Retroscoop - Winkelen in stijl Grande Maison de Blanc, Brussel RetroScoop
 
   Maatschappij
    
 
 
De ´klik´ naar je gedroomde Klassiekers

Winkelen in stijl
De Grande maison de Blanc, Brussel

Benoit Vanhees
i.s.m. de fam. Lefebvre
April 2020

Structuur

Inleiding
1) Verwarring over het oprichtingsjaar
2) De mysterieuze "E." Lefebvre
3) Een tweede E. Lefebvre
4) De "Grande Maison de Blanc": een populaire naam
5) Een nieuw huis, een nieuw vlaggenschip
6) Promotiemateriaal als informatiebron
7) Van familiebedrijf naar NV
8) Het einde en de nasleep
Nabeschouwingen en bedankingen
Voetnoten

Inleiding 

Er vloeide al heel wat inkt over de voormalige textielwinkel Grande Maison de Blanc (GMB) in Brussel. De geschiedenis van de gereputeerde en populaire handelszaak – in het Nederlands soms “Groot Huis van het Witgoed” genoemd, gaat terug naar 1850. Gedurende zowat een eeuw bevond deze iconische zaak zich op de Kiekenmarkt. Deze straat geeft uit op de grote boulevards die de vijfhoek van het stadscentrum doormidden snijden. In de 1890’s werd de oorspronkelijke winkel vervangen door een imponerende opvolger, op een veel grotere oppervlakte opgetrokken. Het complex bestond uit een handelsruimte van twee bouwlagen aan de straatzijde, met daarboven nog eens twee gewone en één dakverdieping. Achter dit hoofdgebouw bevonden zich voorts een aantal productieateliers. Die ruime nieuwbouw liet toe om een nog breder assortiment van allerhande koopwaren onder één dak samen te brengen. De dure investering die hiermee gemoeid was maakte de aankoop van extra bijhuizen overbodig.

Hoewel in enigszins gehavende vorm overleefde het sierlijke 19de eeuwse gebouw in het toeristische hart van Brussel de kaalslag uit de 1950’s en 1960’s. Beter nog: de historisch meest waardevolle onderdelen van dit voormalige handelspand kregen in de 1990’s een “beschermd” statuut. Een wijze beslissing die hier een zoveelste urbanistisch drama zou moeten voorkomen. Dit beschermd statuut van de Grande Maison de Blanc kwam er uiteraard niet toevallig: het gaat dan ook werkelijk om een gebouw met onloochenbare architecturale merites, waarvoor heel wat erfgoedliefhebbers ooit een ommetje maakten.


afb. 1

De meeste bestaande artikels over de GMB – bv. dat op Wikipedia- gaan quasi uitsluitend over de architecturale merites van de voorgevel, en nauwelijks over de voorgeschiedenis. Die scheef gegroeide situatie is gemakkelijk te verstaan. Dit pand is wat de hoofdstad betreft één van de weinige iconische bouwwerken uit de Belle Epoque die nog zijn overgebleven. Vooral het dozijn fraaie tegeltableaus ontworpen door Henri Privat-Livermont (1861-1936) spreken duidelijk tot de verbeelding.

  
afb. 2 / 3

De ontwerper werd in die tijd dan ook zonder meer als de “Belgische Mucha” bestempeld. (1) Ten bewijze hiervan, zijn fraaie reclames voor onder meer J.C. Boldoot uit Amsterdam (Eau de Cologne), Delacre (koekjes en chocolade), het Franse Chemins de Fer de l’Ouest (treinreizen naar de badplaats Cabourg), voor de dranken Robette (Absinthe) en Bitter Oriental, voor de Automobile Club de France enz. Alles bijeen een bijzonder fraai en rijk palmares.

   
afb. 4 / 5

De tegeltableaus voor de GMB tonen om te beginnen twee allegorische voorstellingen van de Handel en de Industrie. Aan weerszijden worden deze twee dames geflankeerd door andere typische Art Nouveau voorstellingen van vrouwen. Volgens een artikel uit de vroege 1900’s zijn het symbolische voorstellingen van de diverse productiestadia van de koopwaren die deze winkel te koop aanbood. Anderen zien er verwijzingen naar de verschillende soorten koopwaren in, die de dames destijds in de GMB aantroffen. (2) De tegeltableaus op het tweede verdieping zijn minder exuberant, maar niettemin ook erg elegant. Ze tonen decoratieve bloemenmotieven. Noteer: ze zijn met een simpel fototoestel niet goed te fotograferen: zo lijken de kleuren veel te bleek wanneer de zon straalt. Fotobewerkingsprogramma´s zijn niet het ideale antwoord. De beste foto´s werden met uitstekende camera´s horizontaal getrokken, op een hoogtewerker of vanuit een gebouw aan de overzijde van de Kiekenmarkt. Voor de "amateur-historicus" is het hier helaas dus roeien met minder performante riemen. (In een post-Corona periode volgen betere foto´s)

   
afb. 6 / 7 / 8 / 9

Komt daar nog bij dat de uitvoering van zijn ontwerpen werd toevertrouwd aan de firma Boch Frères in Charleroi. Deze zaak blijft tot op de dag van vandaag een erg geliefd bedrijf bij heel wat verzamelaars van porselein of keramiek. De tegeltableaus van de GMB ontstonden door middel van een soort krastechniek, die in de sector bekend staat als sgraffito. Op Youtube wordt deze techniek door een aantal mensen op een vereenvoudigde manier gedemonstreerd. De reputatie van zowel Privat-Livermont als van Boch Frères verklaren waarom de paar artikels die aan de GMB besteed werden vooral over deze aspecten gaan. Daarnaast vindt men her en der nog andere decoratieve elementen in de gevel verwerkt, zoals blauwgekleurde bollen.

De grote belangstelling voor de onmiskenbare architecturale kwaliteiten van de GMB belet dus niet, dat over de voorgeschiedenis van de winkel zelf eigenlijk maar weinig doorgedreven onderzoek gebeurde. Afgaande op het handvol bestaande artikels over de GMB bleek duidelijk dat niet alle informatie gehaald werd uit de schaarse bronnen die meer over die historiek konden prijsgeven. Denk hierbij aan de klassieke instrumenten van dataverrijking, zoals oude facturen, reclame-items als chromo’s en catalogussen, handelscorrespondentie, genealogisch onderzoek en zo meer. Erger: een aantal bijdragen over dit onderwerp nemen soms simpelweg onvolledige, verwarrende of foutieve gegevens over de ontstaansgeschiedenis van andere publicaties over. (3)

In zijn uitmuntende spionage-thriller “The Deceiver” uit 1991 schreef Frederick Forsyth een interessante passage over het werk van inlichtingendiensten:

“Het vergaren van inlichtingen is een eigenaardige zaak. Zelden wordt het antwoord op alle vragen in één klap beantwoord (…). Meestal vormt het beeld zich alsof er een legpuzzel stukje voor stukje in elkaar wordt gepast. Gewoonlijk worden de laatste 10 stukjes nooit gelegd, maar een ervaren analist kan zich ook uit een samenstel van fragmenten een beeld vormen. Soms zijn de stukjes niet eens afkomstig van de puzzel in kwestie, maar van een ander exemplaar. Soms zijn de stukjes vals. Bovendien passen ze nooit zo keurig in elkaar als de zorgvuldig gefiguurzaagde stukjes van een echte legpuzzel.”

Die raak geformuleerde passage past net zo goed voor historisch onderzoek. Helaas zal men ook nooit de geschiedenis van de GMB in zijn volledigheid kunnen reconstrueren. Te weinig bronnen, nauwelijks nog ooggetuigen en andere hindernissen beletten dit helaas. Noch archieven, noch de collecties van verkopers op veilingwebsites of die van andere verzamelaars enz. kunnen voor elke vraag (meteen) een helder antwoord verschaffen. Hoe zag de winkel er in de 1900’s, in het interbellum of na WO 2 aan de binnenkant uit ? Hoeveel mensen werkten er in de zaak en in de ateliers achter het hoofdgebouw ? Volgde de Franse eigenaar nauwgezet het functioneren van de winkel, het atelier en het personeel op, of vertrouwde hij volledig op de directie in dat verband ? Was hij vaak in zijn Brusselse woning, of verbleef hij vaker in Parijs of misschien in zijn geboortedorp ? Zolang geen bronnen opduiken, zoals ansichtkaarten, foto’s, een dagboek van de voormalig kaderlid of arbeidster, een relaas van een journalist bv. zal het onmogelijk zijn om over deze te berichten.

Het reconstrueren van de commerciële saga van het Grande Maison de Blanc wordt daardoor dus nogal sterk bemoeilijkt. Maar net die moeilijkheden op een vrij onontgonnen onderzoeksgebied maken het natuurlijk een extra interessante zoektocht. En ook al zijn niet alle stukjes van deze complexe legpuzzel terug te vinden, op basis van dit “samenstel van fragmenten” kan al ten minste toch al een interessant “beeld” geschetst worden.

Dit artikel is de neerslag van het puzzelwerk met alle tot in april 2020 gevonden informatie. Tevens werd contact opgenomen met nazaten van de Franse eigenaar van de GMB. Dit leidde tot een kruisbestuiving, waarbij de twee zijden nieuwe stukjes van de legpuzzel toegeschoven kregen.

Meteen moet echter ook onderstreept worden, dat de kroniek zoals hij hieronder staat een zeer voorlopig resultaat is. Het valt zeker niet uit te sluiten, dat een toekomstige vondst van zelfs maar één nieuwe bron een volledige paragraaf in een ander daglicht plaatst, een volledige herschrijving daarvan met zich mee zal brengen. Mocht dat ook effectief in de toekomst gebeuren, dan zal daar op de gebruikelijke wijze, via een bericht op de verwelkomingspagina van Retroscoop over bericht worden. Nieuwe informatie zal dan voorts tijdelijk in een andere kleur in de oorspronkelijke tekst verwerkt worden. Omdat de huidige afbeeldingen in deze kroniek genummerd werden en in de tekst specifiek naar die nummers verwezen wordt, zullen nieuwe afbeeldingen geen nummer krijgen. Dit uiteraard om al te omslachtig “herschrijfwerk” te voorkomen

1) Verwarring over het oprichtingsjaar


Afb. 10 (collectie Retroscoop)

Als er vandaag zelfs al over het jaar van oprichting van de GMB enige verwarring bestaat, dan is de winkel daar zelf ook wel wat schuldig aan. De communicatie hieromtrent was doorheen de jaren inderdaad niet zo rechtlijnig. Wie er bv. de wintercatalogus van 1908-1909 op nasloeg, kreeg te lezen dat dit “Maison de premier ordre et de confiance (fut) fondée en 1850”… Op een kleine reclamekalender uit 1948 (afb. 10) vermeldde de zaak echter trots dat het “depuis 1865” bestond. 


a
fb. 11 (collectie Retroscoop)
 

Uiteindelijk bleek een zeldzame oude factuur uit 1879 (afb. 11) die verwarring uit de weg te kunnen ruimen. Volgens een korte, ingekaderde historiek van de winkel werd voorloper van de zaak wel degelijk in 1850 opgericht, maar in 1866 (!, hier dus niet in 1865) door een nieuwe investeerder, een zekere E. Lefebvre overgekocht. Datzelfde jaartal werd ook overgenomen in een korte biografie van Lefebvre’s neef, die hem na diens dood was opgevolgd. (4)

Laten we eerst terugkeren tot 1850. In dat jaar richtte de familie Waucomont een textielwinkel op, die zich destijds op de Kiekenmarkt (rue du Marché aux Poulets) nr. 48-50 bevond. Aanvankelijk noemde deze winkel simpelweg “Waucomont-Billen” (afb. 12 a en b). Het feit dat er een koppelteken en geen ampersand tussen de twee namen staat, laat vermoeden dat het om een echtpaar gaat, niet bv. twee vennoten. Iets wat door bijkomend onderzoek in bevolkingsregister bevestigd zou kunnen worden. Een ongedateerde reclamepenning geeft aan dat de eigenaars de winkel herdoopten in “Grande Maison de Toiles & Blancs” (afb. 13), hetgeen later (?) verkort werd tot “Grande Maison de Blanc", zonder “toiles” en zonder “s” achter “Blanc”. (afb. 14 a en b)

Het pand telde destijds 4 bouwlagen, waarvan er twee voor de winkel werden gebruikt. Op het eerste verdieping bevond zich een groothandel, op het gelijkvloers een detailhandel toegankelijk voor het grote publiek. Op de voorgevel, tussen het eerste en tweede verdieping werden de hoofdcategorieën koopwaren opgesomd die de bezoeker of klant er zou aantreffen: “rideaux et stores brodés, mousselines, tulles et dentelles”. Tussen de ramen van het eerste verdieping werd meer in detail gegaan: Jupons, Basins Piqués, Mouchoirs Toiles et Batiste enz. 

 
afb. 12 a en b 

afb. 13


afb. 14 a en b

Een ander ondubbelzinnig aantoonbaar gegeven is, dat reeds ten tijde van de Waucomonts, het Grande Maison de Blanc samenwerkte met een textielfabriek in “St. Gall”, de Franse naam voor het Noord-Zwitserse Sankt Gallen. (afb. 15) 


Afb. 15

Dit bergplaatsje moet in de tweede helft van de 19de eeuw tot zowat WO 1 een bekend textielcentrum zijn geweest, met fabrieken als Rechsteiner, Hirschfeld & Co., H. Schoch & Cie. en de opvolger van die laatste firma, E. Vollenweider, Pfund-Vallois enz.

Het zou dit artikel evenwel te ver doen afdwalen om het industrieel belang van Sankt Gallen hier verder uit te spitten, het precieze aantal bedrijven uit te zoeken enz. Met welk van die bedrijven het GMB een band had, is vooralsnog niet geweten: hoewel die band met Zwitserland op chromo’s en brieven voortdurend werd benadrukt, wordt nergens verduidelijkt welk bedrijf precies voor “rideaux brodés” in Brussel zorgde.

Wat echter wel opvalt en belangrijk is: tal van andere textielwinkels blijken gelijkaardige commerciële banden met Sankt Gallen te hebben gehad. In Brussel vermeldden bv. Tholozan Frères (Nimes en Brussel) in 1884 en E. Mikulinzer (rue Paul Devaux) in 1907 dat ze hun “broderies” in dat Zwiters plaatsje inkochten. In Parijs vermeldden Feroulle & Fils in 1883 en de Ets. Farq & Oppenheim in 1898 hetzelfde in hun commerciële correspondentie. Ondanks de grote afstand tot Brussel of Parijs moet het blijkbaar toch de moeite hebben geloond om in het Zwitserse plaatsje bestelorders te plaatsen. Wellicht moeten de producten uit dat stadje een ijzersterke reputatie hebben opgebouwd. Verschillende winkels vermeldden dit gegeven zo uitdrukkelijk, dat niet anders kan geconcludeerd worden dat dit destijds als een gewichtig verkoopargument gold.

2) De mysterieuze “E.” Lefebvre 

In 1866 dook een nieuwe naam in de commerciële saga van de GMB op, deze van E. Lefebvre. In dat jaar kocht hij de winkel van Waucomont-Billen over. Zoals eerder vermeld, werd het bewijs hiervoor gevonden op een factuur uit 1879. In een kadertje geplaatst vond men een korte kroniek, die deze overgang vermeldt. (afb. 16)


afb. 16 (collectie Retroscoop)

Lefebvre was een investeerder van Franse komaf. Uit een biografisch over een andere telg van deze familie, bleek deze E. Lefebvre de oom te zijn van het familielid in kwestie. Deze laatste heette voluit Eugène Georges Lefebvre, en hij nam in de 1880’s de GMB over van zijn oom.
C’est alors que Monsieur (Eugène) Lefebvre, s’inspirant des grands exemples de feu son oncle pris une initiave hardie” (5)
Maar wie was dan die oom, die in 1866 de winkel van de Waucomonts overnam ? Het is hier dat het tijd wordt om er eens een genealogisch onderzoek bij te halen, dat opgestart werd door de verre nazaten van neef Eugène Georges Lefebvre. Uit hun stamboom (afb. 17) blijkt dat er slechts één kandidaat is om die fameuze oom te zijn. En dat is wel belangrijk, omdat op geen enkele brief, factuur, enveloppe enz. uit de periode 1866-1880’s wordt ook maar één keer de voornaam voluit geschreven: het was voortdurend “E.” Lefebvre, en enkel maar “E.” Lefebvre.


afb. 17
Familie Lefebvre contact: Lefebvre@idun.be

Hieruit blijkt de enige mogelijke kandidaat voor die oom de genaamde Claude E(ugène). Lefebvre (1832-1887) te zijn, afkomstig uit de Noord-Franse gemeente Maretz. Volgende argumenten pleiten alleszins in die richting:

1) het geboortejaar van Claude E. (1832) maakt de aankoop van de Grande Maison de Blanc in 1866 realistisch.
2) zijn voortijdig sterftejaar (1887) komt inderdaad overeen met de periode waarin de neef Eugène Lefebvre de GMB heeft overgenomen. (zie verder)
3) er zijn geen aanwijzingen dat hij in Maretz overleed
4) meerdere Lefebvres kozen om aangesproken te worden met hun tweede, veeleer als hun eerste naam. Misschien omdat Claude zijn officiële voornaam was, heeft Claude E. op geen enkel GMB document uitgelegd waarvoor die E. stond.

Toegegeven, het zou logischer zijn geweest dat hij C. Lefebvre zou hebben gebruikt, maar in dat geval bevat de stamboom geen alternatief voor een oom met een voornaam, beginnend met een “E”. Claude E. Lefebvre is dus momenteel de werkhypothese, die echter zeker nog extra (archief)onderzoek vraagt. Indien mocht blijken dat Claude E. geen kinderen had, wordt het duidelijk waarom de winkel na zijn dood is overgegaan naar een neef, niet naar een zoon of dochter.

Alleszins, hij trok dus in 1866 met een groep gespecialiseerde Franse textielarbeiders naar Brussel. En inderdaad, in de tweede helft van de 19de eeuw, ongeveer tot in de 1880’s was er heel wat textielnijverheid in Maretz en omstreken. Hoe kon de man het zich veroorloven om zo’n troep arbeiders in te huren, en een niet echt bescheiden textielwinkel in Brussel over te kopen ? Binnen de familie wordt al generaties verteld dat hij het groot lot van een voorloper van de Nationale Loterij zou hebben gewonnen. Het zou om 2 miljoen goudfranken zijn gegaan, een enorm kapitaal in die tijd.

Net zo min als er afbeeldingen van het echtpaar Waucomont-Billen gevonden werden, is het voorlopig wachten op eventuele illustratie van Claude Eugène Lefebvre. Deze bleef trouwens de naam van zijn voorgangers Waucomont-Billen zeker tot in de 1870’s op zijn facturen vermelden. Deze documenten leren voorts dat ook hij de banden met “St. Gall” verderzette. (afb. 18)

 
afb. 18

Een ongedateerde reclamepenning toont aan dat de winkel in de daarop volgende jaren uitbreidde, door ook de straatnummers 44 en 46 toe te voegen. (afb. 19) Omdat bovenstaande factuur uit de 1870’s enkel spreekt van de nr. 48 en 50 op een moment dat E. Lefebvre de zaak al heeft overgenomen, weet men dat die verdubbeling van de beschikbare oppervlakte onder hem gebeurde, niet onder de Waucomonts.

 
afb. 
19 

In de 1870’s kende de GMB duidelijk een ware bloeiperiode. Dat bereikte de winkel door prima kwaliteit koopwaren te combineren met goedkope prijzen. De winkel ging volop voor de verkoop tegen een kleine winstmarge, hetgeen gecompenseerd werd door de grotere hoeveelheden die verkocht werden. De winkel was een pionier op dat vlak in ons land. In het biografisch artikel over zijn neef en latere opvolger werd dit als volgt in een erg lange zin geformuleerd:
La première en Belgique, la Grande Maison de Blanc a introduit le système de vendre à petit bénéfice et à prix fixe, en ayant soin de marquer toutes les marchandises en chiffres connus, de façon à ce que jamais on abuse de l’ignorance du client et que les grands et petits acheteurs puissent profiter également des avantages que seule une Maison, puissament organisée comme la Grande Maison de Blanc, peut leur offrir, en réduissant ses prix de vente aux plus bas taux possibles, basé uniquement d’après la répartition des frais généraux sur un grand chiffre d’affaires, mais jamais au détriment de la qualité des marchandises qui toutes sont garanties de premier choix.” (6)
Een gelijkaardig principe werd later ook door de winkel van Tietz in Antwerpen en in de Brusselse Nieuwstraat toegepast, zoals elders op deze website werd verteld. Het legde de winkel geen windeieren. In 1875 blijkt Lefebvre nog extra huizen te hebben gekocht, en blijken voorts de huisnummers op de Kiekenmarkt een zonderlinge sprong te hebben gemaakt. Blijkbaar werden er in die periode verschillende huizen bijgebouwd in deze straat. Onderstaand kaartje legt die verschuiving helder uit, ook al gaat een deel van de informatie verscholen achter lijmrestanten (afb. 20 a en b):


a
fb. 20 a en b
Familie Lefebvre contact: Lefebvre@idun.be

Onder “E.” Lefebvre nam de Grande Maison de Blanc verschillende malen deel aan internationale tentoonstellingen, waaraan in die tijd nog maar een beperkt aantal landen deelnamen.


afb. 21  / 22
 

Een herinneringsmedaille uit 1878 suggereert dat de firma present was tijdens de Universele Tentoonstelling in Parijs. (afb. 21) De firma was ook aanwezig tijdens een internationale tentoonstelling in Brussel in 1880 in Brussel en de Wereldtentoonstelling in 1885 in Antwerpen. (afb. 22) De winkel had er toen een fraaie stand, waar een tot de verbeelding sprekende greep uit haar uitgebreide assortiment aan een nieuwsgierig publiek werd voorgesteld.
Qui ne se rappelle la brillante participation qu’elle a prise aux deux dernières Grandes Expositions Internationales. La somptueuse vitrine qu’elle occupait renfermait de merveilleux spécimens de tous ses articles et principalement des objets de lingerie pour trousseaux et layettes, tous entièrement confectionnés dans ses ateliers” (7)
Het leverde de winkel zowel in 1880 als in 1885 een gouden medaille op, iets waarmee uiteraard gretig werd gepronkt op de handelscorrespondentie van de volgende decennia. De winkel beschikte dus over eigen gespecialiseerd personeel. Omdat de winkel sterk afhing van uitstekende werkkrachten werd hier sterk in geïnvesteerd:
Les nombreux ateliers que la Grande Maison de Blanc a installé tant à Bruxelles qu’en Province, et dont le travail est assuré pendant toute l’année, occupent plus de 1200 ouvrières, et procurent ainsi le bien-être dans nombreuses familles. (…) Son grand mérite entre toutes choses, qui lui valurent les plus grandes distinctions flatteuses dont elle a fait l’objet, c’est la patiente volonté qu’elle a déploié pour former des ouvrières habiles, exercées et artistes dont la réputation est vantée au delà des frontières”. (8)
Behalve het eigen personeel in de ateliers werd er ook beroep gedaan op een zestal kloosters in de omgeving van Brussel. Onder Claude Eugène Lefebvre werd verder ook nog steeds ingevoerd vanuit St. Gall.

Wat promotie betreft, minstens even belangrijk als de twee gouden medailles was het feit dat de GMB het voorrecht kreeg om zich “Fournisseur breveté de S.M. la Reine des Belges et de S.A.R. la Comtesse de Flandres” te noemen. Ook die “lettres de noblesse” werden voortdurend uitgespeeld, en verschafte de winkel natuurlijk heel wat extra prestige, bv. bij de adel.

Dit alles hielp enorm het prestige van de GMB, dat steeds meer en meer klanten aantrok, en een steeds ruimer aanbod aan producten aanbood. Omstreeks 1880 beweerde het Grande Maison de Blanc dan ook zonder blikken of blozen de grootste witgoedwinkel van Europa te zijn. Moeilijk na te trekken natuurlijk.

Even tussendoor: wat gebeurde er met de Waucomonts, de oorspronkelijke eigenaars van de Grande Maison de Blanc ? Tot hiertoe werd slechts 1 spoor gevonden, dat wellicht met hen in verband stond. In een vooralsnog niet achterhaald jaartal opende een zekere J. Waucomont & Cie de “(Grand) Magasin(s) de Blanc(s)” op het nr. 35... van de Kiekenmarkt. (H.R. nummer 1632). Gaat het om een zoon van Waucomont-Billen, of een familielid in de tweede graad ? Voorlopig moet het antwoord op die vraag onbeantwoord blijven. Wel is geweten hoe deze winkel eruit zag (afb. 23). Deze was bescheidener in omvang dan het handelspand van Waucomont-Billen, in 1866 overgekocht door E. Lefebvre, maar niettemin een mooie winkel op een zeer “strategische” plaats gevestigd.


afb. 23
  / 24

Het toeval wil voorts, dat dit huis nog altijd bestaat, gemakkelijk herkenbaar aan de drie klokvormige dakkapellen. Vreemd genoeg toont de chromo een huis met 4 traveeën, terwijl er in werkelijkheid maar 3 waren. (9) Om de exacte ligging van deze winkel goed te kunnen situeren: de weg rechts waarop men een paardentram ziet, is de huidige Anspachlaan.

Deze werd aangelegd tussen 1868 en 1871, en heette aanvankelijk nog Boulevard Centrale. Op de achtergrond ziet men verder nog de twee leeuwen voor het Beursgebouw uit 1873. (De winkel dateert dus zeker van na dat jaartal) Op de achterkant van een andere, iets recentere chromo, ziet men het productengamma van de “Grands Magasins” (ditmaal met "s") opgesomd. (afb. 24)

 

De achterzijde van een evenmin gedateerde chromo leert dan weer, dat dit nr. 35 op bepaald moment een winkel van rouwkleding is geworden. (afb. 25) De term “Grande Maison” was blijkbaar erg populair in die periode, want deze zaak ging haar naam niet zo heel ver zoeken: het werd dus simpelweg “Grande Maison de Deuil”. (Er was ook een Grande Maison de Parapluies, een Grande Maison de Dentelles et de Broderies en een zaak die simpelweg “La Grande Maison” heette, alleen al in Brussel) Het kleurrijke kaartje somt op de achterkant in enkele krachtige woorden de kernactiviteiten van de zaak op: “spécialité de Tissus Noirs, Costumes et confections pour dames et enfants, Deuil complèt en 12 heures”. Helaas werd de naam van de (nieuwe ?) eigenaars niet vermeld.


afb. 25

Wat wel geweten is: deze handelszaak beschikte al over een telefoonlijn, meer bepaald het nr. 190. En dat laat natuurlijk toe om deze winkel enigszins in de chronologie te kunnen situeren. Aangezien Alexander Graham Bell de telefoon in 1875 uitvond, betekent dat dus dat de chromo alsook de bovenstaande informatie van enkele jaren later moet dateren, toen de eerste telefoonlijnen in de hoofdstad een feit waren, en 189 andere huizen over een telefoonnummer beschikten (tenzij men bij 100 was begonnen).

Ging het nog steeds om J. Waucomonts die een wit > zwart omslag had gemaakt ? Waren het nieuwe eigenaars ? Bestond deze zaak gespecialiseerd in rouwkleding in feite al voordat het J. Waucomont & Cie. werd ? Dit punt werd in het kader van dit artikel niet verder onderzocht, omdat dit ons te ver van het eigenlijke onderwerp afleid, de Grande Maison de Blanc. Niettemin, even dit zijspoor bewandelen is toch interessant: het nr. 35 bevindt zich namelijk quasi tegenover de huizen die Claude Eugène Lefebvre systematisch aan het opkopen was. Het leert dus, dat de Kiekenmarkt wel meer had aan te bieden dan enkel kiekens, en dat er zich meerdere textielzaken bevonden.

3) Een tweede E. Lefebvre duikt op

Omstreeks 1886 trok de toen 25 jarige “Eugène dit Georges” Lefebvre (1861-1930) vanuit het Noord-Franse plaatsje Maretz naar Brussel. In de Belgische hoofdstad aangekomen vestigde hij zich bij zijn oudste broer Albert (1857- ?), die reeds sedert 1883 aldaar verbleef. De twee broers gaven als verblijfsplaats het nr. 30 aan de Kiekenmarkt op. Dat was één van de 6 aanpalende huizen die hun oom Claude Eugène Lefebvre ondertussen had aangekocht. In de 1880’s ging het om de nrs. 24-34.

Het is niet geweten of hun oom, de eigenaar van de GMB zich ook effectief inliet met de gang van zaken in de winkel, of dit volledig overliet aan een aantal betrouwbare werknemers. Wat ook (nog) niet geweten is, is of Claude Eugène Lefebvre gehuwd was, kinderen had. Het is alleszins niet uitgesloten dat de twee neven ook op de één of andere manier bij de commerciële activiteiten van de winkel betrokken werden. In het “feuillet militaire” van Eugène Georges Lefebvre stond alvast dat hij “employé de commerce” was. Dezelfde bron leert ook dat hij zeker geen textiel- of handelsingenieur was, en maar bescheiden studies had afgerond. De man zou zijn stiel binnen het bedrijf zelf aanleren.

Een werkhypothese zou kunnen zijn, dat de gezondheid van Claude Eugène in de 1880’s erop achteruit was gegaan, en dat hij daarom hulp van familieleden had ingeroepen. Feit is immers dat hij in 1887, het jaar na de aankomst van Eugène Georges op amper 55 jarige leeftijd overleed. Omdat hierdoor een machtsvacuüm ontstond, had de Grande Maison de Blanc een nieuwe eigenaar nodig. Blijkbaar viel de keuze daarbij op neef Eugène Georges. (afb. 26) Wat er precies met zijn oudere broer Albert gebeurde, dient nog verder uitgeklaard te worden. Ook in de stamboom opgesteld door zijn nazaten is dit voorlopig nog een vraagteken.


afb. 26

4) De "Grande Maison de Blanc" Een populaire naam…

 


afb. 27 / 28

Laten we nog een zijsprong maken, maar andermaal, een niet onbelangrijke. Het is inderdaad zinvol te melden dat er zich op bepaald moment niet één maar twee “Grandes Maisons de Blanc” in Brussel bestonden. Uit een factuur uit 1871 blijkt er inderdaad een tweede winkel in de Belgische hoofdstad te zijn geweest met deze naam. Deze zaak bevond zich aan de Hofberg (z/n), en behoorde aan de “chemisier” L. Collin. (afb. 27) Er ontstonden eveneens Grandes Maisons de Blanc in bv. Antwerpen, in Gent en in Verviers (in 1864). (afb. 28) Ook bij onze zuiderburen waren er verschillende winkels die deze naam gebruikten. Zo was er één in Grenoble, één in Lyon (Thiers) en uiteraard één in Parijs, eveneens opgericht in 1864. In welk jaar Waucomont-Billen deze naam voor hun Brusselse winkel koos is vooralsnog niet geweten. Zorgde Brussel voor inspiratie in Parijs, of lagen de dingen net andersom ? Of gebeurde dit compleet onafhankelijk van elkaar ? Beide winkels kenden alleszins gouden tijden. Zo opende de Parijse zaak in de 1920’s eveneens verkooppunten in Cannes, Deauville en zelfs één in Londen.

  
afb. 29 / 30

De naam lijkt dus nooit echt auteursrechtelijk beschermd geweest te zijn. Hoewel er enige gelijkenis is in de typografie van sommige documenten van die winkels, zijn er helemaal geen aanwijzingen dat er ook effectief banden tussen hen bestonden. De gelijkenis in typografie lijkt eerder te maken te hebben met een vrij populaire vormgeving in de tweede helft van de 19de eeuw.

5) Een nieuw huis, een nieuw vlaggenschip

 
afb. 31 (collectie Familie Lefebvre contact: 
Lefebvre@idun.be)
Rechts de bron van de foto en van heel wat gegevens uit dit
artikel. (Ongedateerd, Berlin, Adolf Ecksteins Verlag)

In 1890 verwierf Eugène Georges Lefebvre (afb. 31) het huis tot dan toe bewoond door architect Pierre Victor Jamaer, op het nr. 62 in de toenmalige Avenue du Midi, thans Stalingradlaan. Dit huis van drie verdiepingen in Vlaamse neogotiek bestaat nog altijd. Op 17 juli trok de Franse zakenman, die overigens zijn leven lang vrijgezel bleef in dit huis. Blijkbaar was dit maar een tweede verblijf, en bevond de handelaar zich vaker in Parijs. Hij zou dit huis tot 1903 blijven gebruiken, om het daarna te verhuren. Hijzelf trok toen naar de elitaire avenue Louise. (10)

De expansie van de populaire textielwinkel ging ondertussen ononderbroken door. De GMB was ook present tijdens de Wereldtentoonstelling van Antwerpen in 1894, in Amsterdam in 1895 (met als thema het Hotel- en Reiswezen) en die van Brussel in 1897. Omdat de zaak al eerder gouden medailles in de wacht had gesleept, was ze wel “hors concours”. Het Rapport Général de l’Exposition Internationale de Bruxelles 1897 leert dat in die periode een zekere “Manufacturier Louvet” de “Directeur de la Grande Maison de Blanc” was. Waar deze de dagelijkse leiding op zich nam, vielen de grote beslissingen onder de verantwoordelijkheden van de Franse eigenaar.

Als zijn vroeg overleden oom Claude Eugène Lefebrvre ooit begonnen was met het systematisch opkopen van verschillende aanpalende huizen, dan was zijn bedoeling zonder twijfel om ze te laten afbreken, en er een grote, moderne winkel in de plaats te zetten. Een pand groot genoeg om nog meer koopwaren in onder te brengen, en volgens de eerder beschreven verkooptechniek aan de man en vooral de vrouw te brengen. Zijn vroegtijdig overlijden heeft de realisatie van die ambities tijdelijk een halt toegeroepen. Zijn neef Eugène Georges schijnt alleszins genoeg geld te hebben geërfd of verdiend, om dit 10 jaar na zijn dood te realiseren.

De kapitaalkrachtige jonge "captain of commerce" bleek inderdaad snel het idee voor een nieuw vlaggenschip genegen. Een fraaie, grote winkel, waarmee hij de panden van zijn voornaamste concurrenten zou doen verbleken. Behalve de andere textielzaken de loef afsteken zou zo’n nieuwe winkel natuurlijk ook de klanten onder de indruk brengen, alles gestroomlijnder te organiseren en misschien ook een nog groter productengamma aan te bieden.

Reeds in de vroege 1890’s begon het duidelijk te worden in welke richting gedacht werd. Een factuur uit 1891 bv. toont een groot, modern ogend gebouw met maar liefst 31 traveeën. (afb. 32 / 33) De Kiekenmarkt werd er bijna breder dan de Champs Elysées op voorgesteld. In tijden dat er nog geen Photoshop of Photoscape was, bestonden er dus zeker al andere trucjes om de mensen een rad voor de ogen te draaien. Maar goed, wellicht was men in een feestelijke stemming in de GMB, want het was ondertussen 25 jaar geleden dan Claude Eugène Lefebvre de winkel van Waucomont-Billen had overgekocht. Een beetje frivoliteit mocht dus wel… 


afb. 32 / 33

Pas in 1895 werd effectief een eerste voorstel ingediend bij het Stadsbestuur van Brussel. Om nog obscure redenen werden die plannen aanvankelijk geweigerd. Het jaar daarop werd een nieuwe poging ondernomen, een gewijzigd voorstel dat wel het fiat kreeg van het stadsbestuur. (11) Het zou natuurlijk interessant zijn om te weten ter komen wat het Stadsbestuur aanvankelijk had dwars gezeten, om het project niet meteen goed te keuren.

Het was architect Oscar François die door Lefèbvre werd aangetrokken om de winkel en de daarachter gelegen productiehallen gestalte te geven. (12) Zijn ontwerp week toch behoorlijk af van de illustratie uit 1891.De ramen op het tweede en derde verdieping werden heel anders ontworpen. In plaats van 31 smalle ramen dicht naast elkaar kwamen er aanvankelijk bijna de helft minder. Het aantal uitstalramen op het gelijkvloers bleef wel vergelijkbaar. Wel zou hun indeling doorlopen tot op het eerste verdieping, wat op de oudere illustratie nog niet het geval was. Ook werd er een mansardedak toegevoegd. In plaats van een volledig lineaire gevel, stelde hij een gebouw met twee zijvleugels voor, aan weerszijde van een lichtjes uitstekend centraal stuk. Dat middenstuk vormde de centrale ingang, met daarboven een balkon met een stenen balustrade, en dubbele ramen die 1 travee vormden. Aanvankelijk telde de zaak in totaal 14 traveeën (6-1-7), minder dan de helft van hetgeen de illustratie uit 1891 voorop stelde. In de vroege 1900’s zou een tweede architect, een zekere Servais nog twee extra traveeën aan de rechtervleugel toevoegen, exact in dezelfde stijl als die van François. Het totaal kwam nu op 16. (6-1-9).

Het fantasierijke ontwerp kenmerkte zich door een opvallende “eclectische” voorgevel. Deze typisch 19de eeuwse bouwstijl trachtte het beste uit verschillende vroegere bouwstijlen te puren, en dit tot iets nieuw samen te smelten. De basisgedachte achter dit “stijlpluralisme” was, dat een geslaagde mix van verschillende oudere bouwstijlen iets verheffend kon brengen, iets met heel eigen merites. Een beetje zoals een correct samengestelde cocktail. Vooral de liberale bourgeoisie wou haar soms spectaculair stijgende economische macht drie dubbel onderstrepen en van meerdere kleurrijke uitroeptekens versieren, door resoluut voor een triomfantelijke architectuur vol elegante tierlantijntjes te kiezen. En elkaar soms ook wel op dat vlak te beconcurreren. Hetgeen niet alleen tal van ambachtslieden werk verschafte, maar ook het algemeen straatbeeld van Brussel uitermate ten goede kwam. Iets waarin de meeste moderne architecten met hun steriele en vaak moeilijk te onderhouden architectuur en niet zelden minderwaardige materialen niet meer in slagen. Betonrot, roestsporen van metalen elementen, moeilijk bereikbare ramen, hout dat zijn warme kleuren bewust of niet bewust verliest, materialen die de luchtvervuiling vasthouden zoals een magneet ijzer aantrekt...

Volledig in de geest van de Belle Epoque en van dat vooruitgangsoptimisme werd ook de voorgevel van de Grande Maison de Blanc versierd met allerlei frivole elementen. De sierlijke uitstalramen van de winkel liepen door tot het eerste verdieping.

Daarboven bevonden zich twee gewone verdiepingen, met bijzonder fraaie en romantische tegeltableaus in de stijl van Art Nouveau-coryfee Mucha tussen de ramen geplaatst. Voor het overige bestaat de voorgevel uit witte en lichtblauwe vuil afstotende geglazuurde bakstenen en allerlei andere decoratieve vondsten. Het eindresultaat moet er in de gloriejaren van de winkel bijzonder aantrekkelijk hebben uitgezien, heel wat bewonderende “oh’s” en “ah’s” hebben uitgelokt. Het gebouw werd afgetopt met een mansardedak. Het aantal dakkapellen komt quasi overeen met het aantal traveeën, hetgeen laat vermoeden dat ook deze bouwlaag volop gebruikt werd, een beetje zoals bij de Grands Magasins de la Bourse. Wellicht bevonden zich daar burelen, waar bestellingen opgevolgd werden, de catalogus werd vorm gegeven en samengesteld, misschien wel stocks.

Interessant is dat heel dit bouwwerk tot stand kwam, zonder dat de winkel één dag gesloten werd. De aanpalende huizen werden met andere woorden niet in één beweging tegen de vlakte gegooid, waarna de GMB twee jaar de deuren sloot. In het biografisch artikel over Eugène Lefebvre werd dit als volgt verwoord:
“Ce travail commencé en 1897 a été complètement achevé en 1899 et quoique pas une brique de l’ancienne maison soit restée debout, les affaires n’ont pas chômé un seul jour. (…) Les magasins actuels occupent une surface batie de plus de 3000 m.c.: très spacieux, bien éclairés et aérés, ils peuvent être cités comme modèle en leur genre. L’éclairage éléctrique est produite par l’usine installée dans la Maison, et le chauffage se fait à la vapeur d’après le dernier perfectionnement." (13)
Op een aantal chromo’s van de GMB wordt er over 5000 m² nuttige oppervlakte gesproken, maar mogelijk rekenen deze bronnen er ook de ateliers achter de winkel bij. Wat er ook van zij, in de verkoopzalen en in de stockeerruimte van de GMB werd voor ettelijke miljoenen toenmalige Franken aan koopwaren bijeen gebracht. Het ging onder meer om: 

– witgoed voor hotels
– witgoed voor kerken
– hygiënisch textiel: de winkel bleek het monopolie te hebben op de verkoop van de “toiles et tissus système Kneipp” en de “tricots” of “lainages hygiéniques irrétrécissable à la ouatte de tourbe du Dr. Rasurel”
– Rideaux brodés uit St. Gall
– Rideaux "guipure" uit St. Pierre-les-Calais (deze techniek kan als volgt worden beschreven: "Dentelle très ajourée, dont les motifs sont séparés par de grands vides."
 

Op de achterzijde van de GMB-chromo’s vond men een opsomming van dit uitgebreide productengamma, dat ook op de voorgevel van de winkel zelf vermeld werd. (afb. 34)


afb. 34

Sommige auteurs menen te weten dat sommige verkopers van de GMB tussen hun koopwaren bleven overnachten, en dat de winkel 7 dagen op 7 open was. Tijdens de gewone dagen was het personeel van 8 u ‘s morgens tot 20 u ‘s avonds in de weer, enkel op zondag werd maar tot 13 u gewerkt. Voorlopig kan deze informatie niet bevestigd worden. Feit is natuurlijk dat de arbeidsomstandigheden in de 19de eeuw heel anders waren dan vandaag, en dat zo’n toestanden zeker niet ongewoon waren. Het lot van duizenden fabrieksarbeiders was trouwens veel minder benijdenswaardig.

6) Promotiemateriaal als informatiebron


afb. 35
Illustratie op een GMB-aandeel uit 1920
 

Ansichtkaarten
Verrassend toch: Eugène Georges Lefebvre heeft duidelijk diep in de buidel getast om zijn nieuwe winkel alle glans mee te geven. Niettemin werd het blijkbaar niet zinvol gevonden om een hele set ansichtkaarten van de binnen- en buitenkant van de winkel bij één van de bekende uitgevers van ansichtkaarten te laten drukken. Blijkbaar werkte de mond aan mond reclame goed genoeg om daar geld aan uit te geven.

Er verschenen weliswaar enkele ansichtkaarten van de Kiekenmarkt, waarop de grote GMB “onvermijdelijk” te zien was, maar dan vanuit zo’n scherpe hoek, dat de sierlijke voorgevel helemaal niet tot zijn recht kwam. En die ansichtkaarten werden duidelijk niet in eigen beheer gemaakt: de GMB staat er gewoon toevallig op, omdat de zaak zich net op de Kiekenmarkt bevond.

Niettemin, op bepaald moment verschenen dan enkele Z-W ansichtkaarten die de voorzijde van de winkel toonden. (afb. 36) Deze dateren is weliswaar moeilijk. Afgaande op het ontwerp van de auto lijkt dit van net voor of net na WO 1 te zijn. Noteer de hoogte van de etalages ten opzichte van de voetgangers op het trottoir ! Het moet evenwel gezegd worden, zulke ansichtkaarten van deze winkel duiken absoluut niet frequent op, en ingekleurde werden nog niet “gespot”.


afb. 36

Ansichtkaarten of foto´s van het interieur voor WO 1 werden tot nu toe niet gevonden. Helaas weten we daardoor maar weinig over het interieur: er zou een monumentale marmeren trap zijn geweest, fraaie plafonds… Maar hoe zagen die er uit, wat voor vloeren waren er, kwamen er op bepaald moment liften ? Evenmin is het duidelijk hoe de kassa of kassa’s eruit zagen, welke rayons er waren, of de winkel even frivool versierd was als aan de buitenkant. Indien ze al bestaan, wat niet uitgesloten is, zijn ze alleszins extreem zeldzaam.

De textielwinkel gaf wel (minstens) één zo’n ansichtkaart uit in het interbellum. (afb. 37) Daarop ziet men de “comptoir des gants”, de handschoenenafdeling. Voorlopig is niet duidelijk, of deze reclamekaart deel uitmaakt van een bredere set, die andere rayons toonde.

Alleszins komen we in een periode, dat de winkel wel meer van haar interieur prijs begon te geven, zoals verder zal blijken. Aanvankelijk ging het eveneens om een Z-W ansichtkaart, maar voor de gelegenheid werd ze hier een beetje ingekleurd door dhr. Cois Le. Deze rayon in de winkel situeren is echter moeilijk: men ziet rechthoekige ramen maar centraal een rondboog, die mogelijk had kunnen verwijzen naar de ingang. Ook de radvormige structuur tegen het plafond had in die richting kunnen wijzen. Niettemin, wanneer men de afbeelding vergelijkt met deze van de voorgevel, ziet men dat de toegangsdeur niet bekroond werd door een rondboog. Uit een niet gedateerde catalogus van de GMB uit ca. 1920 weten we dat de winkel o.a. handschoenen voor mannen en vrouwen van het Parijse merk “Jouvin” verkocht, een “manufacture gesticht in 1812. (Een reclame uit 1912 van dit merk vermeldde dat de firma sedert 1834 een “brevet d’invention” had – dat niet werd toegelicht- en dat het behalve de hoofdzetel “aucune succursale à Paris” had. 


afb. 37 / 38

Chromo´s
De GMB gaf doorheen de jaren voorts tal van chromo’s met kinderthema’s uit, zoals kleine wijsheden à la Comtesse de Ségur in haar kinderboeken, kinderspelen type haasje-over, elegante dames of taferelen die bepaalde kaartspelen uitleggen.

  


afb. 99 / 40 / 41 / 42 
(deels collectie Retroscoop)

Het loont de moeite om ook de achterzijde van deze chromo’s te bestuderen. Deze leren immers, dat de huisnummers van de zaak doorheen de jaren enkele malen wijzigden. Zo vermelden sommige van die kleurrijke kaartjes de nummers 20 à 32, weer andere 24 à 34. Eerder werd reeds bericht over hoe de straatnummering op de Kiekenmarkt op gegeven moment een sprong van meer dan 20 achteruit maakte: de oorspronkelijke nummers waren immers 48-50 en later 44-46-48-50.

Opnieuw: vreemd genoeg lijken er geen chromo’s te zijn verschenen, die de winkel langs de binnen- of de buitenzijde afbeelden. Heel wat andere winkels bewandelden wel deze paden ter promotie van hun zaak. Eerder zagen we al dat de kleinere Grand Magasin de Blancs van J. Waucomont & Cie dat wel gedaan heeft. Een ander heel fraai voorbeeld is de textielzaak J.N. Colard in de Nieuwstraat 11, dat een reeds lang verdwenen handelszaak toont. (afb. 43)


afb. 43 (collectie Retroscoop)

Catalogussen en reclamefolders
Wat dan met de seizoensgebonden catalogussen die de zaak twee maal per jaar uitgaf (zomer en winter). Ze werden -net zoals gratis monsters van stukjes stof- kosteloos verzonden naar klanten uit België, Nederland, Frankrijk, Duitsland... Wie weet, misschien bevatten bv. de nummers van 1909, toen de nieuwe winkel zijn 10 jarig bestaan vierde wel beeldmateriaal van het interieur of de buitenkant van de GMB ? Of die van 1900, toen het 50 jaar geleden was dat de Waucomonts hun winkel openden. Of … of… Helaas: exemplaren van zo’n verkoopbrochures zijn vrij zeldzaam en vooral… niet zo goedkoop. Bovendien zijn ze vreemd genoeg niet altijd gedateerd. Niettemin, dit is zeker nog een verder te bewandelen piste, bv. in de archieven van de Stad Brussel.

 


afb. 44 / 45 a en b (collectie Retroscoop)

Een catalogus uit ca. 1910, daaronder de laatste catalogus
voor het uitbreken van WO 1. Onderaan: de catalogussen
en gratis monsters werden kosteloos in heel Europa verzonden
 

Bovenstaande, jammer genoeg niet gedateerde catalogus (afb. 44) bijvoorbeeld, toont op de achterflap een foto (afb. 46) van de meubelafdeling van de GMB. Helaas toont hij niets van het interieur van de winkel zelf. (Benieuwd of de afgebeelde venster uitgaf op de Kiekenmarkt, en zich dus op het tweede verdieping van de zaak bevond.) De uitgever vond het blijkbaar boeiender om een set foto´s van toeristische bezienswaardigheden in België doorheen deze catalogus te strooien. Zonder dat de link echt duidelijk wordt.


afb. 46 (collectie Retroscoop)
 

Deze informatiebron leverde meteen nog een puzzelstukje op: de legende leert ons immers dat de meubels in deze rayon afkomstig waren uit “nos usines à Westerloo”. (op facturen uit 1909 wordt nog niet over gesproken over die fabriek, op die van 1919 wel) Afgaande op de badmode dateert deze catalogus wellicht uit ca. 1910-1914 (?) De prijs van 4000 Bfr. voor dit Lodewijk XVI-ensemble moet in die periode een zeer aanzienlijk bedrag zijn geweest. In die periode eisten stakende arbeiders vaak enkel maar wat centiemen opslag, eerden dan franken.

In het interbellum verscheen al wat meer beeldmateriaal over de binnenkant van de winkel. Zo bracht de firma in die periode een fraaie folder uit, die o.a. “automatische etalages” toont. (afb. 47) (Voorlopig is niet helemaal duidelijk wat daarmee bedoeld werd.) Dit document leert dat de winkel in die periode ook de confectie-formule aan haar klanten begon aan te bieden. Klanten kozen zelf de stoffen die ze verkozen, vervolgens werden hun maten opgenomen. Gespecialiseerde werksters in de goed verlichte en hygiënische ateliers van de winkel maakten vervolgens een jurk, een mantel of een tailleur hiermee tegen vooraf vastgelegde prijzen. (afb. 48 / 49 / 50)

 

 afb. 47 / 48 / 49 / 50 

Facturen en handelscorrespondentie
Ook facturen kunnen soms, vaak onrechtstreeks nieuwe informatie opleveren. Zo ziet men op facturen van 1909 opeens een telefoonnummer vermeld. Dit werd er voorts verticaal op vermeld, evenwijdig met de linkerrand van het document. Wellicht werd het later toegevoegd op reeds gedrukte briefhoofden, en liet de lay out ervan geen andere opties. Of moest het hier extra in het oog springen ? Het ging alleszins om het viercijferig nummer “2257”. (afb. 51) Een factuur van 1912 leert dan weer dat er omstreeks die tijd een tweede telefoonnummer in gebruik was genomenbehalve de A 22.75 van de burelen was er nu ook de A 122.32 voor wie de magazijnen wou bereiken. Dank zij een factuur uit 1921 weten we dat er ten minste twee kassa´s waren, wat niet verwonderlijk is, gezien de omvang van de winkel en de drukte die er ongetwijfeld kon heersen. Deze factuur vermeldt ook nog steeds een tweede toegang tot de winkel, nl. via de binnenkoer in de "rue des Fripiers" of Kleerkopersstraat. (zelfde huizenblok, de straat evenwijdig met de Kiekenmarkt.) Ze vermeldt eveneens nog steeds de twee A-telefoonnummers. (afb. 52) Niettemin, op een omslag uit hetzelfde jaar was vreemd genoeg opeens sprake van het telefoonnummer 4287. (zie afb. 57 a) De reden voor die plotse wijziging is voorlopig niet duidelijk. Eén van die niet goed gefiguurzaagde puzzelstukjes dus.... Noteer ook de paarse stempel, waarop verder teruggekomen wordt. 

      
afb. 51 / 52
 

Varia
Wat tot op heden nog niet werd gevonden of op veilingsites ontdekt, zijn de gratis monsters met stoffen die kosteloos naar het klantenbestand werd opgestuurd. Wat wel al opdook waren kleine almanachs (volgens de verkoper) of notaboekjes. (afb. 53) Deze leren wel iets over de reclamestrategie van de winkel, maar niets over de winkel zelf.


afb. 53

Retournons à nos moutons…. De enorme investering die gemoeid was geweest bij de geleidelijke afbraak van de oude huizen en de bouw van een nieuwe verkooptempel bleken al snel hun vruchten af te werpen. De nieuwe winkel werd dra overrompeld door kooplustige dames, aangetrokken door het fraaie gebouw, het ruime aanbod en de relatief kleine prijzen. We halen er ter illustratie hiervan nog eens het bijzonder interessante biografische artikel over Eugène Georges Lefebvre bij:
La vente est tellement active dans certains articles de sa spécialité qu’elle absorbe la production complète de plusieurs usines.” (14)
Naast de band met St Gall (die na WO 1 niet meer vernoemd werd) zorgde eind 19de eeuw een textielbedrijf uit St-Pierre-les-Calais voor “rideaux guipure”. Wellicht rond 1910-1914 kwam daar nog “nos usines et fabrique de meubles” in Westerloo bij.

In het eerste decennium van de 1900’s nam de GMB nog steeds volop deel aan wereldtentoonstellingen. In 1905 was dat in Luik, in 1906 in Milaan en in 1910 was de winkel – uiteraard – present op die in Brussel.

We keren nu even terug naar de stamboom van de familie Lefèbvre, opgesteld door amateur-genealoog Jean-Marie Pire. Eugène Lefebvre bleef ondanks zijn groot lot en zijn feeërieke winkel ongehuwd, en had geen kinderen. Net zoals zijn oom decennia eerder beroep had gedaan op twee neven, zo zocht ook “Eugène dit Georges” in eigen familiekring om hem bij te staan. Ook de kinderloze Eugène riep de hulp in van Théophile Fernand Lefebvre, zijn 6 jaar jongere neef. (afb. 54)

Deze ging akkoord met het aanbod. Hij werd aanvankelijk hoofd van de meubelafdeling, en dus betrokken bij de contacten met de fabriek in Westerloo. Uiteindelijk werd hij in 1914 winkeldirecteur, belast met de dagelijkse leiding. Als eigenaar bleef Eugène Georges Lefebvre verantwoordelijk voor de grote beslissingen.


afb. 54
Collectie Familie Lefebvre contact: Lefebvre@idun.be

Maar dan breekt in augustus van dat jaar de “Groote Oorlog” uit. En ook de nieuwe directeur bleef niet gespaard, ondanks zijn leeftijd:
"Malgré ses 45 ans, Fernand est mobilisé par la France lors de la Première Guerre Mondiale. Il est fait prisonnier et sera détenu au camp de Wahn à coté du Rhin. Il revint bien diminué de ces années de camp et mourut en 1940 un peu après le décès de son fils René.” (15)
De GMB stelde in augustus 1914 een deel van haar installaties ter beschikking van gewonde Belgische soldaten. In een latere fase begon de Duitse Bezetter de bezittingen van Fransen in België te viseren. En ook Eugène Lefebvre, die zijn Franse nationaliteit steeds had behouden, ontsnapte niet aan de Duitse administratieOp 13 juni 1917 werd volgende "Bekanntmachung" gepubliceerd:

No. 360. — 33. JUNI 1917. Page 3893 BEKANNTMACHUNG 

Avis concernant la liquidation d´entreprises françaises. Avec l’approbation de Son Excellence M. le Gouverneur général en Belgique et conformément aux arrêtés des 29 août 1916 et 15 avril 1917, concernant la liquidation d´entreprises ennemies, j´ai ordonné la liquidation des biens, situés en Belgique, de M. E. Léfèbre, sujet français, propriétaire de la Grande Maison de Blanc, à Bruxelles. 

M. J. Welker, Ecole Militaire, à Bruxelles, a été nommé liquidateur. Pour de plus amples renseignements, s´adresser au liquidateur. 

Bruxelles, le 14 juin 1917. (16) 

Maar uiteindelijk kwam op 11 november 1918 een einde aan de Eerste Wereldoorlog, en zwoer men overal « Nooit meer oorlog » te zullen maken. In welke mate de GMB compensaties na WO 1 heeft gekregen voor de geleden verliezen, vereist verder onderzoek. Het ziet ernaar uit dat de winkel tot 1920 gesloten is gebleven. Een wat vervaagde stempel op een omslag uit 1919 bv. leerde dat de ingang van de GMB « provisoirement » aan de achterzijde was, via de « 24 rue des Fripiers (fond de la cour). 


afb. 55

Amper 2 jaar na de beëindiging van de Bezetting besloot of zag de eigenaar zich genoodzaakt het statuut van zijn bedrijf te wijzigen. 

7) Van familiebedrijf naar N.V.


afb. 56

In 1920 werd de Grand Magasin de Blanc omgevormd tot een N.V. Op vrijdag 24 september 1920 werden er 24 000 aandelen van 500 Bfr. op de beurs te koop aangeboden. (afb. 56) Op die manier wist de nieuwe N.V., “successeur de E. Lefebvre” 12 miljoen Bfr. (nieuw) kapitaal aan te trekken om de winkel een nieuw elan te geven. In welke mate Eugène Lefebvre zelf aandelen kocht zou natuurlijk razend interessant zijn om te weten. Volgende uitnodiging bracht het geachte cliënteel op de hoogte dat de winkel drie dagen na de beursgang weer zou heropenen (afb. 57 a en b):


afb. 57 a en b
 

Een gelijkaardig bericht verscheen ook in de nieuwste catalogus, die helaas niet gedateerd werd. De voorflap is ook eerder sober. (afb. 58) 


a
fb. 58 / 59
 

Of Theophile Lefebvre na WO 1 terugkeerde als directeur van de NV is momenteel niet geweten. Hij overleed 10 jaar na zijn oom, in 1940.

Die oom, Eugène Georges Lefebvre dus, verhuisde wellicht na WO 1 van de Louizalaan naar een villa of zelfs een kasteeltje in één van de Brusselse randgemeenten (La Hulpe ?). Uit die periode bleef een heel fraaie familiefoto bewaard, die de trotse vrijgezel en ondernemer in jagerstenue toont. (afb. 60) Of hij aandeelhouder was in de nieuwe N.V. en zo ja, in welke mate is momenteel niet geweten. Niettemin: zijn rol in zijn vroegere winkel lijkt uitgespeeld te zijn. Eerder kwamen reeds de facturen uit 1920-21 met een paarse stempel aan bod. Deze zet duidelijk in de verf, of beter in de inkt dat de nieuwe N.V. de "successeur" was van E. Lefebvre. (afb. 61)

  
afb. 60 / 61
Links: Collectie Familie Lefebvre contact: Lefebvre@idun.be

Op de achtergrond kan men zien dat zijn toenmalige woning alleszins al over centrale verwarming beschikte. Of dat betekent dat hij zich uit de zaak teruggetrokken heeft, is momenteel niet geweten. Hij leefde nog tot zijn 69ste, en overleed in februari 1930. Hij werd bijgezet in de familiecrypte in Maretz. 

Het personeel van de GMB zorgde voor een cenotaaf, wat doet vermoeden dat de banden dus niet helemaal doorgesneden waren vanaf 1920. (afb. 62) Het is een hoog kapelvormig gebouwtje met daarin een buste van de zaakvoerder. (afb. 63) Op de sokkel van het beeldhouwwerk staat het devies “Travail Honneur Bienfaissance” (afb. 64). Deze buste rust zelf op een hoge tweede sokkel, waarop de boodschap “A notre regretté patron – Le personnel reconnaissant” met daaronder een dertigtal namen van mensen die hebben bijgedragen voor de bouw van dit monument, dat zich ongeveer tegenover het familiegraf van de Lefebvres bevindt. 

   
afb. 62 / 63 / 64
Collectie Familie Lefebvre contact: Lefebvre@idun.be
 

In 1931, het jaar na het overlijden van Eugène Georges Lefebvre werd een deel van zijn vermogen gebruikt om een kleine tuinwijk voor arbeiders aan te leggen in zijn geboorteplaats Maretz. Er werd uit dankbaarheid overigens ook een straat in Maretz naar de ondernemer genoemd.

8) Het einde en de nasleep


afb. 65
inpakpapier GMB

Interessant: de facturen uit de vroege 1920’s leren dat de firma behalve aan het Hof nu ook levert aan Ministeries leverde. De firma richtte zich in die periode ook meer en meer tot de groeiende groep mensen, die reizen ondernamen. Men kan dit zien, doordat de firma in 1925 ook reclames in het tijdschrift van de Touring Club Belge plaatste verwijzend naar een aangepast assortiment voor het lezerspubliek. (afb. 66)


afb. 66

Af en toe stoot men op items die het begin van een nieuw spoor bevatten omtrent de winkel. Zo verwijst een reclame op een boekje met een soort zegels uit 1932 naar het textielmerk "Fox", waarop de winkel het monopolie in ons land bleek te hebben. (afb. 67)


afb. 67

Kreeg bv. de winkel, en dus ook de aandelen het zwaar te verduren tijdens de economische crisis in de vroege 1930’s ? Wellicht valt dit nog wel in de toekomst te achterhalen. We zien alleszins een nieuw woord in de catalogus van 1933 verschijnen, die van “soldes”… (afb. 69) 


afb. 68 / 69

Een reclame uit de 1920´s en één uit de 1930´s
 

We zagen eerder al - het is niet altijd even eenvoudig om een zuivere chronologie aan te houden- dat de zaak in de 1930´s ook pochte met haar "automatische etalages". In dezelfde folder gaf de GMB aan dat het ook toelegde op confectie: de klant koos de stoffen die hij of zij graag zag, de winkel maakte hiermee het gevraagde kledingsstuk. Wellicht zag de winkel zich door de concurrentie genoodzaakt om ook deze piste te bewandelen.

Tot nu toe werden geen aanwijzingen gevonden dat de GMB deelnam aan de Wereldtentoonstelling die in 1935 in Brussel doorging. Wat niet wil zeggen dat dit niet het geval is, wel dat dit verder nog uitgespit dient te worden. Een lijst van deelnemende bedrijven wordt nog opgespoord, dit is normaal een vraag die op langere termijn wel een antwoord zal vinden.

Altijd een goed teken is wanneer de administratie van een bedrijf maar blijft uitbreiden. Eén van de indicatoren daarbij is het aantal telefoonlijnen. In 1941 was dit aantal bij de GMB ondertussen gegroeid tot 5. Tijdens de nieuwe Bezetting trok de GMB volop de patriottische kaart, en verscheen Koning Leopold III en twee van zijn kinderen op een kleine kalender. In 1945 was de omstreden vorst opnieuw aanwezig op een GMB-kalender. (afb. 70 / 71) 


Afb. 70 / 71
 

Met zo’n beeld hoopte de winkel wellicht de landgenoten een hart onder de riem te steken zonder nu ook weer de Bezetter voor het hoofd te stoten. Wijst het bestaan ervan erop dat de winkel tijdens de oorlogsjaren gewoon is open gebleven ? Ook hier weer is verder onderzoek nodig. 

Alleszins, de winkel wist ook de Tweede wereldoorlog te overleven. In 1946 lokte het klanten, door tentoonstellingen in de winkel te organiseren. Dat jaar kwam bv. de Antwerpse schilder André-Victor Lynen (1888-1984) aan de beurt. Niettemin moet de machine toch zijn gaan sputteren. In 1951 besloot de zaak de boeken neer te leggen. Op 17 mei van dat jaar werden de aandeelhouders in het Staatsblad opgeroepen om hun aandelen ten laatste tegen 20 mei bij de Kredietbank (in de Congresstraat in Brussel) te komen inleveren. De verantwoordelijke zette er niet alleen een stempel op - vaak was dit een zekere "Aubry, chef de service"-, maar ook met de pen geschreven commentaar. Op het exemplaar in de Retroscoop-collectie staat o.a. een datum (23.12.53) en een som in franken: 330 fr 25c (?). Wellicht was dit wat de bezitter nog kreeg voor de aandelen die in 1920 nog 500 Bfr. hadden gekost, toen een zeer hoge som. Er staat voorts een niet goed leesbare stempel op, waarin sprake is van een "Deuxième repartition", een bedrag van 125 fr., maar de rest van de boodschap gaat verloren, doordat de stempel dwars door de tekst op de aandelen geplaatst werd.

Hoe het zover is kunnen komen, is voorlopig nog niet duidelijk. Zat WO 2 er bv. voor iets tussen ? Of kreeg de zaak na de oorlog te veel concurrentie van andere winkels ? Werd het land overspoeld met textiel uit de VS, tegen zo’n onklopbaar lage prijzen dat de GMB al snel de duimen moest leggen ? Dat laatste blijkbaar alvast niet, want het was juist de GMB zelf die in gespecialiseerde Amerikaanse tijdschriften op zoek ging naar koopwaren. Dat was bijvoorbeeld het geval in de Foreign Commerce Weekly. Hierin verscheen volgende aanvraag:
“26. Belgium Grande Maison de Blanc S.A., 32 rue du Marché aux Poulets, Brussels desire purchase quotations on upholstery, decoration and clothing materials, shoes, fancy leather goods, nylon textiles, impregnated fabrics.” (17)
Maar dus, in 1951 viel definitief het doek over deze gerenommeerde witgoedzaak, ooit de grootste van Europa, als we een lovend artikel over Eugène Lefebvre en chromo’s uitgegeven door de GMB zelf mogen geloven. 

 
a
fb. 72 / 73 a en b
 

Op zeker moment nam dan een NOPRI zijn intrek in de voormalige textielwinkel. (afb. 72) De winkel werd reeds vermeld onder de rubriek “S.A. Groothuis” in een brochure uit de vroege 1950’s van de coöperatieve Storesco. Deze S.A. omvatte een 30-tal “Nopri-Samar” winkels verspreid over het land. (Op gegeven moment zou de GMB dan een Sarma zijn geworden. Ook de Sarma-keten was een onderdeel van Storesco. (afb. 73 a en b)

Het interieur werd daarbij gaandeweg grondig gewijzigd, om het nogal eufemistisch te formuleren. Wanneer we het directer willen omschrijven, mag men gerust stellen dat kostbaar erfgoed zonder pardon definitief om zeep geholpen werd. Ook de voorgevel van de GMB onderging niet erg geslaagde moderniseringen. De Inventaris van het bouwkundig Erfgoed van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevat zwart-wit foto’s uit die periode, die dit maar al te goed illustreren. In de Golden Sixties was dit helaas schering en inslag. Moet hier nog herinnerd worden aan hoe de Socialistische zuil geestdriftig haar fraaie maar zogezegd oubollige Volkshuis tegen de vlakte heeft laten smijten ? Enkel om het te kunnen vervangen door een steriel betonnen gedrocht met evenveel charisma als een verliefde pladijs ? (18)

Er kwam ook een zaak met Aziatische snacks en de snookerbar Sharkey’s alsook een hotel namen hun intrek in de voormalige winkel. Op zeker moment kwam er ook de Golden Palace, een casino.

In de 1990’s werden de voorgevel en de daken van de voormalige textielwinkel het statuut van beschermd erfgoed. Vanaf 2012 werd de voorgevel in de mate van het mogelijke in de oorspronkelijke staat hersteld. Binnen werden enkele originele plafonds blootgelegd en gerestaureerd. Hierover werd evenwel al uitvoerig in andere bronnen bericht: hier zal daar dus niet verder op worden ingegaan. Bepaalde schade die nog dateert uit de SARMA-periode was helaas onomkeerbaar. Niettemin is het goed om te zien dat de Stad Brussel dit commercieel erfgoed weet te waarderen, en er de nodige financiële middelen voor heeft willen uittrekken, om het toch zoveel mogelijk in zijn oorspronkelijke glorie te herstellen. Sedert april 2020 vindt de lezer nu ook een uitgebreid artikel online, waarin de schaarse gegevens over deze iconische winkel eindelijk eens bij elkaar gebracht werden.

  
afb. 74 / 75
Beide foto´s: Familie Lefebvre contact: Lefebvre@idun.be
Mej. Jeanne Kanters uiterst rechts en op oudere leeftijd

Er valt zeker nog heel wat informatie boven te spitten, zoals rond het personeelsbestand, de rol van een aantal cruciale spelers, zoals de boekhoudster mej. Jeanne Kanters (afb. 74 / 75), over de band met het Zwitserse St. Gall enz. Dingen als het dossier rond het faillissement, persartikels uit die periode, misschien wel archieven bij de vakbonden, ze kunnen allemaal nog interessante puzzelstukjes bevatten. Voorlopig beperken we ons echter tot dit "lanceerplatform" voor verder onderzoek.

Alleszins werden wel al een aantal onjuistheden uit de bestaande artikels over de GMB met deze kroniek uit de wereld geholpen. In de toekomst hopen we deze bijdrage gaandeweg nog verder aan te kunnen vullen met extra informatie. 

Nabeschouwing en bedankingen 

We zijn zeer veel dank verschuldigd aan de nazaten van Eugène en Théophile Lefebvre, die welwillend hun documentatie en informatie met ons hebben willen uitwisselen. Meer specifiek danken we vooral de heren Cois Lescreve en Jean-Marie Pire.

De meeste artikels op Retroscoop vormen niets meer dan een eerste aanzet. Deze website hoopt uiteraard om op die manier een inspiratiebron te worden voor mensen, die veel diepgaander onderzoek naar één specifiek onderwerp willen doen. Zoals de commerciële saga van de GMB. Aangezien Retroscoop dit onderwerp wel zal blijven volgen, lijkt het quasi zeker, dat vroeg of laat deze eerste versie verder aangevuld zal kunnen worden. Misschien zijn er ook wel verzamelaars of amateur-historici, gebeten door de hoofdstad, die in dat verband een baksteentje, een complete muur of zelfs een kloeke hoektoren kunnen bijdragen. (19)

Zoals dit al verschillende malen het geval was voor andere artikels. Zoals steeds zijn zo’n aanvullingen of scans altijd welkom op info@retroscoop.com.

Voetnoten

(1) Grande Maison de Blanc E. Lefebvre 20 à 32 rue du Marché aux Poulets
Ongedateerd biografisch artikel uit: “l’Industrie Belge, Représentants de l’industrie et du commerce. Portraits et œuvres” Adolf Eckstein’s Verlag, Berlin, geen jaartal.

(2) zie bv. het Wikipedia-artikel, zoals geraadpleegd op 20 jan. 2020 of de chronologie vermeld in deze bijdrage van Martine Duprez: Bruxelles Immo Laeken veut rénover la façade classée du Marché-aux-Poulets Les fresques Art nouveau espèrent un nouvel écrin retroactes, Le Soir 11.10.2002

De auteur meent bv. te weten dat de winkel in 1870 door de Fransman E. Lefebvre werd overgkocht. Zoals verder zal blijken is die informatie onjuist.

(3) Wikipedia artikel Henri Privat-Livermont

(4) Idem (1) Op. Cit.

(5) Idem (1) Op. Cit.

(6) Idem (1) Op. Cit.

(7) Idem (1) Op. Cit.

(8) Idem (1) Op. Cit.

(9) In 1980 was het een café (naam onbekend), in 1990 de Taverne Adams, sedert minstens 2016 een Ladbrokes (Afbeeldingen van deze horeca-zaken zijn terug te vinden in de Inventaris Bouwkundig Erfgoed van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In de nabije toekomst wordt een foto van dit huis toegevoegd, maar wie nu al de chromo wil vergelijken met het huis, kan dit uiteraard al eens doen via Google Streetview.

(10) Vincent Heymans Une vie, une maison, un siècle: l’hôtel Jamaer, 62 avenue de Stalingrad à Bruxelles”

(11) Later onderzoek zal moeten uitwijzen of het om een compleet nieuw voorstel ging, of een licht gewijzigde versie van de eerste.

(12) De Inventaris Bouwkundig Erfgoed van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest suggereert dat Oscar François geen erg bedrijvige architect is geweest. In de zeer beperkte lijst van zijn realisaties onder meer herenhuizen voor twee telgen van de bekende Wolfers-familie aan de Maria Louizasquare.

(13) Idem 1 Op. Cit.

(14) Idem 1 Op. Cit.

(15) Cois Lescrève La Grande Maison de Blanc Op. Cit. Niet gepubliceerd document door één van de verre nazaten van de twee Eugène Lefebvres.

(16) Législation Allemande pour le Territoire Belge Occupé 1917 Onzième série 1 avril 1917 – 28 juin 1917 Den Haag, Uitgeverij Martinus Nijhof (samengesteld door Huberich Charles Henry en Nicol-Speyer Alexander

(17) Foreign Commerce Weekly, Vol 22, 1946.

(18) Voormalig Groot Huis van het Witgoed Irismonument / Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed, Brussels Hoofdstedelijk Gewest

19) Voor wie zelf nieuwsgierig raakt, en graag op deze eerste aanzet wil verder bouwen: misschien bevat het Dossier van Naamloze Genootschappen 7001 van het Ministerie van Financiën wel antwoorden. Dit dossier bestaat uit 1 omslag die de periode 1946-1952 behandeld.

 
 
database afsluiten