originele paneeldeuren in tropisch hout, versierd met de koloniale ster, evenals een aantal parketvloeren. (zie "Rondleiding")

Elders werden vanaf 1965 ingrijpende veranderingen doorgevoerd. Ook de ramen werden begin jaren ’80 vervangen. Naast nieuw schrijnwerk werd ook voor dubbel glas geopteerd. (34)
 

8) Norbert Laude privé

 

Norbert Laude was gehuwd met Marie-Thérèse Detaille, en had een dochter Eliane en een zoon, eveneens Norbert geheten.

Vanaf zijn emeritaat in 1958 verliet hij de mooie directeurswoning in koloniale stijl. Volgens tijdsgenoten bemoeide hij zich vanaf dan ook niet meer met de gang van zaken aan de UNIVOG, hetgeen de nieuwe directeur Schmit ook niet zou hebben toegelaten.

Zijn laatste adres was Prins Albertlei 10, nabij de Brouwerij De Koninck. Indien de straatnummers sedertdien geen wijzigingen ondergingen, gaat het om een statig appartementsgebouw van drie verdiepingen met zicht op het Albertpark. Voor zover we hebben kunnen natrekken was hij er tot zijn dood in 1974 woonachtig. Ondanks zijn zware oorlogsverwondingen overleefde hij zowel zijn vrouw als zijn twee kinderen. Op het einde van zijn leven had hij meer en meer last van de opgelopen oorlogsverwondingen en martelingen, en was hij naar verluidt bijna volledig blind geworden. De man sloot zich ook meer en meer op, werd steeds wantrouwiger, en dit zelfs tegenover bekenden.

   

In een voorbereidende tekst voor zijn testament die Laude in 1962 opstelde, schreef hij over zijn vrouw: Je remercie ma chère femme des attentions, des conseils de sagesse, de la sollicitude et du dévouement merveilleux dont elle m’a comblé. Le succes de ma carrière lui est dû pour la plus large part.”

Hij lijkt er van te zijn uitgegaan, dat hij voor haar zou overlijden. Mevrouw Laude overleed evenwel in 1964, en de voormalige directeur van de Koloniale Hogeschool zou nog 10 jaar weduwenaar blijven.


Norbert junior (Abbé Alain)

Uit een brief die Norbert Laude in 1972 naar de Dienst Begraafplaatsen schreef, blijkt dat zijn zoon Norbert ondertussen ook overleden was, al hebben we geen precieze datum hiervoor gevonden. Deze zoon studeerde Geschiedenis aan de Universiteit van Leuven, alsook Letteren en Wijsbegeerte. Hij behaalde verder een bachelor-diploma in de Thomische wijsbegeerte. In 1944 won hij een prijs voor zijn thesis over La Compagnie d´Ostende et son activité coloniale au Bengale : 1725-1730 (promotor: Georges Van Campenhout). In de 1940’s werd hij lesgever in het Institut Sainte Marie te Brussel. Tijdens een bezoek aan zijn ouders in 1944 werd hij samen met hen gearresteerd. Na zijn vrijlating nam hij het plechtige besluit om tot een abdij toe te treden, indien zijn vader levend uit gevangenschap zou terugkeren. Nadat zijn vader dan ook in extremis gered werd dank zij de snelle opmars van de Britse troepen onder leiding van Kolonel Silvertrop, trad hij dan ook toe tot de abdij van St. Andries van Loppem, nabij Brugge als Abbé Alain. Hij overleed na een smartelijk ongeval in Congo, en werd te Lubumbashi begraven. (35)


Een trotse vader in vol ornaat met zijn huwende dochter

 

Dochter Eliane overleed op 1 augustus 1974. Nog geen twee maanden later, op 22 september 1974 werd ze in de dood gevolgd door haar vader. De echtgenoot van dochter Eliane was Jean De Bruyn. Hij werd in 1994 in het familiale graf bijgezet. 

Het familiegraf van de Laude´s bevindt zich in het kerkhof van Berchem, vlak naast de gebouwen van de voormalige Koloniale Hogeschool. (Perk 15 Lijn B graf 10). (36) Elk jaar, op de 2° zaterdag van de maand oktober wordt door de "Koninklijke Vriendenkring van het UNIVOG" bloemen neergelegd op het graf van Mr. Laude en aan de UNIVOG-gedenksteen op de Campus Middelheim.

De meeste geschriften uit de privé-bibliotheek van Norbert Laude worden bewaard in de Abdij van St. André te Loppem, in het  Van Iseghem-fonds. Dit is de abdij waaraan zijn overleden zoon verbonden was geweest. In het SOMA zijn –naast een aantal curriculae- vooral documenten terug te vinden, die betrekking hebben op zijn activiteiten in het Geheim Leger.Er is ook een uitgebreid dossier over de Duitse Professor Ipsen, die belast was met de controle op ondermeer de Koloniale Hogeschool.

 

Selectieve lijst van publicaties van Norbert Laude (37)

Wetenschappelijke publicaties  

  • Etude sur le corporatisme au moyen-age (1914): (volgens het SOMA dossier met de verschillende cuuricula van Laude werd zijn thesis dus blijkbaar gepubliceerd. Het zou evenwel kunnen dat deze tekst de thesis is die hij schreef om de titel van Dokter in de Politieke Wetenschappen te behalen, aangezien het niet echt een juridisch onderwerp is. 
  • Opérations militaires et prise de Tabora (Mouv. Géogr. Brussel, 1921) 
  • Colonisation européenne au Congo belge (1922) 
  • Congo, terre d”énergie (1922) 
  • La situation politique en Autriche (1922) 
  • Le Radium congolais et canadien (Bulletin van het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap van Antwerpen (1933) 
  • L’action sociale du Maréchal Lyautay (1935) 
  • l’Administration territoriale au Congo belge (1938) 
  • Ons vorstenhuis en de kolonie, De Vlijt, Antwerpen, 1939, 30 blz.Overdruk: Elckerlic, 1939. / L’ouevre coloniale de la dynastie (Bulletin de la Société belge Etudes et Expansions, Luik 1938 of 1939) 
  • Problèmes coloniaux d’après-guerre (Comptes rendus de la Société d’Economie Politique de Belgique, Brussel, feb. 1947 
  • La délinquance juvénile au Congo belge et Ruanda-Urundi (ARSC, 1955 of 1956) 
  • La formation des administrateurs territoriaux du Congo belge par l’Institut Universitaires des Territoires d’Outre Mer à Anvers (INUTOM, 1956) 
  • Le service territorial Belgique d’Outre mer (1959)

Standaard handboek 

  • Notre Colonie (Géographie et notice historique 1879-   :Brussel, Editions Universelle (samen met A Michiels). Het boek kende een verschillende herdrukken  (192?,1938…). In latere versies werd ook Ruanda Urundi besproken. De Nederlandstalige versie noemt: Onze kolonie: aardrijkskundig en geschiedkundig overzicht (met ondermeer drukken in 1946, 1950, 1954) 


Aardrijkskundige kaarten

  • Carte politique du Congo belge 1/ 5 000 000 
  • Carte économique du Congo belge 1/ 3 000 000 (Het gaat vermoedelijk om de kaart die ook bekend staat als: Belgisch Congo: voornaamste voortbrengselen uit het delfstoffen-, planten- en dierenrijk, verkeerswegen (1937-1938) 
  • Carte d’Afrique 6 blz. 1/ 4 000 000 


Lidmaatschappen 

  • Grootofficier in de Leopoldsorde
  • Grootofficier in de Orde van Leopold II (met gouden streep) 
  • Croix de Guerre 1940 avec palme
  • Commandeur in de Koninklijke Orde van de Leeuw (Commandeur de l’Ordre de la Couronne de Belgique ?)
  • Commandeur in de Kroonorde
  • Grootofficier in de Orde van de Eiken Kroon van Luxemburg
  • Commandeur de l’Ordre de la Légion d’Honneur de France ten militaire titel (1946) (nog voor hij van de Belgische regering een ereteken ontvangen heeft)
  • Oorlogskruis 1914-18 en 1940-45 met palmen en zwaarden
  • Vuurkruis
  • IJzerkruis
  • Kruis van Politiek Gevangene 1940-1945
  • Medaille van de Weerstand
  • Brave Conduct
  • Commandeur de l’Ordre du Christ, du Portugal
  • Commandeur de l’Ordre de Saint-Grégoire le Grand
  • Commandeur de l’Ordre de Saint Sylvestre
  • Commandeur de l’Ordre de Pie IX Militaire
  • Commandeur met plaat in de Orde van de Zwarte Ster
  • Officier in de Orde van Nicham en Anovar
  • Ridder in de Orde van Danebrogh
  • Ridder in de Orde van Oranje Nassau 


Onderscheidingen en eretekens

  • Lid van de Belgische Koloniale Raad
  • Lid van het Belgisch Koninklijk Koloniaal Instituut 
  • Erelid van de Sociedad de Estudios Internacionales Y Coloniales te Madrid 
  • Corresponderend lid van de Spaanse Academie van Wetenschappen 
  • Corresponderend lid van de Spaande Hogere Academie voor Wetenschappelijk Onderzoek te Madrid 
  • Corresponderend lid van de Academie van Koloniale Wetenschappen te Parijs 
  • Raadslid van het Instituut van Nationale Parken en van het Instituut voor Landbouwkundige Studies in Belgisch Kongo 
  • Vice-President van de Antwerpse afdeling van het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap 
  • Erelid van de Spaanse Geografische Vereniging 
  • President van de Commission Coloniale Scolaire 
  • Doceerde en gaf conferenties aan de universiteiten van Straatsburg, Lissabon, Coïmbra, Madrid en Upsala, aan de Ecoloe Nationale de la France d’Outre Mer en aan de Ecole de Sciences Politiques 
  • Lid van het erecomité van de XII van de Croix de Feu 

 

Dankbetuigingen en voetnoten

Onze dank gaat in de eerste plaats uit naar Frederik Janssens, die ons welwillend zijn collectie Norbert Laude-items voor Retroscoop liet inscannen. Wie hem wil contacteren kan dit via zijn e-mail adres: monsinieur@hotmail.com

We danken tevens Prof. Dr. Werner Cornelis, ex-student aan het UNIVOG, voor het nalezen en aanvullen van dit artikel. Tevens zond hij het artikel aan een aantal ex-studenten door. Een aantal onder hen hebben opmerkingen, aanvullingen, verbeteringen enz. aangebracht aan de eerste versie van dit artikel. Het merendeel van deze commentaren werd in de uitgebreide versie van het artikel verwerkt. Op gevaar af iemand onder deze ex-studenten over het hoofd te zien, dankt Retroscoop ze allemaal individueel. Hun bijdrage was zeer waardevol, en hun herinneringen hebben dit artikel zeker een meerwaarde bezorgd.

Onze oprechte dank gaat ook uit naar Dhr. Roger Tack, Verantwoordelijke Begraafplaatsen van de Stad Antwerpen, die ons zeer waardevolle inlichtingen verschafte omtrent het familiegraf van Norbert Laude.

Wie zelf nog aanvullingen op deze beknopte biografie kan verschaffen, mag ons steeds contacteren via info@retroscoop.com. Vond je dit artikel of de website in haar geheel interessant, laat dan zeker eens commentaar achter in het gastenboek van Retroscoop ! (zie laatste rubriek)

 

Voetnoten

1)    Necrologie Floris Prims

2)    De Inrichting voor Katholieke Documentatie

3)    Elders wordt de titel van de publicatie omschreven als "Courrier de Bruxelles, doch dit lijkt ons onjuist).

4)    Le Patriote Illustré: voorstelling tijdschrift op "De Belezen Kater"

5)    Beknopte geschiedenis van het 22ste Linieregiment

6)    Oost Afrikaanse campagne, Wereldoorlog 1

7)    We vonden een verwijzing naar het XIV batallion Commandant Gameria met positie Tshanajerwe, maar hebben vooralsnog niet kunnen achterhalen wat daar precies mee bedoeld wordt.

8)    Le scoutisme précolonial en RDC

9)    Samuel Tilman: l’Implantation du Scoutisme au Congo Belge in: Cahiers Africains n° 43-44 pp 103-140 (Tervuren, Afrika Instituut ASDOC, 2001) 

10)  Voor meer over Lyautey zie: André Maurois: Lyautey (Hommes et faits de l’histoire) (Parijs, Club des Editeurs, oorspronkelijk geschreven in 1931)

11)  Henri Carton de Wiart beknopte biografie

12) Vlaamse Inventaris voor Onroerend Erfgoed (VIOE): Voormalige Koloniale Hogeschool

13)  Discours de Mr. A Wouters Président ff du Conseil d’Administration (non corrigé) 18 okt. 1945 (document in SOMA archief) 

14)  Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek korte historiek op.cit.

15)  Kommandant Charles Lemaire: Pionier en Pedagoog 1863/1926,  Antwerpen, Koninklijk Vriendenfonds van het UNIVOG, 1985).

16)  Mureme, Bonaventure K. Manuel d’histoire du Ruanda à l’époque coloniale p. 256 (Parijs, l’Harmattan, 2010)

17)  Leopold II en Kongo Vrijstaat

18)  Charles Lemaire beknopte biografie

19)  Discours de Mr. Arthur Wouters, Président ff du Conseil d´Administration (niet gecorrigeerde tekst) Université Coloniale 1920-1945 tekst daterend van oktober 1945 aanwezig in de SOMA archieven. Wouters was Minister en Voorzitter van de Raad van Beheer van de Koloniale Hogeschool. Hij sprak deze rede uit naar aanleiding van de opening van het nieuwe academisch jaar, op 18 oktober 1945.

20)  L’Essor Colonial 11 dec. 1924, geciteerd in Poncelet Marc: “l’Invention des Sciences Coloniales Belges” Karthala 2008 p 278 

21)  Walter Van Kuyck beknopte biografie

22)  Edouard Bunge (1851-1927) beknopte biografie

23)  Vlaamse Inventaris voor Onroerend Erfgoed (VIOE): Voormalige Koloniale Hogeschool

24)  Citaat uit “l’Université Coloniale” n° 6, 1931, geciteerd in Poncelet Marc: “l’Invention des Sciences Coloniales Belges” Karthala 2008 p 278

25)  Brief van het hoofd van de Duitse Militaire Administratie aan de secretaris-Generaal van het Ministerie van Onderwijs, betreffende: Affectation au travail des étudiants de la première année d´études, document gedateerd van 9 feb. 1943 / Arbeitsdienst der Studenten der Kolonialuniversität Schrijven van Prof. Ipsen aan Directeur Laude, gedateerd van 12 feb. 1943  De documenten van Ipsen, in het Duits opgesteld, bevatten een vertaling in het Nederlands en het Frans op de achterzijde, vertikaal naast elkaar geplaatst zoals wetteksten in het Staatsblad.

26)  Document getiteld: Inrichting van een arbeidskamp / Met ingang van 1 mei 1943, gedateerd van 20 april 1943 (SOMA archief)

27)  document geschreven door “M de H”  getiteld “Notes biographiques sur Mr. Norbert Laude

28)  La Revue Colonial Belge, no. 12, 1 Apr. 1946 p 15

29)  Laude werd eind jaren ’60 eveneens over het hoofd gezien tijdens de plechtigheden rond de eerste Sherman-tank die Antwerpen bevrijdde  l´Union fait la Force in: La Metropole, 10 sept. 1969 (krantenartikel)

30)  Dembour, Marie-Bénédicte: Recalling the Belgian Congo p 21 (?, Berghahn Books, 2000)

31)  Zie ondermeer 16 Kongolese notabelen bezoeken scheepswerven te Hoboken, tevens in Instituut voor Overzeese gebieden ontvangen. De Nieuwe Gids 29 april 1956 p 6  geciteerd in: “Lumumba en Belgique du 25 avril au 23 mai 1956 Son récit de voyage et ses impressions document inédit door Zana Aziza Etambala. 

32)  Titelloos document aanwezig in de SOMA archiefmappen. 

33)  Lijst van de topambtenaren in Belgisch Kongo: Dit document geeft een interessante opsomming van wie er aan de KH afstudeerde. Eén van de bekendste afgestudeerden was schrijver Jef Geeraerts. Zijn kritiek op het Belgisch koloniaal beleid worden hem zeker niet in dank afgenomen door de meeste ex KH-studenten. De biografische gegevens over Georges Schmit komen uit: Middelheim, Gedenkboek van het Universitair Instituut voor Overzeese Gebieden, uitgegeven door Rossel en de Vriendenkring van de UNIVOG in 1987 p 41-42

34)  Vlaamse Inventaris voor Onroerend Erfgoed (VIOE): Voormalige Koloniale Hogeschool : een interessante en gedetailleerdere beschrijving van dit sedert kort beschermd monument.

35)  Brief van Norbert Laude aan Dhr. Moetewil, directeur-conservator van de begraafplaats te Berchem, 7 nov. 1972.

36)  E-mail van dhr. Roger Tack, Verantwoordelijke Begraafplaatsen van de Stad Antwerpen

37)  Zie ondermeer het document geschreven door “M de H”  getiteld “Notes biographiques sur Mr. Norbert Laude" (SOMA-archieven, farde met biografische gegevens)

 

 

De in het SOMA geraadpleegde documenten betreffen: 

  • Documenten SOMA over Norbert Laude betreffende

-          Koloniale Hogeschool

-          Werkkamp Franc-Waret

-          Curriculae

Bestaande uit 4 fardes met verslagen, correspondentie, nota’s, knipsels uit de periode 1943-1965]. (In het Frans en Nederlands)

Plaatsingsnummer: SOMA AA 761 (Magazijn)

 

  • Verslagen, nota´s en correspondentie van de Duitse commissaris voor de ULB en de Koloniale Hogeschool Antwerpen Ipsen aan de Gruppe Kultur van de Militärverwaltung ("Der Kommissar für die U.L.B./Kolonialuniversität Antwerpen"), 1940-1942. - 1 farde : dact., ph.

    Cfr. dact. lijst AA 581
    De Universitätskommissar was in principe ondergeschikt aan de Leiter der Verwaltungsabteilung van de MV (en vormde dus geen Gruppe van die Verwaltungsabteilung). Le Universitätskommissar était en fait subordonné au Leiter der Verwaltungsabteilung (et ne formait ainsi pas un groupe à l´intérieur de celle-ci)

Plaatsingsnummer: SOMA AA 581 (Magazijn)

 

  • Kabongo, Ntunda Olivier: Université coloniale d´Anvers, la formation des administrateurs coloniaux, question du mémoire : quelle a été la formation de ces administrateurs coloniaux des années 1920-1950 ? Mémoire présenté en vue de l´obtention du titre de Licencié en sciences politiques de l´ULB, orientation administration

Plaatsingsnummer: SOMA BF 1222 (Magazijn)

 

 

 
 
database afsluiten